Naar de Homepage Actuele projecten
 
 

 

 

 

 

 
 
Werkterrein: verslaving
Werkterrein: leefbaarheid
Werkterrein: welzijn
Werkterrein: jeugd
  foto



   
Onderzoek kansspelverslaving Nederland
Opdrachtgever:
Het onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Veiligheid en Justitie in samenwerking met onderzoeksbureau Mediad.
Vraag- en doelstelling:
Het onderzoek vindt plaats in het kader van het tegengaan van kansspelverslaving, onderdeel van het Nederlands kansspelbeleid. Het onderzoek is onderverdeeld in twee deelonderzoeken: Prevalentie en Preventiebeleid.

Prevalentie
Het deelonderzoek Prevalentie heeft als doel de aard en omvang van de verslaving aan kansspelen in Nederland vast te stellen. Daarbij dienen ook ontwikkelingen in de verslaving naar voren te komen, zowel in type(n) kansspelen als in het profiel van de spelers.



Preventiebeleid
De doelstelling van het deelonderzoek Preventiebeleid is het achterhalen van de veranderingen die sinds het eerdere onderzoek zijn opgetreden in (de sterke en zwakke punten van) het Nederlandse preventiebeleid. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar preventieve maatregelen genomen door de overheid, de spelers zelf en de branche.
Opzet onderzoek:
De onderzoeksopzet bestaat uit verschillende onderdelen. In het kader van het prevalentieonderzoek vindt een bevolkingsenquête plaats waarbij 5.000 inwoners van Nederland worden geënquêteerd. Naast enquêtes voor het bevolkingsonderzoek worden 500 (verslaafde) spelers face-to-face geïnterviewd. Deze respondenten zullen voor een deel worden geworven via het bevolkingsonderzoek. Daarnaast zal er intensief veldwerk plaatsvinden. Gedurende het veldwerk worden op diverse fysieke vindplaatsen waar kansspelen gespeeld kunnen worden (casino’s, amusementshallen, wedkantoren, verkooppunten van krasloten, drafbanen en dergelijke), verspreid over Nederland, respondenten geworven. Ten behoeve van het deelonderzoek Preventiebeleid wordt een literatuurstudie uitgevoerd en worden experts op het gebied van kansspelverslaving geïnterviewd. Speciale aandacht zal worden gegeven aan het preventiebeleid van Holland Casino.

