INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies<
 
Geen Kinderspel
Hoofdstuk 7    Conclusies en aanbevelingen
De laatste tijd staan kinderen en jongeren weer meer dan ooit in de belangstelling, meestal naar aanleiding van negatieve berichten over onder meer de toegenomen agressie en criminaliteit. Ook door het Groningse project Kinderwerk '90 en de Buurtnetwerken jeugdhulpverlening 0-12 jaar Paddepoel/Tuinwijk/Selwerd en Vinkhuizen is de afgelopen jaren in toenemende mate agressief gedrag onder kinderen gesignaleerd. Dit is aanleiding geweest voor de gemeente Groningen, afdeling Stadsdeelcoördinatie, onderzoek- en adviesbureau Intraval opdracht te geven tot een onderzoek. De vraagstelling van het onderzoek luidt als volgt:
Wat is de aard en de omvang van het agressieve gedrag door kinderen van 3-12 jaar in het stadsdeel Noordwest-Groningen (Paddepoel, Tuinwijk, Selwerd en Vinkhuizen)?
Het onderzoek bestaat uit verschillende onderdelen: een literatuurstudie; een interviewronde onder sleutelinformanten en betrokkenen uit de wijken; een systematische inventarisatie van agressie door leerkrachten en groepsleiders (door middel van observatie); en een enquête over agressie en pesten onder leerlingen van groep zes, zeven en acht van het basisonderwijs. In totaal zijn 22 sleutelinformanten geïnterviewd, 201 kinderen ondervraagd en 876 kinderen geobserveerd door leerkrachten en groepsleiders. Dit laatste is ruim een derde van alle kinderen in de leeftijd van 3-12 jaar uit het stadsdeel Noordwest-Groningen. In de diverse delen van het onderzoek is de problematiek op een verschillende wijze benaderd. De onderdelen tezamen geven een adequaat en betrouwbaar beeld van de agressie van kinderen in het stadsdeel Noordwest-Groningen. Het gaat hier echter om een momentopname, hetgeen betekent dat geen uitspraken kunnen worden gedaan over een toe- of afname van de agressie. Hiervoor is het nodig de inventarisatie in de toekomst te herhalen.
7.1    Samenvatting
In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies uit de verschillende onderdelen van het onderzoek weergegeven.
Literatuur
Onder agressie van kinderen wordt gedrag verstaan waarmee een kind schade berokkent aan mensen, dieren en voorwerpen, terwijl het weet dat dit gedrag kwalijke gevolgen heeft voor anderen. De uitingsvormen van agressie veranderen met de leeftijd. Terwijl fysieke agressie vanaf de peutertijd is waar te nemen, ontwikkelt de verbale en sociale agressie (pesten en buitensluiten) zich pas in de loop van de kinderjaren.
Agressief gedrag van kinderen kent velerlei oorzaken. Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen determinanten binnen en buiten de pedagogische invloedssfeer. Bij determinanten buiten de pedagogische invloedssfeer gaat het bijvoorbeeld om biologisch-genetische factoren, de sociaal-economische klasse waartoe het gezin behoort en de mate van informele controle in de buurt. Binnen de pedagogische invloedssfeer is er sprake van een complexe wisselwerking tussen enerzijds agressie bevorderende persoonlijkheidskenmerken van het kind, zoals een negatief zelfbeeld, en anderzijds agressie bevorderende (opvoedings)omstandigheden in de sociale omgeving van het kind, te weten het gezin, de school en de vriendengroep. Gedacht kan worden aan te weinig gedragssturing in het gezin, een inadequate onderwijsstijl, negatief voorbeeldgedrag van ouders en vrienden, etcetera.
Aangezien een relatie bestaat tussen problemen in de kindertijd en problemen tijdens de tienerjaren en de volwassenheid, is vroegtijdige interventie en preventie van agressieve problemen zeer belangrijk. De sociale leertheorie laat zien dat agressieve gedragingen van kinderen kunnen worden verminderd door deze systematisch te negeren en positief gedrag te belonen. Dit effect wordt versterkt wanneer er tevens sprake is van positief voorbeeld-leren. Uit de literatuur wordt duidelijk dat belangrijke aandachtspunten bij preventie en interventie van agressief gedrag zijn: het bevorderen van basisveiligheid en een positief zelfbeeld in de vroege jeugd; het bieden van consistente richtlijnen voor gedrag; het scheppen van condities die bevorderlijk zijn voor het internaliseren van duidelijke normen als richtlijn voor gedrag; en het aanbieden van verschillende manieren van conflictoplossing, zodat het kind niet hoeft terug te vallen op de 'agressieve' oplossing.
Pesten is een vorm van agressie waarbij een kind herhaaldelijk blootstaat aan negatieve handelingen verricht door één of meerdere personen. Pesterijen hebben zowel voor het slachtoffer als voor de dader grote gevolgen. De slachtoffers vertonen meer depressieve symptomen en lopen als gevolg daarvan een verhoogd risico op andere problemen, zoals slechte schoolprestaties, schoolverzuim, psychosociale en gezondheidsproblemen. Daders lopen later als adolescent, in vergelijking met leeftijdsgenoten, een verhoogde kans op betrokkenheid bij criminaliteit.
