Naar de Homepage PublicatiesJeugd
 
Jeugdrapportage Zuid-Holland 1999
Bestelinformatie
Deze publicatie is te bestellen door overmaking van
€ 15,90 + € 3,50 verzendkosten (bij bestelling van meerdere publicaties € 6,00) op rekening NL31 INGB 000 4 5997 84 ING-Bank ten name van Stichting INTRAVAL te Groningen, onder vermelding van de titel(s) en uw naam + adres.
Samenvatting
De Jeugdrapportage 1999 voor de provincie Zuid-Holland probeert inzicht te geven in de verhouding tussen vraag en aanbod in de jeugdzorg. De vragen die in de Jeugdrapportage 1999 aan bod komen zijn:
  • Wat is de omvang en achtergrond van de problematiek onder jeugdigen in de Zuid-Hollandse regio's?
  • Worden jeugdigen in een kwetsbare positie voldoende bereikt door de jeugdzorg?
  • Aan welke vormen van jeugdzorg is behoefte?
Voor de Jeugdrapportage 1999 zijn verschillende activiteiten uitgevoerd. Allereerst zijn de gegevens uit de Jeugdrapportage 1998 geactualiseerd en waar mogelijk aangevuld met meer en kwalitatief beter cijfermateriaal. Daarnaast heeft een verdieping plaatsgevonden van een aantal onderwerpen, te weten de jeugdcriminaliteit in Zuid-Holland Noord, opvoedingsondersteuning in Midden Holland, onderwijs en zorg in Zuid-Holland Zuid en de wachttijdenproblematiek.
1.    Leefsituatie
Allereerst worden enkele demografische gegevens gepresenteerd van jongeren in Zuid-Holland. Vervolgens komen enkele risicofactoren voor probleemgedragingen en gezondheid aan bod.
Totale bevolking
Naar aantallen inwoners ontlopen regio Noord en Zuid elkaar nauwelijks. Beide regio's tellen per 1 januari 1998 bijna 500.000 inwoners. Regio Midden Holland telt zo'n 200.000 inwoners, in totaal tellen de drie Zuid-Hollandse regio's 1,2 miljoen inwoners. In de Zuid- Hollandse regio's wonen ongeveer 300.000 jeugdigen in de leeftijd tot 18 jaar, 23,5% van de totale bevolking. Dit zijn de jeugdigen die een beroep kunnen doen op de jeugdhulpverlening. De verwachting is dat het aantal 0-18 jarigen in de komende jaren met ongeveer 31.000 jeugdigen zal afnemen. In 1998 vormen de 0-18 jarigen 24% van de totale bevolking, dit aandeel loopt echter langzaam terug. In 1990 bedroeg het aandeel nog 25%. De verwachting is dat het in de periode tot 2010 verder zal dalen tot ongeveer 20%.
De jeugdhulpverlening heeft veel aandacht voor jeugdigen afkomstig uit Turkije, Marokko, Suriname en de Nederlanse Antillen. Bijna 4% van de bevolking in de drie regio's komt uit een van deze vier landen. Regionaal gezien wonen in Noord relatief veel personen uit landen van de Europese Unie, in Midden Holland wonen relatief veel Marokkanen en in Zuid relatief veel Turken.
Opvoedingssituatie
De gezinsvorm waarin jongeren opgroeien is sterk bepalend voor hun ontwikkeling. De meeste jongeren groeien op in een harmonieus gezin. Voor een klein deel geldt echter dat het gezin risicofactoren herbergt. Risicofactoren op gezinsniveau, zoals ouderlijk geweld, gebrek aan toezicht en discipline, een instabiele of conflictueze thuissituatie, vertonen een sterke samenhang met het psychisch welzijn en het functioneren van het kind. Kinderen uit eenoudergezinnen vertonen vaker afwijkend gedrag. Zo plegen zij vaker een delict en leven zij ongezonder dan kinderen die opgroeien in een tweeoudergezin. Door overlijden van de partner of door echtscheiding dragen in de drie Zuid-Hollandse regio's zo'n 28.000 (2,2%) ouders alleen de verantwoordelijkheid voor een gezin (CBS 1999). In 85% van de gevallen gaat het om een vrouw met één of meer kinderen. De laatste jaren is het aantal eenoudergezinnen in de Zuid-Hollandse regio's toegenomen. De grootste groei heeft zich voorgedaan in de Leidse regio, van 1,9% in 1992 tot 2,5% in 1998. In de subregio Drechtsteden is het aandeel eenoudergezinnen het grootst; 2,7% van de totale bevolking. Landelijk is dit percentage 10% (CBS 1999).
Onderwijs
Een goede opleiding biedt jongeren de kans een goede uitgangspositie te verwerven op de arbeidsmarkt. Het merendeel van de jeugdigen gaat graag en zonder problemen naar school. Een klein deel heeft een hekel aan school of kan om uiteenlopende redenen niet goed meekomen. Jeugdigen kunnen te maken hebben met psychosociale problemen, spijbelgedrag vertonen, gedragsproblemen hebben en uiteindelijk voortijdig het onderwijs verlaten. Jeugdigen die voortijdig het onderwijs verlaten, lopen een grote kans op een achterstand in kennis en vaardigheden die lastig is weg te werken.
In de drie Zuid-Hollandse regio's volgen in het schooljaar 1997/1998 in totaal 199.038 jeugdigen het basis- of voortgezet onderwijs. Bijna twee derde (63%) daarvan zit op de basisschool, de overigen volgen het voortgezet onderwijs (33%) of het (voortgezet) speciaal onderwijs (3,7%). Landelijk volgen in 1997/1998 relatief meer jongeren (voortgezet) speciaal onderwijs, namelijk 4,8% van de jeugdigen (CBS 1999). Niet bekend is of in de drie regio's in Zuid-Holland behoefte is aan een uitbreiding van het (voortgezet) speciaal onderwijs. Er zijn geen gegevens beschikbaar over wachtlijsten in het (voortgezet) speciaal onderwijs. Bovendien is geen zicht op de omvang van de problematiek van de jongeren in de Zuid-Hollandse regio's ten opzichte van de landelijke gegevens. Aannemelijk is wel dat de problematiek niet boven het landelijk gemiddelde ligt. In de drie regio's liggen weinig grote steden en achterstandsgebieden, waar doorgaans meer jeugdigen het speciaal onderwijs volgen.
Uit het GGD-onderzoek 1999 onder jongeren in Zuid-Holland blijkt dat van de leeftijdscategorie 12-17 jaar vrijwel iedereen naar school gaat (96%). Naarmate de leeftijd van de jongeren stijgt, neemt het volgen van een opleiding af. Van de 18-23 jarigen volgt nog 63% een opleiding en van de 24-26 jarigen 23%.
Naar etniciteit doen zich enkele verschillen voor. Van de Surinamers/Antillianen, Turken en Marokkanen volgt ruim drie procent speciaal onderwijs, tegenover minder dan één procent van de Nederlandse jongeren. Voorbereidend beroepsonderwijs wordt gevolgd door 16% van de Surinamers/Antillianen, Turken en Marokkanen tegenover 9% van de Nederlandse jongeren. Verder volgt 30% van de allochtone jongeren een vervolgopleiding tegenover 45% van de Nederlandse jongeren.
Niet-schoolgaande jongeren
Niet alle leerplichtige jongeren gaan naar school. Uit het GGD-onderzoek (1999) blijkt dat van de 12-16 jarigen 3,7% momenteel niet naar school gaat. Dit geldt vooral voor de 12-14 jarigen (5,1%). Van de jongeren in de leeftijd van 15-17 jaar gaat 2,7% niet naar school. Hierbij doet zich geen verschil voor naar geslacht, etniciteit of de mate van stedelijkheid van de gemeente waarin de jongere woont. Ook de registratie van de RMC's biedt geen verklaring voor het relatief hoge percentage niet-schoolgaande 12-16 jarige jongeren. Niet bekend is hierbij of een jongere daadwerkelijk schoolverlater is of elders een opleiding gaat volgen.
