![]() |
|
|
Werkterrein: verslaving
Werkterrein: leefbaarheid
Werkterrein: welzijn
Werkterrein: jeugd
|
![]() |
|
Onderzoek kansspelverslaving Nederland
Opdrachtgever:
Het onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Veiligheid en Justitie in samenwerking met onderzoeksbureau Mediad.
Vraag- en doelstelling:
Het onderzoek vindt plaats in het kader van het tegengaan van kansspelverslaving, onderdeel van het Nederlands kansspelbeleid. Het onderzoek is onderverdeeld in twee deelonderzoeken: Prevalentie en Preventiebeleid.
Prevalentie Het deelonderzoek Prevalentie heeft als doel de aard en omvang van de verslaving aan kansspelen in Nederland vast te stellen. Daarbij dienen ook ontwikkelingen in de verslaving naar voren te komen, zowel in type(n) kansspelen als in het profiel van de spelers. Preventiebeleid De doelstelling van het deelonderzoek Preventiebeleid is het achterhalen van de veranderingen die sinds het eerdere onderzoek zijn opgetreden in (de sterke en zwakke punten van) het Nederlandse preventiebeleid. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar preventieve maatregelen genomen door de overheid, de spelers zelf en de branche. Opzet onderzoek:
De onderzoeksopzet bestaat uit verschillende onderdelen. In het kader van het prevalentieonderzoek vindt een bevolkingsenquête plaats waarbij 5.000 inwoners van Nederland worden geënquêteerd. Naast enquêtes voor het bevolkingsonderzoek worden 500 (verslaafde) spelers face-to-face geïnterviewd. Deze respondenten zullen voor een deel worden geworven via het bevolkingsonderzoek. Daarnaast zal er intensief veldwerk plaatsvinden. Gedurende het veldwerk worden op diverse fysieke vindplaatsen waar kansspelen gespeeld kunnen worden (casino’s, amusementshallen, wedkantoren, verkooppunten van krasloten, drafbanen en dergelijke), verspreid over Nederland, respondenten geworven. Ten behoeve van het deelonderzoek Preventiebeleid wordt een literatuurstudie uitgevoerd en worden experts op het gebied van kansspelverslaving geïnterviewd. Speciale aandacht zal worden gegeven aan het preventiebeleid van Holland Casino.
De resultaten van het onderzoek zullen worden gebruikt door beleidsmakers, hulpverlenende instanties en kansspelaanbieders ten behoeve van het goed kunnen inrichten van het preventiebeleid, de hulpverlening en de bedrijfsvoering. Onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. S. Biesma, drs, J. Snippe, drs. A Kruize, drs. R. Nijkamp, mr. K. de Haan
Monitor verslaafden en daklozen Enschede, Hengelo en Almelo
Opdrachtgever:
Gemeente Enschede
Vraag- en doelstelling:
In opdracht van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling (DMO) van de gemeente Enschede voert INTRAVAL een monitor uit naar de verslaafden en dak- en thuislozen in Enschede. Het doel van de monitor is het jaarlijks in kaart brengen van de aard en omvang van de verslaafden en dak- en thuislozen, zodat ontwikkelingen van deze groepen kunnen worden gevolgd. De volgende onderzoeksvragen kunnen worden onderscheiden: Wat is de aard en omvang van de zichtbare harddrugsverslaafden in Enschede? Wat is de aard en omvang van de dak- en thuislozen in Enschede? Wat is de aard en omvang van de zichtbare alcoholisten in Enschede? In hoeverre maken de doelgroepen gebruik van de voorzieningen?
Opzet onderzoek:
Bij elke meting worden gegevens verzameld uit de registraties van politie, verslavingszorg, maatschappelijke opvang, geestelijke gezondheidszorg en jeugdzorg. Op basis hiervan worden beschrijvingen gegeven van de personen waarmee deze instellingen contact hebben. Daarnaast worden omvangschattingen gemaakt. Bovendien worden de ontwikkelingen over de jaren weergegeven.
Onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. A. Kruize
Monitor coffeeshopbeleid Rotterdam
Opdrachtgever:
Vraag- en doelstelling:
Op 1 oktober 2007 is 'Het Rotterdamse coffeeshopbeleid 2007' in werking getreden. Centraal in het nieuwe coffeeshopbeleid staat de ontmoediging van het softdrugsgebruik. Een belangrijke beleidswijziging van het Rotterdamse coffeeshopbeleid 2007 betreft de invoering van een afstandcriterium voor bestaande coffeeshops ten opzichte van instellingen voor voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. De gemeente Rotterdam wil inzicht krijgen in de resultaten van het nieuwe coffeeshopbeleid. Zij heeft onderzoeks- en adviesbureau intraval opdracht gegeven het Rotterdamse coffeeshopbeleid te monitoren. Er dient hiervoor eerst een nulmeting te worden uitgevoerd, gevolgd door een jaarlijkse vervolgmeting.
Opzet onderzoek:
Er zijn drie hoofdonderwerpen waarvan de behaalde resultaten worden onderzocht: softdrugsgebruik onder jongeren; aanbod softdrugs; en (drugs)overlast. 1. Voor het meten van de prevalentie van softdrugsgebruik onder jongeren en de verkrijgbaarheid van softdrugs wordt gebruik gemaakt van een enquête onder een representatieve steekproef van schoolgaande jongeren in Rotterdam en een enquête onder kwetsbare niet-schoolgaande jongeren, zoals zwerfjongeren, jongeren met spijbelgedrag en vroegtijdige schoolverlaters. 2. Bronnen die gebruikt worden voor informatie over het aanbod van softdrugs in Rotterdam zijn: een inventarisatie van de coffeeshops in Rotterdam; registratiegegevens van de politie over het illegale aanbod van softdrugs; en een enquête onder (schoolgaande en niet-schoolgaande) jongeren. 3. Bronnen voor informatie over (drugs)overlast in Rotterdam zijn: een enquête onder bewoners rondom coffeeshops; een enquête onder passanten in de omgeving van coffeeshops; en registratiegegevens van de politie.
Onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. R. Nijkamp, drs. F. Schaap, drs. J. Snippe
Monitor Regionaal Kompas Oost-Veluwe
Opdrachtgever:
Vraag- en doelstelling:
De Monitor Regionaal Kompas Oost-Veluwe wordt sinds 2008 jaarlijks door Intraval uitgevoerd in opdracht van de gemeente Apeldoorn. Met deze monitor worden resultaten van de maatschappelijke zorg in de gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Heerde en Voorst in kaart gebracht aan de hand van registratiegegevens. Voorafgaand aan de Monitor Regionaal Kompas is in 2000 en 2005 een doelgroepanalyse uitgevoerd, waarin onder andere een omvangschatting is gemaakt van het aantal dak- en thuislozen en harddrugsverlaafden in Apeldoorn in de jaren 1997-2004. Vanaf 2005 is vervolgens jaarlijks het aantal dak- en thuislozen en harddrugsverlaafden op basis van registratiegegevens in kaart gebracht. Sinds 2008 is de wijze van gegevensverzameling en rapportage afgestemd op landelijke richtlijnen voor het monitoren van de doelstellingen van Stedelijke/Regionale Kompassen.
Opzet onderzoek:
Om inzicht te krijgen in de resultaten van de maatschappelijke zorg in de gemeente Apeldoorn, Brummen, Epe, Heerde en Voorst worden de aanwezige instanties voor verslavingszorg en maatschappelijke opvang om registratiegegevens gevraagd. Het bijhouden van deze registraties door de instellingen vindt plaats volgens een hiervoor ontwikkeld format, waarin alle benodigde gegevens voor het Regionaal Kompas zijn opgenomen. Daarnaast worden registraties bij de politie opgevraagd. Door het combineren van de registratiegegevens van de verschillende instellingen, kunnen de indicatoren voor het Regionaal Kompas worden berekend en worden ontwikkelingen hierin tussen de verschillende jaren zichtbaar.
Onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. S. Biesma, drs. M. Boendermaker, drs. A. Kruize
Onderzoek doelrealisatie besloten clubmodel en ingezetenencriterium coffeeshops
Opdrachtgever:
Het onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van het WODC van het ministerie van Veiligheid en Justitie.
Vraag- en doelstelling:
Het onderzoek zoekt een antwoord op de vraag: worden de coffeeshops kleinschalige voorzieningen voor de lokale markt en is er een afname van het drugstoerisme, de overlast en de criminaliteit? In het onderzoek wordt gebruik gemaakt van tellingen van en enquêtes onder coffeeshopbezoekers, enquêtes onder omwonenden en gesprekken met coffeeshophouders.