De resultaten van het onderzoek zullen worden gebruikt door beleidsmakers, hulpverlenende instanties en kansspelaanbieders ten behoeve van het goed kunnen inrichten van het preventiebeleid, de hulpverlening en de bedrijfsvoering.
Onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. S. Biesma, drs, J. Snippe, drs. A Kruize, drs. R. Nijkamp, mr. K. de Haan
naar boven
Monitor verslaafden en daklozen Enschede, Hengelo en Almelo
Opdrachtgever:
Gemeente Enschede
Vraag- en doelstelling:
In opdracht van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling (DMO) van de gemeente Enschede voert INTRAVAL een monitor uit naar de verslaafden en dak- en thuislozen in Enschede. Het doel van de monitor is het jaarlijks in kaart brengen van de aard en omvang van de verslaafden en dak- en thuislozen, zodat ontwikkelingen van deze groepen kunnen worden gevolgd. De volgende onderzoeksvragen kunnen worden onderscheiden: Wat is de aard en omvang van de zichtbare harddrugsverslaafden in Enschede? Wat is de aard en omvang van de dak- en thuislozen in Enschede? Wat is de aard en omvang van de zichtbare alcoholisten in Enschede? In hoeverre maken de doelgroepen gebruik van de voor­zieningen?
Opzet onderzoek:
Bij elke meting worden gegevens verzameld uit de registraties van politie, verslavingszorg, maatschappelijke opvang, geestelijke gezondheidszorg en jeugdzorg. Op basis hiervan worden beschrijvingen gegeven van de personen waarmee deze instellingen contact hebben. Daarnaast worden omvangschattingen gemaakt. Bovendien worden de ontwikkelingen over de jaren weergegeven.
Onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. A. Kruize
naar boven
Monitor coffeeshopbeleid Rotterdam
Opdrachtgever:
Vraag- en doelstelling:
Op 1 oktober 2007 is 'Het Rotterdamse coffeeshopbeleid 2007' in werking getreden. Centraal in het nieuwe coffeeshopbeleid staat de ontmoediging van het softdrugsgebruik. Een belangrijke beleidswijziging van het Rotterdamse coffeeshopbeleid 2007 betreft de invoering van een afstandcriterium voor bestaande coffeeshops ten opzichte van instellingen voor voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. De gemeente Rotterdam wil inzicht krijgen in de resultaten van het nieuwe coffeeshopbeleid. Zij heeft onderzoeks- en adviesbureau intraval opdracht gegeven het Rotterdamse coffeeshopbeleid te monitoren. Er dient hiervoor eerst een nulmeting te worden uitgevoerd, gevolgd door een jaarlijkse vervolgmeting.
Opzet onderzoek:
Er zijn drie hoofdonderwerpen waarvan de behaalde resultaten worden onderzocht: softdrugsgebruik onder jongeren; aanbod softdrugs; en (drugs)overlast. 1. Voor het meten van de prevalentie van softdrugsgebruik onder jongeren en de verkrijgbaarheid van softdrugs wordt gebruik gemaakt van een enquête onder een representatieve steekproef van schoolgaande jongeren in Rotterdam en een enquête onder kwetsbare niet-schoolgaande jongeren, zoals zwerfjongeren, jongeren met spijbelgedrag en vroegtijdige schoolverlaters. 2. Bronnen die gebruikt worden voor informatie over het aanbod van softdrugs in Rotterdam zijn: een inventarisatie van de coffeeshops in Rotterdam; registratiegegevens van de politie over het illegale aanbod van softdrugs; en een enquête onder (schoolgaande en niet-schoolgaande) jongeren. 3. Bronnen voor informatie over (drugs)overlast in Rotterdam zijn: een enquête onder bewoners rondom coffeeshops; een enquête onder passanten in de omgeving van coffeeshops; en registratiegegevens van de politie.
Onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. R. Nijkamp, drs. F. Schaap, drs. J. Snippe
naar boven
Monitor Regionaal Kompas Oost-Veluwe
Opdrachtgever:
Vraag- en doelstelling:
De Monitor Regionaal Kompas Oost-Veluwe wordt sinds 2008 jaarlijks door Intraval uitgevoerd in opdracht van de gemeente Apeldoorn. Met deze monitor worden resultaten van de maatschappelijke zorg in de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Heerde en Voorst in kaart gebracht aan de hand van registratiegegevens. Voorafgaand aan de Monitor Regionaal Kompas is in 2000 en 2005 een doelgroepanalyse uitgevoerd, waarin onder andere een omvangschatting is gemaakt van het aantal dak- en thuislozen en harddrugsverlaafden in Apeldoorn in de jaren 1997-2004. Vanaf 2005 is vervolgens jaarlijks het aantal dak- en thuislozen en harddrugsverlaafden op basis van registratiegegevens in kaart gebracht. Sinds 2008 is de wijze van gegevensverzameling en rapportage afgestemd op landelijke richtlijnen voor het monitoren van de doelstellingen van Stedelijke/Regionale Kompassen.
Opzet onderzoek:
Om inzicht te krijgen in de resultaten van de maatschappelijke zorg in de gemeente Apeldoorn, Brummen, Epe, Heerde en Voorst worden de aanwezige instanties voor verslavingszorg en maatschappelijke opvang om registratiegegevens gevraagd. Het bijhouden van deze registraties door de instellingen vindt plaats volgens een hiervoor ontwikkeld format, waarin alle benodigde gegevens voor het Regionaal Kompas zijn opgenomen. Daarnaast worden registraties bij de politie opgevraagd. Door het combineren van de registratiegegevens van de verschillende instellingen, kunnen de indicatoren voor het Regionaal Kompas worden berekend en worden ontwikkelingen hierin tussen de verschillende jaren zichtbaar.
Onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. S. Biesma, drs. M. Boendermaker, drs. A. Kruize
naar boven
Onderzoek doelrealisatie besloten clubmodel en ingezetenencriterium coffeeshops
Opdrachtgever:
Het onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van het WODC van het ministerie van Veiligheid en Justitie.
Vraag- en doelstelling:
Het onderzoek zoekt een antwoord op de vraag: worden de coffeeshops kleinschalige voorzieningen voor de lokale markt en is er een afname van het drugstoerisme, de overlast en de criminaliteit? In het onderzoek wordt gebruik gemaakt van tellingen van en enquêtes onder coffeeshopbezoekers, enquêtes onder omwonenden en gesprekken met coffeeshophouders.