Van de niet-schoolgaande jongeren in de regio's is bekend of zij al dan niet een startkwalificatie hebben. Dit houdt in dat zij het voortgezet onderwijs (VBO, MAVO, HAVO of VWO) met een diploma hebben afgerond en tenminste twee studiejaren MBO met succes hebben doorlopen of een diploma leerlingwezen of kort middelbaar beroepsonderwijs hebben behaald. Niet-schoolgaande jongeren zonder startkwalificatie hebben onvoldoende kennis en vaardigheden voor een reële toegang tot de arbeidsmarkt en kunnen zich daar onvoldoende handhaven en verder ontwikkelen. Van de niet-schoolgaande jongeren heeft 76-80% een startkwalificatie. Van de autochtone jongeren heeft 21% geen startkwalificatie, tegenover 39% van de allochtone jongeren.
De meeste niet-schoolgaande jongeren zònder startkwalificatie hebben een baan (79%). Bijna een kwart (22%) van de niet-schoolgaande jongeren zonder startkwalificatie heeft geen werk, de helft daarvan is daarnaar overigens ook niet op zoek. Er zijn geen verschillen naar geslacht, maar wel naar etniciteit; 17% van de niet-schoolgaande jongeren zònder startkwalificatie is van allochtone herkomst, tegenover 12% van alle jongeren.
Jeugdwerkloosheid
De economische groei in de drie regio's volgt de landelijke trend. Ontwikkelingen, zoals een sterke afname van het aantal jongeren in de bestanden van de arbeidsvoorziening en een toename van moeilijk vervulbare vacatures doen zich ook in de regio's Noord, Midden en Zuid voor. Een afname van het aantal werkzoekenden betekent een relatieve toename van lastig bemiddelbaren. Uit gegevens van de arbeidsvoorziening regio Rijnstreek (Noord en Midden Holland) blijkt dat het aantal geregistreerde werklozen met 23% is verminderd, terwijl het aantal langdurig werklozen met 18% is afgenomen en het aantal allochtone werkzoekenden met 16%.
Schoolverlaters vinden door de gunstige economische ontwikkeling van de afgelopen jaren relatief snel een baan. Het aantal jongeren dat tot de beroepsbevolking wordt gerekend is de afgelopen jaren fors afgenomen. Dit komt doordat het aantal jongeren afneemt en tevens doordat de jongeren langer onderwijs volgen dan enkele jaren geleden. Landelijk is in 1997 10% van de jongeren werkloos tegenover 6% van de totale beroepsbevolking. De werkloosheid is onder de allochtone jongeren met 29% aanzienlijk hoger (CBS 1999).
Uit de gegevens van Arbeidsvoorziening Rijnstreek (regio's Zuid-Holland Noord en Midden), Arbeidsvoorziening Rijnmond (regio Zuid-Holland Zuid, behalve Goeree Overflakkee) en Arbeidsvoorziening Zeeland (Goeree Overflakkee) blijkt dat in de drie Zuid-Hollandse regio's in totaal 3.164 jongeren beneden de 23 jaar als niet-werkende werkzoekenden, oftewel als werkloze, staan geregistreerd.
Van de werkloze jongeren in Noord en Midden is 23% van allochtone herkomst tegenover 28% in Zuid. Allochtonen maken echter in de drie regio's in totaal 9% van de totale bevolking uit. Verder blijkt dat ongeveer twee derde van de werkloze jongeren (zeer) laag is opgeleid (basisonderwijs of LBO/MAVO). Deze jongeren zijn vroegtijdig afgehaakt bij het onderwijs en beschikken niet over een startkwalificatie. Initiatieven om jongeren te weerhouden vroegtijdig af te haken op school hebben onvoldoende effect. Er is behoefte aan voorzieningen die jongeren stimuleren verder te leren, die jongeren ervan weerhoudt vroegtijdig af te haken en die signaleren wanneer jongeren de boot dreigen te missen. Met name allochtone jongeren worden onvoldoende bereikt.
Gezondheid
Een klein deel van de jeugd ervaart psychische problemen of heeft problemen in zijn sociale omgeving (thuis, school, vrienden). Daarnaast neemt het riskant gedrag onder jongeren toe. Zo blijkt landelijk het alcohol- en drugsgebruik onder jongeren de afgelopen jaren te zijn toegenomen.
In de GGD-Jongerenenquete (1999) is de jongeren gevraagd wat zij van hun eigen gezondheid vinden. Naarmate men jonger is wordt de eigen gezondheid als enigszins beter ervaren. Van de 12-17 jarigen in de drie regio's is 93% van mening dat zijn gezondheid goed tot uitstekend is tegenover 90-91% van de 18-26 jarigen (tabel 1). Een vergelijkbaar verschil doet zich voor tussen jongens en meisjes, waarbij jongens hun gezondheid als beter ervaren. Van de jongens is 94% van mening dat hun gezondheid goed tot uitstekend is tegenover 90% van de meisjes. Andere factoren die samenhangen met de gezondheidsbeleving zijn werkloosheid en etniciteit. Werkloze jongeren voelen zich ongezonder dan werkende jongeren en allochtone jongeren voelen zich ongezonder dan autochtone jongeren.
   
Tabel 1
Mening jongeren eigen gezondheid naar regio, in %

Noord Midden Zuid

12-17 Uitstekend
(zeer) goed
matig/slecht
22
71
7
21
72
7
22
71
7
 
18-26 Uitstekend
(zeer) goed
matig/slecht
12
79
9
12
78
10
15
77
8

 
Psychosociale problematiek
Bij de vijf GGD-en die zich bevinden in de drie regio's is informatie opgevraagd uit het Jongeren Informatie Systeem (JIS). Het JIS bestaat uit registraties van het Periodieke Gezondheidsonderzoek (PGO), dat in groep twee van de basisschool wordt gedaan en in enkele gevallen ook in klas één of twee van het voortgezet onderwijs.
Verreweg de meeste kinderen hebben op een leeftijd van vijf of zes jaar (groep twee van de basisschool) geen problemen. In Noord geldt dit voor 86% van deze kinderen, in Midden voor 88%, voor Zuid is dit percentage niet beschikbaar. Wat verder opvalt is het relatief kleine aantal gedragsproblemen in regio Noord, de GGD Leiden en omstreken, in vergelijking met de registraties van de GGD Zuid-Hollandse Eilanden en de GGD Midden Holland. In 1995-1996 heeft in regio Noord 3% van de leerlingen in groep twee van de basisschool gedragsproblemen, versus zes en zeven procent op de Zuid-Hollandse Eilanden en in Midden Holland. Dat beeld blijft gelijk in de volgende jaren. Wel is er sprake van een stijging van het percentage jongeren met psychische problemen in de Zuid-Hollandse Eilanden, van 3% in 1996 naar 5% in 1998, terwijl dit percentage bij de andere GGD-en, inclusief de JIS gegevens van Alphen aan den Rijn, rond de 2% ligt. Overigens kunnen de regionale verschillen (deels) worden verklaard door de arts-afhankelijke diagnoses, waarvan de GGD-en gebruik maken.
Wordt gekeken naar de sociaal-economische status (SES), dan blijkt dat van de jeugdigen waarvan de ouders geen beroep hebben, 39% psychosociale problemen ondervindt. Hoe hoger de SES, des te minder psychosociale problemen een jongere ervaart. Overigens blijkt dat de meeste psychosociale problemen voorkomen in de grotere plaatsen Leiden en Alphen aan den Rijn, respectievelijk 19% en 21%, terwijl het percentage psychosociale problematiek in de kleinere buurgemeenten respectievelijk 12% en 11% bedraagt. Ook wordt psychosociale problematiek vaker vastgesteld bij Surinaamse, Antilliaanse, Marokkaanse en Turkse jongeren.
Figuur 1
Indicatie voor psychosociale problematiek volgens KIVPA-scores, in %
Indicatie voor psychosociale problematiek volgens KIVPA-scores, in %
Bron: GGD-jongerenenquête 1999
Uit de resultaten van de GGD-Jongerenenquête (1999) blijkt dat de KIVPA-score tussen de regio's niet verschilt. In alle drie regio's scoort ongeveer 28% een probleemscore. Uit figuur 1 blijkt dat zich wel duidelijke verschillen voordoen naar leeftijd en geslacht. Bij jongens stijgt het percentage met een probleemscore met het toenemen van de leeftijd. Het percentage is het laagst voor de 12-14 jarigen (14%) en het hoogst voor de 24-26 jarigen (24%). Ook bij de meisjes neemt het percentage toe van 26% bij de 12-14 jarigen tot 43% bij de 18-23 jarigen, waarna een daling optreedt. Van de 24-26 jarigen scoort 36% een probleemscore. Evenals bij de ervaren eigen gezondheid heeft bij de allochtone jongeren een hoger percentage een indicatie voor psychosociale problemen dan bij de autochtone jongeren (38% tegenover 27%). Overigens hangen gezondheidsbeleving en psychosociale problematiek sterk samen.
