INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies<
 
Resultaten SOV-drang
De auteurs zijn werkzaam bij INTRAVAL, Bureau voor Onderzoek en Advies, te Groningen en Rotterdam: Sasja Biesma is sociaal-psycholoog en senior-onderzoeker, Annemieke de Jong is sociaal-psycholoog en onderzoeker, Bert Bieleman is socioloog en directeur.
Onderzoeks- en adviesbureau INTRAVAL heeft vanaf de oprichting in 1996 verschillende onderzoeken verricht naar de kenmerken en de resultaten van de drangvariant van de Strafrechtelijke Opvang Verslaafden (SOV-drang) in Rotterdam. In het meest recente onderzoek is de SOV-drang in opdracht van de GGD Rotterdam e.o. geëvalueerd.
Achtergrond
Halverwege de jaren negentig is er sprake van een aanzienlijke drugsoverlast in Rotterdamse deelgemeenten en wijken. Deze overlast is onder andere het gevolg van het criminele gedrag van bepaalde groepen langdurig verslaafden, die door het (veelvuldig) plegen van (vermogens)delicten in hun behoefte aan drugs voorzien. Het reguliere aanbod in de verslavingszorg blijkt niet voldoende om deze groep een beter perspectief te geven en de overlast terug te dringen. Deze problematiek speelt niet alleen in Rotterdam, maar eveneens in andere Nederlandse steden en gemeenten. Om die reden wordt de bestaande (lokale) aanpak uitgebreid met verschillende programma's die werken vanuit de dranggedachte, zoals de Stelselmatige Dader Aanpak (SDA), de Vervroegde Interventie Aanpak (VIA) en de Forensische Verslavingskliniek (FVK).
Tot deze categorie programma's behoort tevens de drangvariant van de Strafrechtelijke Opvang Verslaafden (SOV-drang), die in oktober 1996 in Rotterdam als experiment is gestart. In de loop van het jaar 2000 heeft het een zelfstandige plaats ingenomen in de Rotterdamse keten van verslavingszorg. Door een relatief lang resocialisatietraject wordt de doelgroep de mogelijkheid geboden te werken en te wonen zonder afhankelijkheid van harddrugs, waarmee tevens de door hen veroorzaakte (criminele) overlast wordt teruggedrongen.
Drang en dwang
Van oorsprong is de SOV-drang opgezet als voorloper voor de dan nog te ontwikkelen dwangvariant. Sinds 2001 is de SOV-dwang in experimentele vorm van start gegaan in drie Nederlandse grote steden (Amsterdam, Rotterdam en Utrecht). Verder hebben zes middelgrote steden een samenwerkingsverband met de dwangvoorziening in één van deze drie steden. De dwangvariant heeft dezelfde doelstellingen en werkwijze als de SOV-drang. Bij de SOV-dwang gaat het echter om een maatregel die onder justitiële dwang wordt opgelegd, terwijl plaatsing in de drangvariant plaatsvindt op vrijwillige basis. Wel kan deelname aan de SOV-drang door justitie als schorsingsvoorwaarde tijdens voorlopige hechtenis of bewaring worden toegepast, waardoor een stok achter de deur ontstaat voor de deelnemer in kwestie. De 'justitiële beloning' voor het goed doorlopen van de SOV-drang is een kwijtschelding van alle nog openstaande straffen.
Doelgroep SOV-drang
De doelgroep van de SOV-drang bestaat uit langdurig verslaafden aan harddrugs die door het plegen van reeksen delicten overlast veroorzaken. Daarbij wordt gelet op het aantal delicten dat zij hebben gepleegd (minimaal drie keer veroordeeld tot vrijheidsstraf en tenminste tien processen verbaal in de afgelopen vijf jaar voor delicten gerelateerd aan drugsverslaving). Het gaat om mannen van 18 jaar en ouder met een legale verblijfsstatus. De zogenoemde dubbele diagnose (verslaving en psychiatrische problematiek) is een contra-indicatie.
Uit de registraties van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond en het Openbaar Ministerie (arrondissement Rotterdam) blijkt dat er meer dan 1250 kandidaten voor de SOV-drang zijn. In de loop van de jaren is de omvang van de doelgroep ongeveer gelijk gebleven, terwijl de samenstelling voortdurend wijzigt. Tot 1 juli 2003 zijn 457 verslaafden ingestroomd in de SOV-drang.