Het onderzoek maakt onderdeel uit van een groter onderzoek. Onder leiding van het WODC worden nog twee onderzoeken uitgevoerd. De eerste is een procesevaluatie waarmee in kaart wordt gebracht hoe de nieuwe maatregelen lokaal vorm krijgen. Het derde deelonderzoek richt zich op de illegale detailhandelsmarkt van cannabis en de veranderingen die zich daarin voordoen. Opzet onderzoek:
Na de nulmeting volgen twee nametingen. De nulmeting wordt voor 1 mei 2012 afgerond, de datum dat de wietpas in het zuiden van het land moet zijn ingevoerd. In de noordelijke provincies dient de wietpas voor 1 januari 2013 te zijn ingevoerd. Deze gefaseerde invoering leent zich voor een quasi-experimenteel onderzoeksdesign. In het zuiden van het land worden zeven gemeenten geselecteerd. Coffeeshopgebieden in deze gemeenten vormen de experimentele groep, die vergeleken worden met zeven coffeeshopgebieden in het noordelijk deel van het land (de controlegroep). Elk geselecteerd coffeeshopgebied in een zuidelijke gemeente wordt gekoppeld aan een voor wat betreft de bezoekersaantallen en de verhouding tussen lokale gebruikers en drugstoeristen vergelijkbaar coffeeshopgebied in een noordelijke gemeente. In alle coffeeshopgebieden worden enquêtes onder bezoekers afgenomen, de bezoekers per coffeeshop geteld evenals voertuigen met een buitenlands kenteken in de directe omgeving van de coffeeshop. Daarnaast worden omwonenden geënquêteerd om na te gaan welke ontwikkelingen in bezoek van coffeeshops, overlast, criminaliteit en onveiligheidsbeleving zich voordoen na invoering van de wietpas.
Onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. R. Nijkamp, drs, J. Snippe, drs. S. Biesma
Evaluatie Hektor 2010 en 2011
Opdrachtgever:
Vraag- en doelstelling:
Het onderzoek is een vervolg op eerdere evaluaties van Hektor die eveneens door INTRAVAL zijn uitgevoerd. Het doel van deze evaluatie is inzichtelijk krijgen welk effect het project Hektor 2010-2011 op de drugssituatie in Venlo heeft (gehad). In de volgende elementen dient inzicht te worden verkregen: de ontwikkelingen in het aantal straatdealers; de ontwikkelingen in coffeeshopbezoeken door jeugdigen; de onderlinge relatie tussen beide; het effect dat de Venlose inspanningen in 2010 en 2011 hebben gehad; de lokale situatie mede gerelateerd aan recente landelijke en provinciale ontwikkelingen.
Opzet onderzoek:
De onderzoeksopzet is vergelijkbaar met de opzet van het onderzoek Evaluatie aanpak drugsoverlast in Venlo, Hektor 2006-2009. We starten met het actualiseren van de beleidsveronderstellingen van het projectplan Hektor 2010-2011. Voor de procesevaluatie wordt deskresearch uitgevoerd en interviews gehouden met medewerkers van gemeente (handhavers, beleidsmedewerkers, beleidsadviseur en afdelingshoofd), politie (chefs van straatteam, basiseenheden, (districts)recherche, BFO en district), Openbaar Ministerie (Officier van Justitie en parketsecretaris) en de Belastingdienst, die allen betrokken zijn bij Hektor.
Daarnaast brengen we de ontwikkelingen in Venlo in kaart. Dat doen we aan de hand van indicatoren, waarmee we de inspanningen meten die in het kader van Hektor worden gedaan en de resultaten die zijn bereikt. Hiervoor vragen we registratiegegevens op bij politie, Openbaar Ministerie en gemeente, nemen we enquêtes af bij bewoners en ondernemers rondom coffeeshops en bezoekers van coffeeshops en voeren we tellingen en observaties bij coffeeshops uit. Onderzoekers:
drs, J. Snippe, drs. R. Nijkamp, drs. B. Bieleman
Monitor Coffeeshops Nederland 2011
Opdrachtgever:
Vraag- en doelstelling:
De ontwikkelingen rond coffeeshops worden sinds een aantal jaren nauwgezet gevolgd. Intraval heeft voor het toenmalige ministerie van Justitie tussen 1999 en 2007 (twee)jaarlijks een telling verricht van het aantal gedoogde coffeeshops in Nederland en het gemeentelijk beleid inzake coffeeshops geïnventariseerd. In 2009 heeft Intraval op eigen initiatief in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen dit opnieuw geïnventariseerd. Ook dit keer is het doel het in kaart brengen van het vestigings-, handhavings-, en sanctiebeleid van de Nederlandse gemeenten inzake coffeeshops en het vaststellen van de aantallen coffeeshops in 2010 en 2011. Hierbij zullen vergelijkingen met voorgaande jaren worden gemaakt. Tevens zal worden nagegaan welke voornemens gemeenten hebben voor de toekomst.