Het onderzoek maakt onderdeel uit van een groter onderzoek. Onder leiding van het WODC worden nog twee onderzoeken uitgevoerd. De eerste is een procesevaluatie waarmee in kaart wordt gebracht hoe de nieuwe maatregelen lokaal vorm krijgen. Het derde deelonderzoek richt zich op de illegale detailhandelsmarkt van cannabis en de veranderingen die zich daarin voordoen.
Opzet onderzoek:
Na de nulmeting volgen twee nametingen. De nulmeting wordt voor 1 mei 2012 afgerond, de datum dat de wietpas in het zuiden van het land moet zijn ingevoerd. In de noordelijke provincies dient de wietpas voor 1 januari 2013 te zijn ingevoerd. Deze gefaseerde invoering leent zich voor een quasi-experimenteel  onderzoeksdesign. In het zuiden van het land worden zeven gemeenten geselecteerd. Coffeeshopgebieden in deze gemeenten vormen de experimentele groep, die vergeleken worden met zeven coffeeshopgebieden in het noordelijk deel  van het land (de controlegroep). Elk geselecteerd coffeeshopgebied in een zuidelijke gemeente wordt gekoppeld aan een voor wat betreft de bezoekersaantallen en de verhouding tussen lokale gebruikers en drugstoeristen vergelijkbaar coffeeshopgebied in een noordelijke gemeente. In alle coffeeshopgebieden worden enquêtes onder bezoekers afgenomen, de bezoekers per coffeeshop geteld evenals voertuigen met een buitenlands kenteken in de directe omgeving van de coffeeshop. Daarnaast worden omwonenden geënquêteerd om na te gaan welke ontwikkelingen in bezoek van coffeeshops, overlast, criminaliteit en onveiligheidsbeleving zich voordoen na invoering van de wietpas.
Onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. R. Nijkamp, drs, J. Snippe, drs. S. Biesma
naar boven
Evaluatie Hektor 2010 en 2011
Opdrachtgever:
Vraag- en doelstelling:
Het onderzoek is een vervolg op eerdere evaluaties van Hektor die eveneens door INTRAVAL zijn uitgevoerd. Het doel van deze evaluatie is inzichtelijk krijgen welk effect het project Hektor 2010-2011 op de drugssituatie in Venlo heeft (gehad). In de volgende elementen dient inzicht te worden verkregen: de ontwikkelingen in het aantal straatdealers; de ontwikkelingen in coffeeshopbezoeken door jeugdigen; de onderlinge relatie tussen beide; het effect dat de Venlose inspanningen in 2010 en 2011 hebben gehad; de lokale situatie mede gerelateerd aan recente landelijke en provinciale ontwikkelingen.
Opzet onderzoek:
De onderzoeksopzet is vergelijkbaar met de opzet van het onderzoek Evaluatie aanpak drugsoverlast in Venlo, Hektor 2006-2009. We starten met het actualiseren van de beleidsveronderstellingen van het projectplan Hektor 2010-2011. Voor de procesevaluatie wordt deskresearch uitgevoerd en interviews gehouden met medewerkers van gemeente (handhavers, beleidsmedewerkers, beleidsadviseur en afdelingshoofd), politie (chefs van straatteam, basiseenheden, (districts)recherche, BFO en district), Openbaar Ministerie (Officier van Justitie en parketsecretaris) en de Belastingdienst, die allen betrokken zijn bij Hektor.
Daarnaast brengen we de ontwikkelingen in Venlo in kaart. Dat doen we aan de hand van indicatoren, waarmee we de inspanningen meten die in het kader van Hektor worden gedaan en de resultaten die zijn bereikt. Hiervoor vragen we registratiegegevens op bij politie, Openbaar Ministerie en gemeente, nemen we enquêtes af bij  bewoners en ondernemers rondom coffeeshops en bezoekers van coffeeshops en voeren we tellingen en observaties bij coffeeshops uit.
Onderzoekers:
drs, J. Snippe, drs. R. Nijkamp, drs. B. Bieleman
naar boven
Monitor Coffeeshops Nederland 2011
Opdrachtgever:
Vraag- en doelstelling:
De ontwikkelingen rond coffeeshops worden sinds een aantal jaren nauwgezet gevolgd. Intraval heeft voor het toenmalige ministerie van Justitie tussen 1999 en 2007 (twee)jaarlijks een telling verricht van het aantal gedoogde coffeeshops in Nederland en het gemeentelijk beleid inzake coffeeshops geïnventariseerd. In 2009 heeft Intraval op eigen initiatief in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen dit opnieuw geïnventariseerd. Ook dit keer is het doel het in kaart brengen van het vestigings-, handhavings-, en sanctiebeleid van de Nederlandse gemeenten inzake coffeeshops en het vaststellen van de aantallen coffeeshops in 2010 en 2011. Hierbij zullen vergelijkingen met voorgaande jaren worden gemaakt. Tevens zal worden nagegaan welke voornemens gemeenten hebben voor de toekomst.
Opzet onderzoek:
Het onderzoek bestaat uit bestudering van documenten over (lokaal) coffeeshopbeleid en het (opnieuw) bevragen van verantwoordelijke gemeenteambtenaren in alle gemeenten in Nederland. Daarbij kunnen twee categorieën vragen worden onderscheiden. Ten eerste vragen die worden gesteld aan de gemeenteambtenaren die betrokken zijn bij het coffeeshopbeleid in alle 418 gemeenten, ook die zonder coffeeshops. Ten tweede vragen die worden gesteld aan de gemeenteambtenaren van gemeenten met één of meerdere coffeeshops. Doordat het onderzoek grotendeels een herhaling is van eerdere metingen zijn goede vergelijkingen mogelijk en kunnen ontwikkelingen worden geschetst.
Onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. R. Nijkamp
naar boven
Pilot nazorg detentie Enschede
Opdrachtgever:
Gemeente Enschede
Looptijd: maart 2009 – juli 2009
Vraag- en doelstelling:
Jaarlijks verlaat ongeveer 600 tot 700 keer een inwoner van Enschede een penitentiaire inrichting. De gemeente Enschede wil dat er voor deze ex-gedetineerden sluitende zorg (te beginnen met onderdak) wordt geregeld. De gemeente wil graag meer inzicht in de nazorg na detentie die momenteel in Enschede al dan niet wordt uitgevoerd. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) biedt gemeenten de mogelijkheid digitaal informatie te ontvangen over onder andere de datum waarop een gedetineerde die afkomstig is uit de eigen gemeente in vrijheid wordt gesteld. Om deze digitale informatie te kunnen ontvangen heeft de gemeente een protocol te ondertekenen, het Protocol Digitaal Platform Aansluiting Nazorg. Dit is een webportaal bestaande uit een deel met achtergrondinformatie, een netwerkdatabank, publicaties, richtlijnen en discussiefora.