Programma SOV-drang
Om de doelstellingen te bereiken hanteert de SOV-drang een veelomvattend programma dat is gebaseerd op vijf pijlers: werk en/of opleiding; relaties; zinvolle vrijetijdsbesteding; huisvesting; en schuldhulpverlening.
Het programma wordt uitgevoerd in drie fasen van elk gemiddeld zes maanden. In de eerste fase, de leerfase, wordt de nadruk gelegd op aspecten als fysiek aansterken, aanleren van dag- en nachtritme, discipline en omgaan met emoties. Deze fase vindt hoofdzakelijk plaats op het terrein van een legerkazerne in Ossendrecht en is vrijwel geheel gesloten. De tweede, half open fase vindt plaats vanuit het landgoed Nieuw-Rhodenrijs in Rotterdam-Overschie. De deelnemers krijgen dan geleidelijk aan meer vrijheden en kunnen oefenen met de (op)nieuw aangeleerde vaardigheden. De derde, open fase is gericht op de terugkeer in de maatschappij. Deelnemers wonen dan in door de SOV-drang beheerde kamers of huizen in Rotterdam, terwijl zij nog steeds onder begeleiding van de SOV-drang staan. Ook na uitstroom uit de SOV-drang bestaat de mogelijkheid terug te vallen op hulp van en soms ook tijdelijke heropname in de SOV-drang.
Evaluatie
In de evaluatie gaat het met name om de vraag in hoeverre de SOV-drang leidt tot vermindering van de drugsoverlast door de deelnemers. Hiervoor zijn onder meer gegevens uit het Herkenningssysteem (HKS) van de politie en de penitentiaire dossiers van justitie verzameld en geanalyseerd. Daarbij is niet alleen de groep deelnemers tot 1 augustus 2002 (388) onderzocht, maar is eveneens gebruik gemaakt van een alternatieve controlegroep. Deze bestaat uit een steekproef van 255 drugsverslaafden uit het eerder genoemde bestand van zo'n 1400 kandidaten voor de SOV-drang, die tot op heden (nog) niet hebben deelgenomen aan de SOV-drang.
Met behulp van de gegevens in het HKS is voor zowel de deelnemers als de controlegroep het gemiddelde aantal gepleegde delicten per kalenderjaar tussen 1996 en 2001 berekend. Aan de hand van de penitentiaire dossiers zijn daarnaast de exacte perioden van detentie sinds 1996 vastgesteld. De perioden van detentie zijn tevens gebruikt om het gemiddelde aantal delicten te corrigeren: tijdens detentieperioden kan men immers geen delicten plegen.
Naast de analyse van registratiegegevens zijn voor het onderzoek tevens uitgebreide gesprekken gevoerd met 70 voormalige deelnemers van de SOV-drang. Hiervan heeft een deel het gehele programma doorlopen ('afmakers') en een deel het programma voortijdig verlaten ('afhakers'). In de interviews is aandacht besteed aan de ervaringen met het project en de mogelijke invloed die het project heeft gehad op de leefgebieden wonen, relaties, criminaliteit, inkomen, dagbesteding en middelengebruik. Vanwege privacyreglementen is het niet mogelijk geweest personen uit de controlegroep te benaderen voor het voeren van een persoonlijk gesprek. Wat betreft het onderdeel resocialisatie is daarom geen vergelijking mogelijk tussen deelnemers en niet-deelnemers.
Criminaliteit
Na analyse van de registraties van politie en justitie blijkt dat de deelnemers in de periode na hun deelname aan de SOV-drang significant minder delicten plegen dan de leden van de controlegroep (figuur 1). Verder is zowel onder de afmakers als onder de afhakers na hun deelname een afname te zien in het aantal gepleegde delicten in vergelijking met de periode voorafgaande aan deelname. Deze afname is duidelijk het sterkst onder de afmakers.
Figuur 1
Gemiddeld aantal delicten van de afmakers
(N=45), afhakers (N=174) en controlegroep
(N=223), gecorrigeerd voor deelname c.q. detentie
 
Het blijkt dat de deelnemers na deelname zowel vermogens- als geweldsdelicten significant minder frequent plegen dan de controlegroep. Verder is er bij vermogensdelicten onder zowel de afmakers als de afhakers sprake van een significante daling na deelname aan de SOV-drang in vergelijking met daarvoor. Onder de afmakers is tevens het aantal geweldsdelicten sterk afgenomen, terwijl de afhakers hierin geen verandering laten zien.