Opzet onderzoek:
Het onderzoek bestaat uit bestudering van documenten over (lokaal) coffeeshopbeleid en het (opnieuw) bevragen van verantwoordelijke gemeenteambtenaren in alle gemeenten in Nederland. Daarbij kunnen twee categorieën vragen worden onderscheiden. Ten eerste vragen die worden gesteld aan de gemeenteambtenaren die betrokken zijn bij het coffeeshopbeleid in alle 418 gemeenten, ook die zonder coffeeshops. Ten tweede vragen die worden gesteld aan de gemeenteambtenaren van gemeenten met één of meerdere coffeeshops. Doordat het onderzoek grotendeels een herhaling is van eerdere metingen zijn goede vergelijkingen mogelijk en kunnen ontwikkelingen worden geschetst.
Onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. R. Nijkamp
Pilot nazorg detentie Enschede
Opdrachtgever:
Gemeente Enschede
Looptijd: maart 2009 – juli 2009 Vraag- en doelstelling:
Jaarlijks verlaat ongeveer 600 tot 700 keer een inwoner van Enschede een penitentiaire inrichting. De gemeente Enschede wil dat er voor deze ex-gedetineerden sluitende zorg (te beginnen met onderdak) wordt geregeld. De gemeente wil graag meer inzicht in de nazorg na detentie die momenteel in Enschede al dan niet wordt uitgevoerd. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) biedt gemeenten de mogelijkheid digitaal informatie te ontvangen over onder andere de datum waarop een gedetineerde die afkomstig is uit de eigen gemeente in vrijheid wordt gesteld. Om deze digitale informatie te kunnen ontvangen heeft de gemeente een protocol te ondertekenen, het Protocol Digitaal Platform Aansluiting Nazorg. Dit is een webportaal bestaande uit een deel met achtergrondinformatie, een netwerkdatabank, publicaties, richtlijnen en discussiefora.
De pilot dient in ieder geval op de volgende vragen antwoord te geven: Kloppen de gegevens die via het digitale platform worden aangeleverd? Was de gedetineerde voor zijn/haar detentie al bekend bij de gemeente en/of hulpverlenende instellingen in Enschede? Hoe was de situatie van de gedetineerde voor detentie wat betreft woonsituatie, leefsituatie, financiële situatie, werk en hulpverlening? Heeft de gedetineerde tijdens detentie bepaalde programma's gevolgd of in bepaalde trajecten gezeten? Wat is de situatie van de gedetineerde tijdens detentie volgens de medewerkers maatschappelijke dienstverlening (MMD-ers)? Hoe is de situatie van de gedetineerde direct na detentie en een half jaar na detentie wat betreft woonsituatie, leefsituatie, financiële situatie, werk, identiteitspapieren en hulpverlening? Hoe verloopt de koppeling van melding detentie en het verstrekken van een uitkering? Opzet onderzoek:
Het onderzoek betreft een pilot van drie maanden en zal betrekking hebben op ongeveer 150 personen die in het derde kwartaal van 2008 zijn vrij gekomen. Hierdoor kan ook gekeken worden hoe de situatie een half jaar na invrijheidstelling is. Van deze personen zal worden nagegaan hoe hun situatie voorafgaande aan, tijdens en na de detentie is. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van registratiegegevens (MMD, hulpverlenende instanties, politie). Om de bevindingen op grond van de registratiegegevens te duiden en te controleren worden gesprekken gevoerd met medewerkers van instellingen die betrokken zijn bij de nazorg detentie zoals reclasseringsmedewerkers, betrokken medewerkers van gemeentelijke diensten zoals de sociale dienst en medewerkers van hulpverlenende instellingen. In deze gesprekken wordt onder andere ingegaan op het verloop van de nazorg, de ontwikkelingen hierin, de eventuele knelpunten die zich voordoen en het verloop van de samenwerking.
Onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. S. Biesma, drs. A. Kruize, drs. M. van Zwieten
Thermometer Binnenstad Groningen
Opdrachtgever:
Vraag- en doelstelling:
De gemeente Groningen wil meer inzicht in de effecten van het inzetten van het Beheerteam Binnenstad (BTB). Periodiek wordt voor alle taken van het BTB gemeten wat de gebruikers van de binnenstad (bewoners, bezoekers en ondernemers) vinden van de inzet van het BTB. Hiervoor heeft onderzoeksbureau INTRAVAL in opdracht van de Dienst RO/EZ in 1998 een Thermometer Binnenstad ontwikkeld, die in september 1998 voor de eerste keer is afgenomen en als nulmeting kan worden beschouwd. Vanaf 1998 wordt de Thermometer jaarlijks afgenomen, waardoor ontwikkelingen kunnen worden vastgesteld.
Opzet onderzoek:
Per meting worden 750 gebruikers van de binnenstad geënquêteerd: 150 bewoners; 150 dagbezoekers; 150 winkeliers; 150 avondbezoekers; en 150 horeca-ondernemers. Het meetinstrument bestaat uit een vragenlijst waarin vragen zijn opgenomen die uiteenlopende informatie geven over een aantal onderwerpen, zoals verkeer, parkeren, onderhoud, toezicht, sfeer en veiligheid. De antwoorden van de respondenten op samenhangende vragen worden omgezet naar indicatorscores waardoor in één oogopslag kan worden gezien of een significant verschil is opgetreden in vergelijking met de voorgaande metingen. Tevens worden trendanalyses uitgevoerd.
Onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. A. Kruize
Monitor Veelplegers Twente
Opdrachtgever:
Vraag- en doelstelling:
Bij diverse organisaties is het thema veelplegers een van de speerpunten van beleid. Ook in het kader van het Grote Steden Beleid (GSB) is er aandacht voor veelplegers. Voor een goede beleidsvorming en -uitvoering van deze doelgroep is een goed inzicht in de veelplegers in Twente essentieel. De regiegroep veelplegers/het Arrondissementaal Juridisch Beraad (AJB) wil een tactische c.q. strategische analyse van de aard en omvang van de door veelplegers gepleegde criminaliteit, hun detentieverleden en achtergrond (verslaafd, dak- of thuisloos), uitgesplitst naar vier doelgroepen: zeer actieve meerderjarige veelplegers; actieve meerderjarige veelplegers; jeugdige meerplegers; en jeugdige veelplegers. De regiegroep veelplegers/het AJB heeft onderzoeks- en adviesbureau INTRAVAL opdracht gegeven voor het monitoren van de (zeer actieve) veelplegers en de jeugdige meer- en veelplegers in Twente. De monitor bestaat uit een basis- c.q. nulmeting (2004) en jaarlijkse vervolgmetingen van de (zeer) actieve veelplegers in de regio Twente, met name de gemeenten Enschede, Almelo en Hengelo. Door de jaarlijkse herhaling kunnen de ontwikkelingen worden vastgesteld. Tevens worden jaarlijkse cohorten gevolgd.
Opzet onderzoek:
Om de onderzoeksvragen te beantwoorden is begonnen met het bestuderen van relevante literatuur en reeds aanwezige gegevens over (zeer actieve) veelplegers. De kern wordt gevormd door de verzamelde registratiegegevens van (zeer actieve) veelplegers over: gepleegde misdrijven bekend bij de politie; gemaakte overtredingen bekend bij justitie; het strafblad bij JustID; het detentieverleden bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI); de (reclasserings)contacten bij Tactus Verslavingszorg, Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering Nederland (RN), Raad voor de Kinderbescherming; en de dak- of thuisloosheid bij SHODT. Daarnaast zijn voor 2005, 2006 en 2007 gegevens opgevraagd bij Mediant (geestelijke gezondheidszorg).
Onderzoekers:
drs. B. Bieleman, drs. J. Snippe, drs. A. Kruize, drs. M. van Zwieten
|
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign. |