De pilot dient in ieder geval op de volgende vragen antwoord te geven: Kloppen de gegevens die via het digitale platform worden aangeleverd? Was de gedetineerde voor zijn/haar detentie al bekend bij de gemeente en/of hulpverlenende instellingen in Enschede? Hoe was de situatie van de gedetineerde voor detentie wat betreft woonsituatie, leefsituatie, financiële situatie, werk en hulpverlening? Heeft de gedetineerde tijdens detentie bepaalde programma's gevolgd of in bepaalde trajecten gezeten? Wat is de situatie van de gedetineerde tijdens detentie volgens de medewerkers maatschappelijke dienstverlening (MMD-ers)? Hoe is de situatie van de gedetineerde direct na detentie en een half jaar na detentie wat betreft woonsituatie, leefsituatie, financiële situatie, werk, identiteitspapieren en hulpverlening? Hoe verloopt de koppeling van melding detentie en het verstrekken van een uitkering?
Opzet onderzoek:
Het onderzoek betreft een pilot van drie maanden en zal betrekking hebben op ongeveer 150 personen die in het derde kwartaal van 2008 zijn vrij gekomen. Hierdoor kan ook gekeken worden hoe de situatie een half jaar na invrijheidstelling is. Van deze personen zal worden nagegaan hoe hun situatie voorafgaande aan, tijdens en na de detentie is. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van registratiegegevens (MMD, hulpverlenende instanties, politie). Om de bevindingen op grond van de registratiegegevens te duiden en te controleren worden gesprekken gevoerd met medewerkers van instellingen die betrokken zijn bij de nazorg detentie zoals reclasseringsmedewerkers, betrokken medewerkers van gemeentelijke diensten zoals de sociale dienst en medewerkers van hulpverlenende instellingen. In deze gesprekken wordt onder andere ingegaan op het verloop van de nazorg, de ontwikkelingen hierin, de eventuele knelpunten die zich voordoen en het verloop van de samenwerking.
Onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. S. Biesma, drs. A. Kruize, drs. M. van Zwieten
naar boven
Thermometer Binnenstad Groningen
Opdrachtgever:
Vraag- en doelstelling:
De gemeente Groningen wil meer inzicht in de effecten van het inzetten van het Beheerteam Binnenstad (BTB). Periodiek wordt voor alle taken van het BTB gemeten wat de gebruikers van de binnenstad (bewoners, bezoekers en ondernemers) vinden van de inzet van het BTB. Hiervoor heeft onderzoeksbureau INTRAVAL in opdracht van de Dienst RO/EZ in 1998 een Thermometer Binnenstad ontwikkeld, die in september 1998 voor de eerste keer is afgenomen en als nulmeting kan worden beschouwd. Vanaf 1998 wordt de Thermometer jaarlijks afgenomen, waardoor ontwikkelingen kunnen worden vastgesteld.
Opzet onderzoek:
Per meting worden 750 gebruikers van de binnenstad geënquêteerd: 150 bewoners; 150 dagbezoekers; 150 winkeliers; 150 avondbezoekers; en 150 horeca-ondernemers. Het meetinstrument bestaat uit een vragenlijst waarin vragen zijn opgenomen die uiteenlopende informatie geven over een aantal onderwerpen, zoals verkeer, parkeren, onderhoud, toezicht, sfeer en veiligheid. De antwoorden van de respondenten op samenhangende vragen worden omgezet naar indicatorscores waardoor in één oogopslag kan worden gezien of een significant verschil is opgetreden in vergelijking met de voorgaande metingen. Tevens worden trendanalyses uitgevoerd.
Onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. A. Kruize
naar boven
Monitor Veelplegers Twente
Opdrachtgever:
Vraag- en doelstelling:
Bij diverse organisaties is het thema veelplegers een van de speerpunten van beleid. Ook in het kader van het Grote Steden Beleid (GSB) is er aandacht voor veelplegers. Voor een goede beleidsvorming en -uitvoering van deze doelgroep is een goed inzicht in de veelplegers in Twente essentieel. De regiegroep veelplegers/het Arrondissementaal Juridisch Beraad (AJB) wil een tactische c.q. strategische analyse van de aard en omvang van de door veelplegers gepleegde criminaliteit, hun detentieverleden en achtergrond (verslaafd, dak- of thuisloos), uitgesplitst naar vier doelgroepen: zeer actieve meerderjarige veelplegers; actieve meerderjarige veelplegers; jeugdige meerplegers; en jeugdige veelplegers. De regiegroep veelplegers/het AJB heeft onderzoeks- en adviesbureau INTRAVAL opdracht gegeven voor het monitoren van de (zeer actieve) veelplegers en de jeugdige meer- en veelplegers in Twente. De monitor bestaat uit een basis- c.q. nulmeting (2004) en jaarlijkse vervolgmetingen van de (zeer) actieve veelplegers in de regio Twente, met name de gemeenten Enschede, Almelo en Hengelo. Door de jaarlijkse herhaling kunnen de ontwikkelingen worden vastgesteld. Tevens worden jaarlijkse cohorten gevolgd.
Opzet onderzoek:
Om de onderzoeksvragen te beantwoorden is begonnen met het bestuderen van relevante literatuur en reeds aanwezige gegevens over (zeer actieve) veelplegers. De kern wordt gevormd door de verzamelde registratie­gegevens van (zeer actieve) veelplegers over: gepleegde misdrijven bekend bij de politie; gemaakte overtredingen bekend bij justitie; het strafblad bij JustID; het detentieverleden bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI); de (reclasserings)contacten bij Tactus Verslavingszorg, Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering Nederland (RN), Raad voor de Kinderbescherming; en de dak- of thuisloosheid bij SHODT. Daarnaast zijn voor 2005, 2006 en 2007 gegevens opgevraagd bij Mediant (geestelijke gezondheidszorg).
Onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. J. Snippe, drs. A. Kruize, drs. M. van Zwieten
naar boven
   