Roken en alcohol
Roken en overmatig drankgebruik schaden de gezondheid. De effecten van deze vormen van riskant gedrag worden vaak pas op latere leeftijd ervaren. Het alcoholgebruik onder jongeren is de afgelopen jaren toegenomen. In Zuid-Holland zijn de zware drinkers met name te vinden in regio Noord, waar 6% van de 12-17 jarige tot die categorie kan worden gerekend en 19% van de 18-26 jarigen (figuur 2). De beide overige regio's scoren lager, in regio Zuid is het percentage zware drinkers in beide leeftijdscategorieën de helft van dat in regio Noord. In de Zuid-Hollandse regio's rookt ongeveer een vijfde van de 12-17 jarige jongeren, waarvan ruim de helft (11% van alle 12-17 jarigen) dagelijks. Van de 18-26 jarigen rookt in de drie regio's twee vijfde, waarvan ongeveer drie kwart (27-30% van alle 18-26 jarigen) dagelijks rookt.
Figuur 2
Zware drinkers naar regio, in %
Zware drinkers naar regio, in %
Bron: GGD-jongerenenquête 1999
Drugsgebruik
Als jongeren drugs hebben gebruikt in de afgelopen vier weken is dit meestal cannabis (hasj, marihuana, weed) geweest. Het verschil tussen de leeftijdscategorieën 12-17 jaar en 18-26 jaar is in de regio's Noord (7,2% respectievelijk 9,3%) en met name Midden (7,1% respectievelijk 7,9%) gering. In de regio Zuid waar het cannabisgebruik lager ligt is het verschil tussen beide leeftijdscategorieën het grootst (4,2% respectievelijk 7,4%). Het gebruik is het hoogst onder de 15-17 jarigen (11%) en het laagst onder de 12-14 jarigen (1,5%). Naast leeftijd speelt ook geslacht een rol: van de jongens gebruikt 11% tegenover 5% van de meisjes. In alle drie de regio's ligt het gebruik van cannabis ruim onder het landelijk gemiddelde van 10,7% (De Zwart e.a. 1997). Dit wordt vooral veroorzaakt door het verschil in cannabisgebruik in verstedelijkte en minder verstedelijkte gebieden, waar in Zuid-Holland 10% respectievelijk 6% van de jongeren gebruikt. Met name de minder verstedelijkte gebieden zijn ruim vertegenwoordigd in de drie regio's.
Kindertelefoon
De Kindertelefoon in Rotterdam bedient de stad Rotterdam en tevens de regio's Zuid en Midden. Van individuele gesprekken is de regionale herkomst niet bekend. De Kindertelefoon in Leiden heeft als regio Zuid-Holland Noord. In 1997 hebben in de regio Noord 4.822 jeugdigen de kindertelefoon gebeld, dit zijn 104 gesprekken per 10.000 6-23 jarigen (Kindertelefoon Rotterdam 1999). Van de bellers is 95% jonger dan 23 jaar. De meesten (61%) zijn tussen de 8 en 15 jaar oud. Twee derde (67%) van de bellers is een meisje. Onderwerpen die in de gesprekken aan bod komen zijn met name: sexualiteit (in 20% van de gesprekken); relaties (15%); gebruik van geweld, dwang en machtsmisbruik (12%); thuissituatie (9%); emotionele problemen (9%); lichamelijke problemen (7%); en school (5%). In bijna de helft van de gesprekken worden overige, niet nader omschreven, onderwerpen besproken. In een deel van de gesprekken komen meerdere onderwerpen aan bod.
In de GGD-Jongerenenquête (1999) is de jongeren gevraagd over welke problemen zij 'dag en nacht' piekeren. Jongeren blijken met name te piekeren over de eigen identiteit (38%), de school (34%) en relaties (32%). Over sexualiteit piekert 11%, terwijl hierover bij de Kindertelefoon de meeste gesprekken worden gevoerd. Overigens zegt ruim drie kwart (78%) van de jongeren bij ernstige problemen (heel) vaak een beroep te kunnen doen op iemand in de directe omgeving, vaak één van de ouders of een vriend of vriendin. Van de jongeren zegt 18% soms bij iemand terecht te kunnen en heeft 3% niemand om bij problemen mee te kunnen praten.
Kindermishandeling
Het blijkt dat in de regio's Noord en Zuid in 1998 het aantal meldingen van kindermishandeling per 1.000 jeugdigen van 0-18 jaar even hoog is, namelijk 17. In de regio Midden zijn bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) verhoudingsgewijs minder meldingen van kindermishandeling ontvangen; 12 per 1.000 jeugdigen. Overigens blijkt uit de GGD-Jongerenenquête (1999) een enigszins andere volgorde. In de regio Noord geeft 2,8% van alle 12-17 jarigen aan thuis te zijn mishandeld tegenover 2,2% in de regio Midden en 1,5% in Zuid. Niet bekend is of de thuis mishandelde jongeren door één van de ouders of door overige familieleden (zoals een broer of zus) zijn mishandeld.
Criminaliteit
Uit de GGD-Jongerenenquete (1999) blijkt dat in één jaar tijd ruim een derde (35%) van alle jongeren een delict pleegt. Landelijk is dit 48% (CBS 1999). De ernst van de delicten varieert van zwart rijden tot mishandeling. Jongeren tussen de 15-17 jaar plegen de meeste delicten. Bijna de helft (49%) van hen heeft het afgelopen jaar een delict gepleegd. Landelijk is dit 63% (CBS 1999). Het verschil met de landelijke cijfers wordt deels verklaard doordat het CBS tevens prijsjes verwisselen als delict meeneemt. Landelijk heeft 8% van de jongeren zich hieraan in de afgelopen 12 maanden schuldig gemaakt.
Jongens plegen meer delicten dan meisjes, 45% respectievelijk 26% heeft in een jaar tijd minimaal één delict gepleegd. Het percentage dat wel eens zwartrijdt is echter even hoog (beide 14%). Jongeren uit eenoudergezinnen zijn crimineler dan de overige jongeren. Bijna de helft (48%) van de jongeren uit een eenoudergezin heeft het afgelopen jaar een delict gepleegd tegenover 35% van alle jongeren. Zij scoren op alle delicttypen hoger, met name op geweldsdelicten en vandalisme.
Het aantal 12-17 jarigen per 1.000 dat met de politie in aanraking is gekomen schommelt sinds 1988 landelijk rond de 35. In 1996 is dit ineens gestegen tot 46 en in 1997 afgenomen tot 43. Overigens geldt de afname in 1997 vooral voor vermogensdelicten. Het aantal door jongeren gepleegde geweldsdelicten is daarentegen verder toegenomen, zij het dat deze stijging minder groot is dan in voorgaande jaren. Het aantal jongeren dat is aangehouden voor verboden wapenbezit is in de periode 1996-1997 meer dan verdubbeld (Ministerie van Justitie, website 1999).
In de regio's Noord en Midden hebben relatief veel jongeren een proces-verbaal gekregen ten opzichte van regio Zuid. Per 1.000 jongeren hebben 64 respectievelijk 58 en 47 jongeren een proces-verbaal ontvangen. In tegenstelling tot landelijke cijfers zijn deze gegevens voor de drie regio's in Zuid-Holland per twee jaar bekend (1995-1996), hetgeen een vergelijking onmogelijk maakt. Voor de instroom van jonge delinquenten bij het Openbaar Ministerie geldt hetzelfde. Landelijk is er een instroom van 23 jongeren per 1.000. Over twee jaar gerekend zijn in Noord 39 jeugdige daders doorgestroomd naar justitie, in Midden 43 en in Zuid 49.
Halt-verwijzingen
Het aantal Halt-verwijzingen is tussen 1992 en 1997 landelijk nagenoeg verdubbeld (figuur 3). Het index-cijfer per 1.000 jongeren stijgt minder snel, omdat het aantal jongeren van 12-17 jaar in deze periode eveneens is toegenomen. Toch valt er een gestage groei waar te nemen van 13 Halt-verwijzingen per 1.000 jongeren in 1992 tot 20 in 1997.