Negatieve opvoedingskenmerken beïnvloeden het pestgedrag van kinderen, maar belangrijk is ook de sfeer in de groep. In sommige groepen is de concurrentie groot, worden alleen de sterksten gehoord, worden besluiten doorgedrukt, etcetera. In een dergelijke groep is de kans groot dat een zondebok wordt aangewezen. De leerkracht kan dit voorkomen door de negatieve groepsprocessen te onderbreken en te sturen, zelfs nog voordat er negatieve groepsnormen en omgangsvormen ontstaan. Verder is toezicht van belang. Bij bijna alle vormen van collectieve agressie is er sprake van een voorhoede van gangmakers. Zij worden als gedragsmodel gezien voor de meer passief ingestelde meerderheid. Deze meelopers nemen het gedrag alleen over wanneer ze zich kunnen verschuilen in de massa. Voldoende toezicht maakt dit onmogelijk. Voor een gedegen aanpak van pesten is een integrale aanpak noodzakelijk. Een voorbeeld is de vijfsporenaanpak, bestaande uit: hulp aan het slachtoffer, hulp aan de dader, het mobiliseren van de zwijgende meerderheid in de groep, advies aan leerkrachten en advies aan ouders.
   
Sleutelinformanten
Uit de interviews met de sleutelinformanten kunnen enkele belangrijke conclusies worden getrokken. Zo is iedereen van mening dat de kinderen uit Noordwest-Groningen in het algemeen nogal prikkelbaar of lichtgeraakt zijn. De kinderen hebben de neiging hun emoties direct te tonen, veelal op een agressieve wijze. Naar de mening van de sleutelinformanten wordt in Noordwest dan ook meer dan in sommige andere delen van de stad direct geslagen of gevochten. Ook is er sprake van veel direct verbale agressie, zoals schelden of bedreigen. De verschillende wijken worden voor wat betreft de mate van agressie van (relatief) laag naar hoog door de sleutelinformanten op de volgende wijze gerangschikt: a. Selwerd en Paddepoel-Noord; b. Vinkhuizen-Noord; c. Vinkhuizen-Zuid, Paddepoel-Zuid en Tuinwijk.
Volgens de sleutelinformanten kan de mate van agressie van de kinderen niet los worden gezien van de algemene, sociaal-economische situatie in de wijken: hoe lager het sociale milieu, des te meer agressie er wordt waargenomen. Verder wordt de nadruk gelegd op de thuissituatie. In vergelijking met de school, de buurt en de vriendenclub, is de thuissituatie en de opvoedingsstijl in de ogen van de sleutelinformanten verreweg de meest bepalende factor. Noordwest-Groningen telt relatief veel probleemgezinnen, gezinnen waarin sprake is van meervoudige problematiek. Voor wat betreft de opvoedingsstijl wordt gesproken over commandogezinnen, kinderen op afstandsbediening en verwaarlozing. Ook neemt men in toenemende mate opvoedingsproblemen waar. Het stellen van duidelijke en eenduidige grenzen lijkt hierbij het grootste probleem. De meeste sleutelinformanten zijn het erover eens dat de opvoedingsondersteuning over de gehele linie moet worden uitgebreid.
Op het niveau van de school lijken leerkrachten in het algemeen slecht in staat de zondebokken in de klas te herkennen en vervolgens de situatie in de groep te veranderen. Verder kennen sommige delen van Noordwest-Groningen veel (buurt)conflicten. Daarnaast laat het zich omschrijven als een gebied waarin de sociale participatie laag is. Zowel bij de volwassenen als bij de kinderen is vaak sprake van verveling. Ook is de situatie in de wijken niet altijd even vriendelijk of veilig voor kinderen. Tot slot blijken groepen rondhangende jongeren vanuit het voortgezet onderwijs een grote aantrekkingskracht uit te oefenen op een deel van de kinderen in de hoogste groepen van het basisonderwijs. Deze rondhangende jongeren zijn in de ogen van de sleutelinformanten verantwoordelijk voor het grootste deel van het vandalisme in de wijk.
Uit dit alles blijkt dat een plan van aanpak inzake agressie van kinderen zich zal moeten richten op alle levensgebieden van ouder en kind. Naast de algemene aanpak van de sociaal-economische achterstand in Noordwest-Groningen en uitbreiding van de opvoedingsondersteuning, dient daarom aandacht te worden besteed aan: aanpak probleemgezinnen, pesten, ouderparticipatie, buurtparticipatie en buurtbeheer.