Monitor veelplegers Twente verdiepingsonderzoek
Opdrachtgever:
Regiegroep veelplegers/AJB
Vraag- en doelstelling:
De regiegroep veelplegers heeft aangegeven graag meer inzicht te willen krijgen in de effecten van de veelplegeraanpak. Daarnaast wil de regiegroep graag onderzocht hebben of de groep volwassen veelplegers uitgesplitst kan worden in verschillende subgroepen, aangezien het nu om een vrij grote en diffuse groep gaat.
Opzet onderzoek:
De verdieping zal zich richten op de zeer actieve veelplegers, terwijl het onderdeel waarin een onderscheid wordt gemaakt naar subgroepen zich zal richten op veelplegers. Om beter zicht te krijgen op de effectiviteit van de veelplegeraanpak wordt (meer) informatie verzameld over de door de zeer actieve veelplegers gevolgde trajecten en de afspraken die over hen worden gemaakt in het casusoverleg. Naast het verzamelen van informatie uit registratiesystemen van de betrokken instellingen, worden tevens enkele gesprekken gevoerd met de bij de aanpak betrokken instellingen. Aan de hand van verdere analyses en in overleg met de opdrachtgever wordt bepaald welke subgroepen veelplegers er zullen worden onderscheiden en nader worden beschreven.
Onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. M. van Zwieten, drs. A. Kruize, drs. J. Snippe
naar boven
Advies dagopvangvoorzieningen Leeuwarden
opdrachtgever:
vraag en doelstelling:
Binnen de gemeente Leeuwarden zijn vier dagopvang- en inloopvoorzieningen aanwezig. Sommige bezoekers maken al jarenlang gebruik van deze voorzieningen. Dit leidt volgens de gemeente niet altijd tot de gewenste verbetering in de leefsituatie van deze bezoekers. Bovendien wordt de gemeente geconfronteerd met bezuinigingen en een uitbreiding van het takenpakket Het doel van dit onderzoek is na te gaan of de aanwezige dagopvang- en inloopvoorzieningen efficiënter (goedkoper) en effectiever (resultaatgerichter) kunnen worden vormgegeven. Tevens wordt geïnventariseerd wat daarvoor nodig is en binnen welke termijn dat haalbaar is.
opzet onderzoek:
Het onderzoek bestaat uit de volgende onderdelen: documentenstudie; verzamelen registratiegegevens; gesprekken met medewerkers van de vier betrokken voorzieningen; en gesprekken met bezoekers van de vier betrokken voorzieningen. Op basis hiervan wordt een schets gegeven van de huidige stand van zaken van de vier dagopvang- en inloopvoorzieningen in Leeuwarden. Naast aantallen en kenmerken van de bezoekers per voorziening wordt ingegaan op de overlap tussen de voorzieningen. Tevens wordt de organisatie van de voorzieningen weergegeven en wordt een advies gegeven over hoe de dagopvang- en inloopvoorzieningen effectiever en efficiënter kunnen worden ingezet.
onderzoekers:
Drs. B. Bieleman, drs. S. Biesma, drs. A. Kruize, drs. R. Nijkamp
naar boven
Evaluatie multiprobleemgezinnen krachtwijken Groningen
opdrachtgever:
vraag en doelstelling:
In februari 2011 heeft een doorstart plaatsgevonden van de pilot MPG Krachtwijken. Intraval volgt deze pilot met een procesevaluatie en een resultatenonderzoek. Het doel van het onderzoek is na te gaan hoe met dit experiment een methodiek kan worden ontwikkeld die in de toekomst een meer effectieve en efficiënte aanpak van gezinnen met complexe problematiek mogelijk maakt. Ook is het van belang om door middel van het onderzoek vast te stellen in hoeverre met deze aanpak daadwerkelijk resultaten worden behaald bij de betrokken gezinnen.