   
Figuur 3
Overzicht Halt-verwijzingen naar regio, 1992-1997
Overzicht Halt-verwijzingen naar regio, 1992-1997
Bron: Halt Nederland 1998
In de regio Noord vinden in 1992 minder Halt-verwijzingen per 1.000 jongeren plaats dan landelijk (11 tegenover 13 landelijk), terwijl het aantal verwijzingen in 1997 bijna is verdubbeld tot 21 en uitstijgt boven het landelijk gemiddelde (20). In de regio Zuid is de trend juist omgekeerd: in 1992 is het aantal Halt-verwijzingen bovengemiddeld, in 1997 duidelijk onder het landelijk gemiddelde.
Risicofactoren
Jeugdcriminaliteit en drugs- en alcoholgebruik hangen vaak nauw samen. Uit analyses van de gegevens uit de GGD-jongerenenquête (1999) blijkt echter dat de belangrijkste risicofactoren voor zowel deviant gedrag (plegen delicten, dronkenschap en hasjgebruik) als psychosociale problematiek zijn: sexe; het hebben van veel of weinig vrienden; en de thuissituatie (relatie met ouders). Met name meisjes, die vinden dat ze weinig vrienden hebben, hebben relatief vaker een indicatie voor psychosociale problemen. Vooral jongens die vinden dat ze voldoende vrienden hebben vertonen relatief veel deviant gedrag. 'Niet goed met ouders kunnen praten' is voor beide vormen van probleemgedrag een risicofactor. Er bestaan geen duidelijke verschillen in deviant gedrag en psychosociale problematiek tussen verschillende onderwijsniveaus. Psychosociale problematiek en deviant gedrag vertonen onderling enige samenhang. Jongeren die meer deviant gedrag vertonen hebben relatief vaker een indicatie voor psychosociale problemen.
Overigens hebben jongeren met een (risico op) psychosociale problematiek vaker contact met de hulpverlening (16%) dan de jongeren zonder indicatie voor psychosociale problematiek (4%). Zij doen met name een beroep op de RIAGG (7%) en het maatschappelijk werk (6%). Ook jongeren met deviant gedrag hebben vaker contact met de hulpverlening. Van hen heeft 12% contact met de hulpverlening tegenover 7% van de jongeren zonder deviant gedrag.
2. Jeugdzorg
In 1995 maken ruim 5.100 jeugdigen uit Zuid Holland gebruik van één of meer voorzieningen van jeugdhulpverlening. Dit aantal is in 1996 gegroeid tot ruim 5.900 en bedraagt in 1997 ruim 6.200 jeugdigen. Met name het gebruik van regionale ambulante voorzieningen is sterk gestegen, evenals dat van de regionale pleegzorg en de regionale residentiële voorzieningen.
Leeftijd
De leeftijdsgroep 15-18 jarigen maakt met 32% het meest gebruik van de regionale ambulante voorzieningen. Bij de dagbehandeling is het de leeftijdscategorie 2-6 die hiervan het meest gebruik maakt; 34% valt in die categorie, tegenover 43% in geheel Nederland.
Geslacht
De verhouding tussen jongens en meisjes in de Zuid-Hollandse jeugdhulpverlening wijkt, met uitzondering van de dagbehandeling, niet af van die in heel Nederland. In Zuid-Holland maken verhoudingsgewijs meer allochtonen gebruik van ambulante voorzieningen dan in Nederland als geheel (figuur 4). In de Zuid-Hollandse dagbehandeling is een kwart van de jeugdigen van allochtone herkomst. Allochtone jongeren maken naast ambulante (36%) ook veel gebruik van residentiële (33%) voorzieningen.
Figuur 4
Gebruik jeugdhulpverlening in Zuid-Holland naar etniciteit en voorziening, in % (1997)
Gebruik jeugdhulpverlening in Zuid-Holland naar etniciteit en voorziening, in % (1997)
Gebruik jeugdhulpverlening in Zuid-Holland naar etniciteit en voorziening, in % (1997)
Bron: SRJV (1999)
Jongeren van 12-17 jaar die van de jeugdhulpverlening gebruik maken volgen vaker het speciaal onderwijs. Van alle jeugdigen volgt zo'n 4% het speciaal onderwijs tegenover ruim 15% van de jeugdigen in de jeugdhulpverlening (SCP 1998). Een belangrijk deel van de 12-17 jarigen in de jeugdhulpverlening volgt voortgezet onderwijs, een toenemend aantal van de jeugdigen in dagbehandeling en residentiële zorg gaat echter niet naar school en heeft geen baan.
Plaatsingsproces
Het aantal jeugdigen in de dagbehandeling dat buiten de eigen regio wordt geplaatst, is de laatste jaren sterk afgenomen, terwijl dit voor de pleegzorg en de residentiële voorzieningen, vooral in 1997, sterk is gestegen. Het percentage buitenregionale plaatsingen voor de dagbehandeling loopt in drie jaar terug van 11% naar 3%. Voor de pleegzorg springt het percentage van 1997 erg uit de toon. Het aantal buitenregionale plaatsingen stijgt in dat jaar van 21% naar 46%, terwijl het daarvoor van 29% naar 21% was gedaald.
Indien een jeugdige buiten de eigen regio wordt geplaatst geeft de plaatser aan welke reden hieraan ten grondslag ligt. Voor dagbehandeling en residentiële voorzieningen noemen plaatsers relatief vaak als reden dat de voorziening in de regio ontbreekt, terwijl voor de residentiële voorzieningen ook vaak wordt vastgesteld dat er geen plaats is in de regio. Bij pleegzorg geven plaatsers relatief vaak aan dat een buitenregionale plaatsing nodig was, omdat de voorziening het dichtst bij huis is of in de aangrenzende regio dichterbij. In enkele gevallen wordt bij plaatsing in residentiële voorzieningen als reden aangegeven dat er een noodzaak is om ver te plaatsen.
Zorgtoewijzing
Bij zorgtoewijzing gaat het om een specifiek deel van de jeugdigen van de jeugdhulpverlening, namelijk het deel dat een beroep doet op de niet vrij toegankelijke jeugdhulpverlening. De gegevens zijn om die reden moeilijk te vergelijken met de SRJV gegevens, die betrekking hebben op alle jeugdigen die gebruik maken van jeugdhulpverlening. Bovendien zijn de gegevens onvolledig en door wijzigingen in aantallen voorzieningen die gegevens leveren lastig te vergelijken in de tijd.
Jeugdbescherming
In de regio's heeft in 1997 vijf per 1.000 0-18 jarigen te maken met de jeugdbescherming. In regio Zuid gaat het om zes jeugdigen per duizend. In deze periode is het aantal jeugdigen in de jeugdbescherming in de drie regio's met 5% toegenomen. De stijging heeft zich met name voorgedaan in regio Noord (10%), minder in regio Zuid (3%). Regio Midden Holland laat een daling zien van 3%.
In de jeugdbescherming verblijven meer jongens dan meisjes. Tussen de drie regio's zijn op dit punt geen grote verschillen. Vooral bij de leeftijdsgroep 12-18 zijn de jongens in de meerderheid. In de jaren 1995 - 1997 doen zich geen grote verschuivingen voor. Het percentage allochtone jeugdigen is in de jeugdbescherming gestegen van 26% in 1996 tot 30% in 1997. In regio Midden Holland is het percentage allochtonen met 38% het hoogst. In regio Noord is het aantal allochtone jeugdigen in de jeugdbescherming echter het sterkst gestegen.
Raad voor de Kinderbescherming
De werkzaamheden van de Raad kunnen leiden tot een kinderbeschermingsmaatregel, waarover de kinderrechter moet beslissen. Instellingen voor (gezins)voogdij zijn belast met de uitvoering van een maatregel. De onderzoeken van de Raad kunnen worden onderverdeeld in beschermingszaken, zaken van echtscheiding en omgang, overige civiele zaken en strafzaken.
In de gehele provincie is in 1998 bij 1,2 per 1.000 0-18 jarigen een onderzoek uitgevoerd door de Raad. De verdeling van het aantal jeugdigen over de subregio's laat zien dat in de subregio's met weinig grote steden (Zuid-Hollandse Eilanden, Alblasserwaard/Vijfheerenlanden) een kleine groep jeugdigen in aanraking komt met de Raad. In de subregio's met de grote steden Leiden, Alphen (regio Noord), Gouda (regio Midden Holland) en Dordrecht (regio Zuid) worden daarentegen relatief veel jeugdigen onderwerp van Raadsonderzoek. Vooral jeugdigen in de leeftijdsgroep 13-18 jaar zijn onderwerp van een onderzoek door de Raad. Van de totale groep van 402 jeugdigen is 44% 13-18 jaar. In regio Noord betreft het relatief veel jeugdigen in de groep van 7-12 jarigen (figuur 5).