Ten slotte blijken de deelnemers na deelname minder dagen gedetineerd te zijn dan de controlegroep. Bij de afmakers is deze daling het sterkst.
Resocialisatie
Resocialisatie is gemeten aan de hand van een vijftal leefgebieden, gebaseerd op de vijf pijlers van de SOV-drang. In gesprekken met voormalige deelnemers is ingegaan op de woonsituatie, de dagbesteding, het inkomen, de sociale relaties en het criminele gedrag, aangevuld met het middelengebruik. Op al deze aspecten zijn de geïnterviewden in positieve zin veranderd na hun deelname aan de SOV-drang. Dit geldt met name voor de deelnemers die het gehele programma hebben doorlopen.
Onder de geïnterviewde afmakers is na deelname sprake van een sterke stijging van het aantal met een stabiele woonsituatie ten opzichte van de periode daarvoor. Daarnaast is zowel het aantal afmakers als het aantal afhakers met een zinvolle dagbesteding zoals werk en een hobby na deelname toegenomen, terwijl het aantal dat zich in hoofdzaak bezig houdt met criminaliteit en drugsgebruik is afgenomen. Vrijwel alle afmakers die het gehele programma hebben doorlopen, hebben een positieve ontwikkeling doorgemaakt wat betreft hun inkomsten: het merendeel is vanuit een uitkeringsituatie en illegale neveninkomsten in loondienst gekomen. Dit geldt voor ongeveer een kwart van de afhakers, terwijl bij eveneens een kwart van hen sprake is van een ontwikkeling in negatieve zin. Ten slotte blijkt uit de interviews dat het aantal voormalige deelnemers dat (goede) contacten onderhoudt met familieleden licht is toegenomen. Daarnaast is er onder de afmakers sprake van een sterke stijging in het aantal met een serieuze, langdurige relatie.
Middelengebruik
De SOV-drang richt zich indirect op het verslavingsgedrag. Hoewel het middelengebruik na binnenkomst met behulp van methadon in korte tijd wordt afgebouwd, betreft het geen verslavingsprogramma in klassieke zin zoals bijvoorbeeld therapeutische gemeenschappen die bieden. Na uitstroom uit de SOV-drang blijkt het middelengebruik bij een ruime meerderheid van de deelnemers te zijn verminderd of te zijn gestopt. Na deelname gebruikt ruim drie kwart van de afmakers in het geheel geen harddrugs meer, terwijl bijna een derde van de afhakers dit niet meer doet.
Conclusies
In totaal heeft 20% van alle deelnemers het gehele programma van de SOV-drang doorlopen, een percentage dat in vergelijking met andere programma's voor harddrugsverslaafden goed is te noemen. De deelnemers aan de SOV-drang verkeren na hun deelname duidelijk in een betere situatie dan voorafgaande aan deelname. Hierdoor houden zij zich in minder mate bezig met overlastgevende en criminele activiteiten. Dit geldt vooral voor degenen die het totale programma hebben afgemaakt, maar ook bij deelnemers die voortijdig zijn afgehaakt zijn positieve ontwikkelingen te constateren.
De SOV-drang biedt een volwaardig programma waarvan de aanpak in vergaande mate persoonsgebonden is. Zij richt zich, in tegenstelling tot veel andere hulpverlenende trajecten, gelijktijdig op alle belangrijke leefgebieden van de deelnemers. De SOV-drang past dan ook goed in de persoonsgebonden aanpak (PGA), die de gemeente Rotterdam begin dit jaar heeft gepresenteerd. Voor een goede invulling van de PGA is een keten van voorzieningen nodig met als een van de onderdelen de SOV-drang.
Ten slotte blijken verslaafden met enige motivatie zonder meer baat te hebben bij de SOV-drang. Het voortbestaan van de SOV-drang lijkt dan ook gerechtvaardigd te zijn. Het biedt een oplossing voor een categorie (langdurig) verslaafden aan harddrugs die tot aan hun deelname de nodige overlast veroorzaken. Een redelijk aantal heeft voldoende aan de met het programma gepaard gaande drang om het gedragspatroon in positieve zin te veranderen. Voor hen die hiermee toch niet geholpen zijn, kan de SOV-dwang wellicht uitkomst bieden. Eventueel kan de dwangvariant als stok achter de deur worden gebruikt voor de deelnemers aan de drangvariant.
De resultaten van het onderzoek zijn gepubliceerd in het rapport Opgevangen onder drang.
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.