Uit de ervaringen die in 2009 en 2010 zijn opgedaan met de pilot MPG Krachtwijken, blijkt dat de context waarin de pilot plaatsvindt een essentiële rol speelt bij het al dan niet succesvol kunnen implementeren van de aanpak. De onderzoekers hebben daarom aanvullend opdracht gekregen om onderzoek te verrichten naar deze context. Het gaat daarbij met name om de wijze waarop de samenwerking tussen de verschillende betrokken partijen in de praktijk al dan niet tot stand komt.
opzet onderzoek:
Het onderzoek kan worden onderscheiden in twee onderdelen, namelijk de procesevaluatie en het resultatenonderzoek enerzijds en het onderzoeken van de context anderzijds.

Procesevaluatie en resultatenonderzoek
Voor de procesevaluatie en het resultatenonderzoek zijn de onderzoekers onder meer aanwezig bij werkoverleggen en casuïstiekbesprekingen. Daarnaast wordt een documentstudie uitgevoerd, waarbij gebruik wordt gemaakt van onder meer beschrijvingen van werkprocessen, mailwisselingen en verslagen van werkoverleggen. Ook worden interviews gehouden met de projectleider, de gezinscoaches en (uitvoerende) medewerkers van betrokken partijen over hun ervaringen met het project. Voor het in kaart brengen van de resultaten bij de gezinnen worden op verschillende momenten gesprekken gevoerd in de gezinnen en worden de dossiers van de gezinnen bestudeerd.

Context
Voor het onderzoek naar de context van de pilot wordt allereerst gekeken naar de wijze waarop de samenwerking schriftelijk is vastgelegd (projectplan, mandaten, procedures, afspraken et cetera). Daarnaast is het van belang om alle betrokkenen uitvoerig aan het woord te laten over hoe zij de pilot ervaren en waarderen en hun rol daarin. De observaties die zijn gedaan in het kader van de procesevaluatie en het resultatenonderzoek kunnen als input dienen voor deze interviews.
onderzoekers:

Drs. B. Bieleman, drs. J. Snippe, drs. M. Boendermaker, drs. R. Nijkamp

naar boven
Inventarisatie naleefniveau rookvrije horeca
opdrachtgever:
vraag en doelstelling:
De Voedsel- en Warenautoriteit (VWA) wil graag meer inzicht in het naleefniveau van de regels voor de rookvrije horeca die per 1 juli 2008 van kracht zijn.
opzet onderzoek:
Om inzicht te krijgen in het naleefniveau van de regels voor de rookvrije horeca zijn eind 2008 – begin 2009 in 25 gemeenten ruim 600 horecagelegenheden (cafés en discotheken; restaurants; cafetaria’s en snackbars; sportkantines; kunst en cultuur; en hotels en recreatie) bezocht. Het gaat om een representatieve steekproef waarbij rekening is gehouden met: de spreiding over Nederland; het aantal inwoners per provincie; en de gemeentegrootte. Tijdens het bezoek is geobserveerd of er aanwijzingen zijn dat er wordt gerookt en of er een aparte rookruimte is ingericht.
onderzoekers:
drs. A. Kruize, A. Beelen MSc, drs. M. Haaijer, drs. B. Bieleman
naar boven
Nalevingsmonitor rookvrije werkplek
opdrachtgever:
vraag en doelstelling:
In opdracht van de Voedsel en Warenautoriteit (VWA) voert INTRAVAL de Nalevingsmonitor rookvrije werkplek uit. Het doel van deze monitor is om tweejaarlijks het naleefniveau en de naleefmotieven (betreffende de rookvrije werkplek) binnen verschillende bedrijfstakken vast te stellen. Het naleefniveau wordt bepaald aan de hand van de bedrijfsbezoeken (uitgevoerd door de VWA), terwijl de naleefmotieven aan de hand van telefonische enquêtes (uitgevoerd door INTRAVAL) worden bepaald. De onderzoeksvragen van de monitor zijn: Wat is het naleefniveau voor de genoemde wetgeving van bedrijven binnen verschillende bedrijfstakken en bedrijfsgrootten? Wat zijn de naleefmotieven voor de genoemde wetgeving van de bedrijven binnen verschillende bedrijfstakken en bedrijfsgrootten? Welke naleefmotieven zijn van invloed op het naleefniveau?
opzet onderzoek:
Er worden ruim 2.000 bedrijven verdeeld over 14 sectoren en drie bedrijfsgrootten (5 t/m 9 werknemers, 10 t/m 99 werknemers en 100 of meer werknemers) telefonisch geënquêteerd. In de vragenlijst wordt onder andere ingegaan op de invoering en handhaving van het rookbeleid.
onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. A. Kruize, drs. M. Haaijer, A. Beelen MSc
naar boven
Ondersteunende activiteiten gemeente Apeldoorn
opdrachtgever:
vraag en doelstelling:
De gemeente Apeldoorn heeft INTRAVAL gevraagd gedurende meerdere jaren de gemeente te ondersteunen bij meerdere werkzaamheden. De werkzaamheden sluiten aan bij de (inhoudelijke) expertise van INTRAVAL en betreffen bijvoorbeeld diverse aspecten omtrent Omnizorg, Preventieve Woonbegeleiding, de Openbare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGz), de verslavingszorg, maatschappelijke opvang en de jeugdzorg.
onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. S. Biesma, drs. A. Kruize
naar boven
Monitor huiselijk geweld Twente
opdrachtgever:
vraag en doelstelling:
De dienst Maatschappelijke Ontwikkeling (DMO) van de gemeente Enschede heeft onderzoeks- en adviesbureau INTRAVAL opdracht gegeven een monitor op te zetten voor huiselijk geweld in de regio Twente. In het kader van het Grote Steden Beleid 2005-2009 is onder meer aandacht voor huiselijk geweld, met name voor de geregistreerde daders en slachtoffers hiervan. Voor een goede beleidsvorming, -uitvoering en evaluatie van de aanpak is een goed inzicht in de daders van huiselijk geweld in de gemeenten in Twente essentieel. Zij willen periodiek inzicht in aantallen daders en slachtoffers, in hun achtergrondkenmerken (leeftijd, geslacht, verslaving, woonsituatie) en eerste meldingen (first offenders) en recidive.
opzet onderzoek:
Eerst wordt begonnen met desk-research. Vervolgens worden contacten gelegd met de kernisntellingen in Twente die met huiselijk geweld te maken hebben. Met deze instellingen worden gesprekken gevoerd en registratiegegevens verzameld, zodat de aard en omvang van het geregistreerde huiselijk geweld in Twente kan worden nagegaan, evenals de afhandeling van de aangemelde gevallen van huiselijk geweld.
onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. S. Biesma, drs. J. Snippe, drs. A. Kruize, drs. C. Ogier
naar boven
Inventarisatie drugsproblematiek jongeren Noorddijk Groningen
opdrachtgever:
vraag- en doelstelling:
De gemeente Groningen wil graag meer kennis verkrijgen over en inzicht in de aard en omvang van het (problematisch) gebruik van drugs (en alcohol) door jongeren (12 tot en met 23 jaar) in Beijum en Lewenborg (Noorddijk). De aanleiding hiervoor is het feit dat betrokken partijen in Noorddijk (maatschappelijke organisaties, jongerenwerk, politie) verschillende signalen omtrent het drugsgebruik door jongeren afgeven. Professionals die in het stadsdeel werkzaam zijn signaleren dat steeds meer jongeren veel drugs (en alcohol) gebruiken. Dit lijkt echter niet te worden ondersteund door beschikbaar cijfermateriaal van de politie. Daarnaast wil de gemeente graag weten wat de aard en omvang is van de drugshandel in Beijum en Lewenborg. Ten slotte wordt een antwoord gezocht op de vraag waarom de beelden van de verschillende betrokken partijen over het middelengebruik door jongeren niet overeen komen met de cijfers en beelden van de politie.
opzet onderzoek:
Om de onderzoeksvragen te beantwoorden wordt zowel kwantitatieve als kwalitatieve informatie verzameld. De kwantitatieve informatie (cijfers bestaande (gezondheids)enquêtes onder jongeren en registratiegegevens van het jongerenwerk, de jeugdhulpverlening, verslavingszorg, politie) zal worden geïnterpreteerd en aangevuld met kwalitatieve informatie (gesprekken sleutelinformanten en jongeren). De te interviewen sleutelinformanten zijn vertegenwoordigers van het jongerenwerk (MJD), schoolmaatschappelijk werk, de jeugdhulpverlening (Bureau Jeugdzorg, Elker), Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) en de politie. In totaal zullen zo’n tien (groeps)gesprekken plaatsvinden. Daarnaast wordt, via uitgebreid veldwerk, met zo’n 25 frequente (problematische) gebruikers een gesprek gehouden over hun middelengebruik, de aard en frequentie van gebruik, de sociale omgeving waarin het gebruik plaatsvindt en dergelijke.
onderzoekers:
Drs. B. Bieleman, drs. S. Biesma, drs. R. Nijkamp, C. Zimmerman MSc., J. Bloemendal MSc.
naar boven
Monitor alcohol- en tabaksverstrekking jongeren
opdrachtgever:
vraag- en doelstelling:
Om inzicht te krijgen in de naleving van de leeftijdsgrens van 16 jaar uit de Tabakswet voert INTRAVAL in opdracht van de Voedsel en Warenautoriteit (VWA) een monitor uit. Hiervoor vinden periodiek (tweejaarlijks) metingen plaats onder jongeren en tabaks­verstrekkers. Tot dusverre hebben metingen plaatsgevonden in 1999, 2001, 2003 en 2005. In het najaar van 2007 wordt een nieuwe meting uitgevoerd. De onderzoeksvragen van de monitor luiden als volgt: in hoeverre kunnen jongeren beneden de 16 jaar tabaksproducten verkrijgen in horecagelegenheden, tabaksspeciaalzaken, pompstations en levens­middelen­zaken? Op welke wijze en in welke mate wordt de leeftijdsgrens van 16 jaar gehandhaafd door horecagelegenheden, tabaksspeciaalzaken, pompstations en levens­middelenzaken? In hoeverre zijn er veranderingen opgetreden tussen de verschillende jaren?
opzet onderzoek:
Per meting wordt onder minimaal 1.000 jongeren van 13 tot en met 15 jaar een telefonische enquête afgenomen. In de telefonische enquête wordt gevraagd naar hun rookgedrag, hun feitelijk koopgedrag en reacties daarop bij het (proberen te) verkrijgen van tabaksproducten in de verschillende soorten ondernemingen. Daarnaast worden 400 leidinggevenden geïnterviewd van tabaksspeciaalzaken, pompstations, levensmiddelenzaken, cafés en discotheken. In het interview met de leidinggevenden wordt ingegaan op het verkoopgedrag en de controlemaatregelen.
onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. A. Kruize
naar boven
Evaluatieonderzoek intensief casemanagement Marokkaanse jongeren Rotterdam
opdrachtgever:
vraag- en doelstelling:
De gemeente Rotterdam wil door het laten uitvoeren van een evaluatieonderzoek inzicht krijgen in de effectiviteit van het Intensief Casemanagement voor Marokkaanse jongeren. Doel van het onderzoek is het verkrijgen van informatie over de effectiviteit van de aanpak en het aanslaan ervan bij de doelgroep. Daarnaast dient het onderzoek inzicht te geven in de gehanteerde methodieken, gevolgd door aanbevelingen voor de toekomst.
opzet onderzoek:
In interviews met beleidsmakers wordt nagegaan welke - vaak impliciete - aannames zijn gemaakt bij het formuleren van beleid over de aanpak van Marokkaanse jongeren en het opstellen van de projectplannen. Naast het expliciteren van de beleidstheorie wordt voor een procesevaluatie gesproken met personen (onder meer DOSA-regisseurs en casemanagers) die bij de uitvoering van het Intensief casemanagement zijn betrokken. De effectevaluatie kent een experimenteel design met de Marokkaanse jongeren die het Intensief Casemanagement volgen als experimentele groep en vergelijkbare Marokkaanse jongeren die de controlegroep vormen. Onder beide groepen vinden metingen plaats (nulmeting en uitstroommeting). Na de uitstroom wordt aan de hand van registraties nagegaan of jongeren al dan niet terugvallen.
onderzoekers:
drs. J. Snippe, drs. M. Boendermaker, drs. F. Schaap, drs. M. Haaijer, A. Beelen MSc, drs. B. Bieleman
naar boven
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.