Figuur 5    Jeugdigen bij de Raad voor de Kinderbescherming naar leeftijd (1998)
Jeugdigen bij de Raad voor de Kinderbescherming naar leeftijd
(Bron: Raad voor de Kinderbescherming 1999)
De gegevens kunnen niet worden onderverdeeld in (sub)regio's, wel kan worden achterhaald welke problematieken het meest voorkomen: verzorgingsproblemen (28%), onhanteerbaar gedrag van het kind (20%), strafbaar gedrag van het kind (6%) en psychische problemen van de ouders (6%).
RIAGG
In 1997 maakten in totaal ruim 3.500 jeugdigen in de leeftijdsgroep 0-23 jarigen voor het eerst gebruik van de vier RIAGG-instellingen in de drie Zuid-Hollandse regio's. Hiervan waren bijna 3.000 afkomstig uit de regio's Noord, Midden Holland en Zuid, de overige jeugdigen zijn afkomstig van buiten de regio's. In het algemeen zijn jeugdigen uit subregio's met de grote steden oververtegenwoordigd. Relatief gezien is het bereik van de RIAGG in Midden Holland het grootst. De subregio's met een hoog aantal jeugdige RIAGG-cliënten zijn de Rijnstreek (met Alphen aan de Rijn) en Gouda e.o. met respectievelijk 13 en 10 jeugdigen per duizend 0-23 jarigen.
Een vergelijking tussen de leeftijdsopbouw van de Zuid-Hollandse RIAGG-cliënten met de landelijke cijfers maakt duidelijk dat in Zuid-Holland minder 0-5 jarigen en meer 12-17 en 18-23 jarigen worden bereikt. Verder kan worden geconstateerd dat in de leeftijdsgroep 0-5 jaar relatief veel jongens worden bereikt, maar dat met het stijgen van de leeftijd het aandeel van de meisjes groeit. Bij de oudste groep is het percentage meisjes toegenomen tot 63% in Zuid-Holland. Dit komt overeen met het landelijke percentage van 64%.
3. Wachttijden in de Jeugdzorg
In de registratie van de SRJV wordt bij het begrip wachttijd uitgegaan van het tijdsverschil tussen aanmelding bij een voorziening en het begin van hulpverlening. Per voorziening kan hiermee worden aangegeven hoe groot de druk is op een voorziening. Zuiverder zou zijn om vanuit een cliëntregistratie duidelijk te maken hoe lang jeugdigen vanaf het moment van aanmelding moeten wachten op start van de hulpverlening, waarbij onderscheid gemaakt kan worden tussen a) het moment van aanmelding en besluit van zorgtoewijzing en b) besluit van zorgtoewijzing en realisatie van plaatsing. Hierdoor zou het hulpverleningstraject van groepen jeugdigen die zich in een bepaalde periode heeft aangemeld, zorgvuldiger in kaart kunnen worden gebracht. Belangrijk hierbij is om voor de jeugdigen die te lang (bijvoorbeeld bij een standaardtermijn van twee maanden) moeten wachten bijtijds alternatieven te bedenken.
De wachttijden in de jeugdhulpverlening zijn sterk afhankelijk van de voorziening waarin de hulp wordt verleend. Voor de dagbehandeling schoolgaande jeugd, het MKD en de kamertraining van de residentiële voorzieningen geldt in 1997 een wachttijd van meer dan 20 weken. In de periode 1995 - 1997 is in Zuid-Holland bij de volgende voorzieningen de gemiddelde wachttijd gestegen: de jeugdreclassering, dagbestedingprojecten, Medisch Kinderdagverblijf (MKD) en een residentiële voorziening als kamertraining. De gemiddelde wachttijd is in 1997 ten opzichte van voorgaande jaren gedaald bij voorzieningen als (gezins)voogdij, de dagbehandeling niet-schoolgaande jeugd, de vrijwillige en justitiële pleegzorg en de residentiële functie Opvang en verzorging.
De gemiddelde wachttijd kan per voorziening sterk variëren. Zo bedroeg de gemiddelde wachttijd voor de Zuid-Hollandse ambulante voorzieningen in 1997 vijf weken. Drie kwart van de totale groep begon gemiddeld na zeven weken met de hulpverlening. Vijf procent ondervindt een langere wachttijd dan 18 weken. Een relatief kleine groep moet lang wachten voordat de hulpverlening start. Een groot deel van de jeugdigen heeft relatief snel een pleeggezin gevonden (95% is binnen zes weken geplaatst) terwijl een klein deel minstens 33 weken moet wachten.
Het Zorgtoewijzingsteam (ZTT) Zuid stelt dat de gemiddelde tijd die het kost om tot een ZTT-besluit te komen (toewijzingsduur) in 1997 in meer dan drie kwart van de gevallen minder dan drie weken is, terwijl de gemiddelde wachttijd voor de regionale voorzieningen (plaatsingsduur) tien weken bedraagt. Dit betekent een totale gemiddelde wachttijd van ongeveer 12 weken.
Met de komst van centrale zorgtoewijzingsteams kan dit hulpverleningstraject beter in kaart worden gebracht. Uit de gespreksronde langs vertegenwoordigers van de jeugdhulpverlening in regio Zuid blijkt dat door de registraties van deze teams beter zicht komt op de totale groep jeugdigen die in de regio in aanmerking komt voor geïndiceerde zorg, zowel wat betreft de vrijwillige als de justitiële hulpverlening.
Voor jeugdigen die met lange wachttijden te maken hebben, zouden creatieve oplossingen moeten worden gezocht. Een voorbeeld is de wachtlijstbegeleiding bij de bovenregionale residentiële voorziening Rijnhove. Jeugdigen die zijn aangemeld maar nog niet kunnen worden geplaatst, zijn gedurende zes maanden voorafgaand aan de plaatsing begeleid door zogenoemde gezinsbegeleiders. Met deze wachtlijstbegeleiding wordt uithuisplaatsing niet voorkomen. Wel draagt de begeleiding eraan bij dat de residentiële behandeling effectiever, efficiënter en minder traumatisch verloopt.
4. Case-studies
In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies en aanbevelingen van de drie case-studies beschreven. Achtereenvolgens is een verdieping gemaakt naar de volgende onderwerpen: jeugdcriminaliteit in regio Noord; Opvoedingsondersteuning in regio Midden; en projecten op het gebied van onderwijs en zorg in regio Zuid.
Registraties
Om de onderzoeksvragen van de case-studies te beantwoorden wordt volgens de opzet van de case-studies gebruik gemaakt van beschikbaar cijfermateriaal en informatie uit gesprekken met vertegenwoordigers van de projecten. Bij het verzamelen van het cijfermateriaal is gebleken dat met name politiegegevens niet of moeilijk zijn te verkrijgen en dat het beschikbare cijfermateriaal in de meeste gevallen (nog) te veel beperkingen kent om de onderzoeksvragen volledig te kunnen beantwoorden.
In het algemeen kan worden gezegd dat de registratiesystemen van verschillende organisaties beperkt op elkaar zijn afgestemd, waardoor vergelijkingen moeilijk worden. Hierbij kan worden gedacht aan de afwijkende geografische indelingen of de verschillende indelingen van de problematiek van de jongeren. Bovendien is het niet mogelijk om op persoonsniveau de gegevens met elkaar te vergelijken, waardoor niet goed duidelijk wordt in hoeverre de projecten dezelfde doelgroep bereiken. Voor enkele projecten voor opvoedingsondersteuning en de meeste betrokken scholen in Gorinchem en Dordrecht geldt dat de gegevens worden bijgehouden in individuele dossiers en geen geautomatiseerd registratiesysteem voorhanden is. Vanwege de tijd die het kost gegevens uit deze dossiers te halen, is het niet mogelijk gebleken van alle scholen het benodigde cijfermateriaal te verkrijgen. Verder worden niet door alle projecten de voor het onderzoek noodzakelijke gegevens bijgehouden. Tenslotte zijn de gegevens van de Bureaus Jeugdzorg nog gebrekkig en niet volledig. Vanwege de organisatorische verandering zijn de gegevens bovendien niet vergelijkbaar met eerdere jaren.
Bereik
In 1998 heeft Agadir (preventieproject voor Marokkaanse jongeren) Leiden 39 jongeren bereikt, tegenover 26 in Alphen aan den Rijn. In Leiden is met 20 jongeren het contact afgesloten, waarvan de helft met een positief resultaat. In Alphen aan den Rijn zijn 11 jongeren uitgestroomd, waarvan negen met een positief resultaat. De jongeren zijn van Marokkaanse, Surinaamse, Chinese, Somalische en Egyptische afkomst. De doelgroep is sinds kort uitgebreid met autochtone jongeren, zij worden tot nu toe echter nauwelijks bereikt. Omdat jongeren na het plegen van relatief zware delicten voor langere tijd worden vastgezet, is het aantal door de politie aangemelde jongeren sterk teruggelopen. Deze groep jongeren wordt hiermee voor projecten als Agadir onbereikbaar.
Vanaf medio 1998 tot begin 1999 heeft het JongerenTeam (preventieproject voor jongeren in meervoudige probleemsituaties) 64 jongeren aangemeld. Twee derde hiervan is van autochtone herkomst. De overige jongeren hebben een Marokkaanse, Turkse, Molukse, Vietnamese of Engelse etniciteit.
Wanneer wordt gekeken naar het bereik van de onderzochte projecten op het gebied van opvoedingsondersteuning valt op dat Spel aan Huis, Opstap Opnieuw en Opvoeden: Zó een kleine, specifieke groep bereikt. Spel aan Huis en Opstap Opnieuw hebben vooral Marokkaanse gezinnen als cliënten, Home-Start en Opvoeden: Zó bereiken zowel autochtone als allochtone ouders en kinderen. Het consultatiebureau heeft een vrij hoog bereik onder zowel autochtone als allochtone gezinnen vanwege de vaccinaties die worden gegeven en door de meeste ouders als belangrijk worden beschouwd. Het Migrantenbureau bereikt vooral Marokkaanse gezinnen. De overige allochtone gezinnen worden voor een groot deel bereikt door het reguliere consultatiebureau. Het Opvoedbureau bereikt 1,5% van alle 0-18 jarigen in Gouda. Wanneer wordt gekeken naar de demografische gegevens blijkt dat de cliënten van het Opvoedbureau een redelijke afspiegeling van de etniciteit van de inwoners van Gouda vormen. Volgens de vertegenwoordigers van de projecten wordt de doelgroep van de projecten redelijk goed bereikt. Kanttekening is volgens vertegenwoordigers van meerdere projecten dat met erg gesloten, geïsoleerde allochtone gezinnen minder goed contact lijkt te worden gelegd. Volgens de betrokkenen gaat het hierbij om een kleine groep.
Tussen de betrokken scholen in Gorinchem en Dordrecht lijken geen grote verschillen te bestaan in het aantal leerlingen dat wordt bereikt door de interne zorgstructuur. De cijfers zijn echter dusdanig beperkt, dat hierover geen volledige uitspraken kunnen worden gedaan. Er zijn bijvoorbeeld geen cijfers beschikbaar van het schoolmaatschappelijk werk in Dordrecht en het bereik op sommige scholen. In Gorinchem valt op dat door het Traject Optimale Schoolcarrière (TOS) vooral autochtone jongeren worden bereikt en weinig allochtone jongeren. Verder zijn er weinig signalen dat allochtone jongeren minder goed worden bereikt. De problematiek van de leerlingen in beide plaatsen is vergelijkbaar. Over de mate waarin de problemen voorkomen kan weinig worden gezegd omdat veel scholen hierover geen cijfers hebben. In zowel Gorinchem als Dordrecht proberen scholen vaak eerst zelf een leerling te begeleiden voordat wordt verwezen naar externe hulpverlening. In Gorinchem gebeurt dit vooral door leerlingbegeleiders, in Dordrecht nu ook meer door schoolmaatschappelijk werk. Voor scholen bestaat er kennelijk een drempel om leerlingen daadwerkelijk naar een externe instantie te verwijzen. Doordat in Dordrecht het schoolmaatschappelijk werk (van Bureau Jeugdzorg) op de scholen zit, lijkt die drempel lager te worden. Hierover zijn echter geen cijfers beschikbaar.
Vraag naar jeugdzorg
In hoeverre door de beschreven projecten de vraag naar jeugdzorg wordt beïnvloed kan vooral worden vastgesteld door het aantal verwijzingen naar de jeugdzorg.
Ten aanzien van de eerste case-studie kan worden gezegd dat Agadir zowel in Leiden als in Alphen aan den Rijn weinig naar andere instanties verwijst, met uitzondering van een (terug)verwijzing naar de reclassering. Het lijkt dan ook niet waarschijnlijk dat de komst van Agadir directe invloed heeft gehad op de vraag naar Jeugdzorg. De betrokkenen verwachten dat projecten als Agadir juist leiden tot een afname van de vraag naar jeugdhulpverlening. Door deelname aan dergelijke projecten vermindert de problematiek of wordt zelfs geheel opgelost. Aan de andere kant krijgen beide projecten ook weinig verwijzingen van de (jeugd)gezondheidszorginstellingen, uitgezonderd de Jeugdreclassering. Op het moment dat de Jeugdreclassering onder Bureau Jeugdzorg gaat ressorteren zou dat door meer en betere contacten tot een toename van de vraag naar Jeugdzorg kunnen leiden. Op dit moment is de verwachting dat dit nog enige tijd wordt uitgesteld.
Het JongerenTeam verwijst nauwelijks naar de jeugdzorg. De directe invloed van de komst van het JongerenTeam op de vraag naar jeugdzorg is dan ook gering. De jeugdzorg meldt echter wel enkele jongeren bij het JongerenTeam aan als de gesprekken bij jeugdzorg niet voldoende zijn. Hierdoor kan de jeugdzorg enigszins worden ontlast. Op den duur kan er sprake zijn van een afname van de vraag naar jeugdhulpverlening, doordat jongeren door het laagdrempelige karakter vroegtijdig met hulpverlening in aanraking komen.
Bij de onderzochte projecten voor opvoedingsondersteuning blijken de verwijzingen naar Bureau Jeugdzorg niet bij alle te worden geregistreerd (bijvoorbeeld Spel aan huis en Opstap Opnieuw). Wanneer wordt gekeken naar de verwijzingen naar Bureau Jeugdzorg, blijkt dat dit in veel gevallen verloopt via het Opvoedbureau. Het Opvoedbureau wordt gezien als tussenstap naar verdere hulpverlening en tevens de plaats waar lichte problematiek kan worden begeleid. De drempel van Bureau Jeugdzorg wordt hiermee door het Opvoedbureau verlaagd.
Wanneer wordt gekeken naar de vraag of de zorg op scholen ertoe leidt dat de vraag naar jeugdzorg verandert, blijkt dat hier geen eenduidig antwoord op kan worden gegeven. Zowel de zorg in het onderwijs als de jeugdzorg is in ontwikkeling, waardoor de cijfers nog niet volledig zijn en de betrokkenen ook nog geen goed beeld hebben. Hierdoor is het in dit stadium onduidelijk of interne zorg op scholen er juist voor zorgt dat leerlingen eerder worden verwezen naar jeugdzorg, of dat leerlingen juist langer binnen de school worden begeleid.
5. Conclusies
De eerste vraag in de jeugdrapportage 1999 is op welke levensterreinen de jeugdigen in Zuid-Holland in hun groei naar volwassenheid met problemen worden geconfronteerd. Dit is nagegaan voor de terreinen onderwijs, arbeidsmarkt, gezondheid en criminaliteit. Vervolgens is de vraag gesteld of jongeren die op een of meer van deze terreinen problemen hebben en in een kwetsbare positie verkeren, door de hulpverlening voldoende worden bereikt. Uit de aard en omvang van de problematiek en de contacten van de jongeren met de hulpverlening wordt tenslotte afgeleid of in de regio's behoefte is aan (aanvullende) vormen van jeugdzorg.
Voor het beantwoorden van deze vragen is een groot aantal gegevens nodig. Niet alle benodigde informatie is reeds beschikbaar. Wel is ten opzichte van de eerste Jeugdrapportage uit 1998 een belangrijke stap gezet. De voor deze jeugdrapportage beschikbare gegevens zijn kwalitatief aanzienlijk beter en vaker voor alle regio's aanwezig. Niettemin zijn de onderzoeksvragen (nog) niet volledig te beantwoorden. Hiervoor zijn de gegevens nog te onvolledig. Met name de jeugdzorggegevens zijn te beperkt en door wijzigingen in aantallen voorzieningen die gegevens leveren lastig te vergelijken in de tijd. Bovendien zijn de gegevens van de jeugdhulpverlening slechts beschikbaar naar hulpvorm, en niet herleidbaar tot personen, hetgeen een onbekend aantal dubbeltellingen inhoudt. Ook de gegevens over criminaliteit, waarvoor politie en justitiecijfers worden gebruikt, zijn onvoldoende specifiek. De gegevens zijn beschikbaar over een periode van twee jaar en alleen op papier aanwezig. De JIS-gegevens, die van vier van de vijf GGD-en zijn ontvangen, vertonen registratieverschillen die met een betere coördinatie en afstemming voor een belangrijk deel zijn te voorkomen.
Een algemeen knelpunt bij de dataverzameling is de volledig uiteenlopende regionale indelingen die de betrokken instellingen hanteren. Alle gegevens moeten vaak eerst tot op gemeentelijk niveau worden herleid en vervolgens geaggregeerd naar de door de provincie gebruikte regionale indeling van Zuid-Holland Noord, Midden Holland en Zuid-Holland Zuid. Door het ontbreken van de stadsregio's Rotterdam-Rijnmond en Haaglanden is de leefsituatie van jeugdigen in de drie regio's lastig te vergelijken met landelijke cijfers.
Getracht wordt in de volgende jeugdrapportage ook de dit jaar gestarte registraties van de bureaus Jeugdzorg te betrekken. Hierdoor zal een beter inzicht worden verkregen in de behoefte van jeugdigen aan zorg en advies.
Onderwijs en arbeidsmarkt
De meeste jeugdigen gaan naar school, volgen een opleiding of hebben een baan. In de drie Zuid-Hollandse regio's Noord, Midden Holland en Zuid gaat 4% van de nog leerplichtige 12-16 jarigen echter niet naar school, hetgeen overigens gelijk is aan het landelijk gemiddelde (4,5%). De reden waarom deze jongeren niet naar school gaan is niet bekend.
De meeste niet-schoolgaande jongeren van 18-26 jaar hebben een baan. De jeugdwerkloosheid is relatief laag. Van de 18-23 jarigen is 5% werkloos en van de 24-26 jarigen 3%. De werkloosheid hangt sterk samen met een onvoldoende startkwalificatie voor de arbeidsmarkt. Het niet hebben van een startkwalificatie houdt in dat een jongere te laag is opgeleid om een goede uitgangspositie op de arbeidsmarkt te verwerven. Uit de GGD-jongerenenquete blijkt dan ook dat van de werkloze jongeren 63% geen startkwalificatie heeft. Dit beeld wordt bevestigd door de gegevens van de arbeidsbureaus. In totaal staan in de drie regio's ruim 3.000 niet-werkende werkzoekenden jonger dan 23 jaar geregistreerd. Ruim twee derde heeft een opleidingsniveau op ten hoogste lager beroepsonderwijs of Mavo-niveau. Een opvallend groot deel, nagenoeg twee derde (bijna 2.000 personen), is overigens afkomstig uit regio Zuid. De jeugdwerkloosheid is in Zuid omvangrijker dan in de, voor wat betreft bevolkingsomvang, vergelijkbare regio Noord waar 800 niet-werkende werkzoekenden jonger zijn dan 23 jaar. Volgens het Arbeidsbureau Rijnmond is in regio Zuid bijna de helft (45%) van de werkloze jongeren direct bemiddelbaar, het overige deel (55%) echter niet. Op welke termijn de wel en niet direct bemiddelbaren in de praktijk werk vinden is niet bekend.
Uit de beschikbare gegevens blijkt dat bij de arbeidsbureaus met name de op de arbeidsmarkt kwetsbare, laag-opgeleide allochtone jongeren zijn geregistreerd. In hoeverre zij deze jongeren ook daadwerkelijk adequate hulp kunnen bieden bij het vinden van een baan is onduidelijk. Vooral in regio Zuid levert de bemiddeling van de arbeidsbureaus bij het vinden van een baan problemen op, gezien het relatief hoge aantal geregistreerde jongeren. De vraag is of de kansverbeteringstrajecten vanuit kwantitatief en kwalitatief oogpunt nog voldoende zijn en of ze wel aansluiten op de behoefen van deze werkzoekende jongeren.
Gezondheid
De gezondheid van de jongeren in de drie regio's is in het algemeen goed, vinden zij zelf. Volgens ruim 90% van de jongeren is de eigen gezondheid goed tot uitstekend. Het gebruik van genotmiddelen (alcohol, tabak en drugs) is in de drie regio's lager dan vergelijkbare landelijke cijfers. Ook gokken de jongeren in de drie regio's enigszins minder dan landelijk het geval is. Bij de geestelijke gezondheid is gekeken naar indicaties voor psychosociale problematiek. Met name jonge vrouwen tussen de 15-23 jaar, allochtonen en jongeren in de meer verstedelijkte gemeenten blijken vaker psychosociale problemen te hebben. Ook bij jonge kinderen van 5-6 jaar worden psychosociale problemen vaker vastgesteld bij allochtone kinderen, kinderen afkomstig uit gezinnen met een lage sociaal-economische status en kinderen woonachtig in de grotere gemeenten. Een verschil met de oudere kinderen is dat vaker bij jongens van 5-6 jaar dan bij meisjes van deze leeftijd psychosociale problemen worden vastgesteld. In deze leeftijdscategorie komen ook meer jongens dan meisjes bij de RIAGG's. Het gebruik van de RIAGG's is tevens hoger in de grotere steden, met name in Alphen aan de Rijn en Gouda. Gegevens over etniciteit zijn bij de RIAGG's niet beschikbaar.
Het afgelopen jaar is met de start van de Bureaus Jeugdzorg getracht de kwetsbare jongeren beter te bereiken onder meer door de contacten met de scholen aan te halen. Op scholen is de aandacht voor de interne zorgstructuur toegenomen. Naast andere instellingen participeert Bureau Jeugdzorg vaak in deze structuren. Een verbeterde zorgstructuur kan leiden tot het eerder signaleren van problemen bij leerlingen en sneller doorverwijzen naar jeugdzorg. In de praktijk blijkt echter dat door de verbeterde interne zorgstructuren leerlingen langer binnen de school worden begeleid. De contacten tussen scholen en de jeugdhulpverlening dienen dan ook verder te worden geïntensiveerd.
Criminaliteit
De jeugdcriminaliteit in de drie regio's is lager dan het landelijk gemiddelde. Uit de zelfrapportage gegevens uit de GGD-jongerenenquête (1999) blijkt dat jongens van 15-17 jaar de meeste delicten plegen. Jongeren uit eenoudergezinnen en allochtone jongeren plegen relatief vaak delicten. Dit wijkt overigens niet af van het landelijke beeld.
Cijfers over door de politie aangehouden jongeren in de drie regio's zijn lastig te vergelijken met landelijke cijfers. De beschikbare cijfers zijn enigszins gedateerd (1995/1996) en slechts voor een periode van twee jaar bekend. Gebruikelijker is een periode van een jaar te nemen.
Gegevens over de ernst van de door jongeren gepleegde delicten en de criminele carriere van jongeren zijn niet beschikbaar. Uit de case-study naar jeugdcriminaliteit in de regio Noord blijkt echter dat de capaciteit van de projecten niet volledig wordt benut doordat de instroom achterblijft bij de verwachtingen. Projecten die zich richten op de harde kernjongeren blijken bovendien voor een deel jongeren te begeleiden die voor lichtere vergrijpen zijn aangehouden of niet bij de politie bekend zijn.
Zorg voor de jeugd
In deze jeugdrapportage is getracht meer zicht te krijgen op de problemen van jeugdigen in het dagelijkse leven. Nagegaan is welke factoren samenhangen met psychosociale problemen en deviant gedrag, zoals een relatief hoog drugs- en alcoholgebruik, gokken en criminaliteit. Uit de GGD-Jongerenenquête (1999) blijkt dat van alle jongeren van 12-16 jaar in de drie Zuid-Hollandse regio's 30% een indicatie heeft voor psychosociale problematiek en 17% veel deviant gedrag vertoont. Overigens is er sprake van een samenhang tussen psychosociale problematiek en deviant gedrag: jongeren met een indicatie voor psychosociale problematiek vertonen vaker deviant gedrag. Omgekeerd geldt dat jongeren die veel deviant gedrag vertonen vaker een indicatie voor psychosociale problemen hebben. Dit zijn de jongeren met een potentiële hulpvraag naar zorg. Niet al deze jongeren hebben echter directe behoefte aan zorg. Voor een groot deel hangt het gedrag van jongeren samen met de levensfase, meestal de adolescentiefase, en is het gedrag van voorbijgaande aard. De meeste jongeren (78%) geven bovendien aan belangrijke personen in hun omgeving te hebben, waar zij met hun problemen waarover zij veel piekeren (zoals hun eigen identiteit, school en relaties) terecht kunnen. Vaak is dit een van de ouders of een vriend of vriendin.
Uit nadere analyses blijkt dat met name jongeren die geen goed contact hebben met hun ouders vaker psychosociale problemen hebben en meer deviant gedrag vertonen. In de GGD-Jongerenenquête is tevens gevraagd naar de contacten van jongeren met hulpverleningsinstellingen in de afgelopen 12 maanden. Hieruit blijkt dat hulpverleningsinstellingen vooral de jongeren bereiken met een indicatie voor psychosociale problematieken en in iets mindere mate de jongeren met een hoge(re) score op deviant gedrag. Jongeren met een indicatie voor psychosociale problematiek, vooral meisjes geven aan relatief vaak contact te hebben met de RIAGG of het maatschappelijk werk. Jongeren met veel deviant gedrag, met name jongens, hebben eveneens relatief vaak contact met de RIAGG en het maatschappelijk werk, eveneens echter met de Bureaus Jeugdzorg, de Raad voor de Kinderbescherming en de verslavingszorg. In ieder geval bereikt de jeugdzorg een deel van de meest kwetsbare jongeren met psychosociale problematiek en deviant gedrag.
Toekomst
Een algemene conclusie over het bereik van de jeugdzorg onder kwetsbare jongeren is lastig. Er is nog te weinig informatie beschikbaar over de achtergronden en problematiek van de cliënten in de jeugdzorg. Dit wordt onder andere veroorzaakt door een onvolledige wijze van registreren binnen instellingen en organisaties, dan wel door onvoldoende op elkaar afgestemd zijn van registratiesystemen van verschillende instanties. Ook het feit dat registraties niet op individueel niveau beschikbaar zijn beperkt het inzicht in de achtergronden van cliënten. Hierdoor is het niet mogelijk om in een vroegtijdig stadium de signalen van diverse instanties te onderkennen en daarmee beter inzicht te krijgen in factoren die bij jongeren een mogelijk risico inhouden voor de (geestelijke) gezondheid of voor deviant gedrag.
In deze jeugdrapportage is een eerste aanzet gegeven om risicogroepen vroegtijdig te signaleren. Deze activiteiten dienen in de toekomst verder te worden uitgewerkt. Uit de analyses wordt duidelijk dat overmatig alcoholgebruik onder jongeren de afgelopen jaren is toegenomen. Verder blijkt het gebruik van cannabis een belangrijke factor te zijn die met crimineel gedrag samenhangt. Op dit moment bestaat er echter weinig zicht op het (soft-)drugsgebruik binnen de jeugdzorginstellingen. Nader onderzoek kan hierover meer informatie geven, waarbij tevens kan worden geïnventariseerd welke regels de verschillende instellingen hanteren om met (soft-)drugsgebruik om te gaan.
Voor een goed overzicht van vraag en aanbod van de jeugdhulpverlening en de problematiek van jongeren is het belangrijk dat deze gegevens systematisch worden bijgehouden en dat bestaande registratiesystemen in elk geval gedeeltelijk op elkaar worden afgestemd. In het kader van een betere vergelijkbaarheid is het wenselijk de geografische indelingen (van politie, Bureau Jeugdzorg, RIAGG, leerplicht et cetera) beter op elkaar af te stemmen, waardoor verschillende aspecten van de jeugd(hulpverlening) beter met elkaar in verband kunnen worden gebracht.
In de case-studies zijn enkele knelpunten duidelijk geworden, waaraan in de toekomst aandacht dient te worden besteed. Voor wat betreft de jeugdcriminaliteit lijkt het verstandig dat de verschillende instanties en projecten meer en beter met elkaar gaan samenwerken, zodat krachten en middelen kunnen worden gebundeld. Ook zouden projecten gericht op preventie van jeugdcriminaliteit een grotere meerwaarde kunnen hebben indien over en weer met de reguliere jeugdzorg (dus afgezien van de jeugdreclassering) meer zou worden verwezen en samengewerkt. Enkele jongeren worden door de onderzochte projecten minder goed bereikt. Vanwege de indeling op basis van harde kern jongeren en first offenders blijft de groep 12-minners buiten beeld. Gevolg hiervan is dat te weinig informatie bekend is over 13/14 jarigen die zich al eerder aan het plegen van delicten hebben schuldig gemaakt. Belangrijk is om aan dit knelpunt aandacht besteden, zodat ook deze groep in beeld komt bij de projecten gericht op preventie van jeugdcriminaliteit. In het algemeen worden jongeren die een relatief zwaar delict hebben gepleegd moeilijker bereikt door dergelijke projecten vanwege de trend dat deze jongeren eerder worden vastgezet of een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opgelegd krijgen. Om deze jongeren toch te bereiken kan naast de reclassering intensieve(re) hulpverlening worden aangeboden tijdens detentie.
Uit de case-studie opvoedingsondersteuning blijkt dat de verwijzing naar hulpverleningsinstanties om diverse redenen moeilijk verloopt. Om dit te verbeteren is het noodzakelijk maatwerk te bieden aan de diverse groepen clinten. Dit kan inhouden dat voor allochtone cliënten meer tijd wordt ingeruimd en dat voor sommige groepen huisbezoek mogelijk wordt gemaakt. Tevens dient aandacht te worden besteed aan het verbeteren van de communicatie tussen allochtonen en hulpverleningsinstanties bijvoorbeeld door meer gebruik te maken van tolken.
Zowel in de case-studie opvoedingsondersteuning als in de case-studie onderwijs en zorg worden door de geïnterviewden de wachttijden bij de jeugdzorg als knelpunt ervaren. Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk vier waarin dieper op de wachtlijstproblematiek wordt ingegaan.
Bij de ontwikkeling van de scholen en de jeugdzorg naar een goede afstemming tussen de interne zorg op scholen en de hulpverleningsmogelijkheden binnen de jeugdzorg is het van belang de communicatie tussen beide partijen te structuren. Met name de scholen hebben behoefte aan deskundigheid en informatie die aanwezig is binnen de jeugdzorg. Volgens de geïnterviewden is het belangrijk dat op scholen een goed signaleringssysteem bestaat, zodat problemen onder leerlingen vroegtijdig worden ontdekt. Het oppikken van deze signalen lijkt in eerste instantie een taak voor de mentor, maar kan ook door andere leerkrachten worden gedaan. Om te zorgen dat leerkrachten in staat zijn een dergelijke rol te vervullen, kan worden gedacht aan het bevorderen van hun kennis over mogelijke problemen bij jongeren door Bureau Jeugdzorg. Wanneer naar voren komt dat een leerling problemen heeft, kan een team van verschillende disciplines zich buigen over de mogelijkheden van begeleiding. Belangrijk is dat de leerkracht niet te lang alleen met een leerling bezig is, terwijl de problemen eigenlijk te zwaar zijn. Het multidisciplinair team kan besluiten welke begeleiding noodzakelijk is. Dit kan variëren van lichte begeleiding door een mentor tot verwijzing naar een externe instantie.
De visie van Bureau Jeugdzorg is dat bij de ontwikkeling naar zorgprogramma's, scholen zelf de regie dienen te voeren bij het opbouwen van de interne zorgstructuur. Bureau Jeugdzorg kan daarbij haar deskundigheid leveren. Met de ontwikkeling tot een interne zorgstructuur komt vanzelf de vraag naar jeugdzorg in beeld, waarvoor Bureau Jeugdzorg diensten kan leveren. Volgens Bureau Jeugdzorg is het verder van belang dat dienstverleners zoals jeugdzorg, GGD en Schoolbegeleidingsdienst hun werkzaamheden beter op elkaar afstemmen.
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.