Systematische inventarisatie agressie
Met behulp van een inventarisatielijst met daarop de meest voorkomende agressieve handelingen van kinderen, hebben leerkrachten van basisscholen en groepsleiders van peuterspeelzalen, het sociaal-cultureel kinderwerk en speeltuinverenigingen gedurende een week bijgehouden welk agressief gedrag in hun groep is waar te nemen. Op deze wijze is informatie verzameld over 876 kinderen; 38% van alle kinderen van 3-12 jaar in het stadsdeel Noordwest-Groningen. Voor zover bekend is dit de eerste keer dat de agressie van kinderen binnen een bepaald gebied op een dergelijke systematische wijze is vastgesteld. Dit houdt echter tevens in dat geen vergelijkingsmateriaal voorhanden is. Om te weten in hoeverre Noordwest-Groningen afwijkt van overige stadsdelen is een herhaling van de inventarisatie in andere delen van de stad noodzakelijk. De belangrijkste bevindingen van de systematische inventarisatie zijn:
- ruim een derde van de kinderen heeft gedurende de observatieperiode agressie vertoond, met name direct fysiek gedrag zoals duwen, slaan en schoppen;
- gedurende de observatieperiode heeft de helft van de jongens agressief gedrag vertoond tegenover een kwart van de meisjes;
- de jongere kinderen vertonen veel direct fysieke agressie. Vroeger dan gebruikelijk vertonen kinderen in Noordwest-Groningen echter ook al verbale agressie. Met het stijgen van de leeftijd neemt de verbale en sociale agressie (pesten en buitensluiten) toe;
- er zijn geen verschillen geconstateerd tussen allochtone en autochtone kinderen;
- de meeste agressie is geregistreerd in het kinderwerk en bij de speeltuinverenigingen, het minst op de basisscholen. Dit verschil wordt onder meer veroorzaakt doordat de situatie in het klaslokaal de meest gestructureerde situatie is. Verder zijn om onderzoekstechnische redenen de kinderen op de basisscholen niet tijdens de pauzes geobserveerd. Juist hier vindt de meeste agressie plaats;
- het blijkt dat binnen de speeltuinverenigingen en het kinderwerk relatief veel verbale agressie wordt vertoond;
- in de wijken is de meeste agressie waargenomen in Vinkhuizen-Zuid, maar ook Vinkhuizen-Noord, Paddepoel-Zuid en Tuinwijk scoren hoog. In Paddepoel-Noord is de minste agressie waargenomen, Selwerd scoort licht beneden het gemiddelde;
- een klein deel van de kinderen (6%) vertoont agressieve problemen, zij zijn per dagdeel twee keer of vaker agressief. In de jongste (2-3 jaar) en de oudste (10-12 jaar) leeftijdsgroep worden relatief veel kinderen aangetroffen met agressieve problemen.
Enquête agressie en pesten
Onder 201 kinderen in de bovenbouw van het basisonderwijs is een enquête afgenomen over agressie en pesten. Er is gebruik gemaakt van de Klasgenoten Relatie Vragenlijst (junior) van Olweus (1989). Deze vragenlijst is voor dit onderzoek aangepast en uitgebreid. Naast pesten op school zijn vragen opgenomen over pesten in de buurt, en meer in het algemeen over ruzie maken en het vernielen van spullen. De belangrijkste bevindingen zijn:
- het stadsdeel Noordwest-Groningen telt evenveel zondebokken als het landelijk gemiddelde. Het aantal pestkoppen is echter beduidend hoger. Dit betekent dat de kinderen die worden gepest in Noordwest-Groningen het in verhouding zwaarder te verduren hebben dan zondebokken elders in Nederland;
- het percentage zondebokken onder meisjes en jongens is ongeveer gelijk. De jongens zijn echter vaker de pestkoppen;
- een vergelijking tussen de wijken maakt duidelijk dat op de scholen in Paddepoel meer pestkoppen zijn en aanzienlijk meer zondebokken dan in Vinkhuizen en Selwerd. Ook ten aanzien van pesten in de wijk scoort Paddepoel hoog. Selwerd scoort op alle fronten lager, behalve wanneer het gaat om het vernielen van voorwerpen. Overigens bezoeken de kinderen uit Tuinwijk scholen in Paddepoel en Selwerd;
- uit de inventarisatie door leerkrachten komt Vinkhuizen naar voren als de wijk met de meeste agressie, uit de enquête onder leerlingen komt Paddepoel naar voren als de wijk waarin het meest wordt gepest. Wellicht hebben leerkrachten in Paddepoel minder zicht op agressie en pesten in hun groep dan elders;
- groep zes heeft in verhouding het grootste percentage pestkoppen. De kinderen uit groep zes pesten aanzienlijk vaker kinderen op school en in de buurt, ze maken vaker ruzie en ze hebben een relatief positieve houding ten aanzien van pesten in vergelijking met de kinderen uit groep zeven en acht;
- per groep of klas van 25 kinderen wordt in Noordwest-Groningen één kind indirect gepest (buitengesloten) en drie kinderen direct gepest met relatief open uitingen van agressie. Een dergelijke klas telt gemiddeld drie tot vier kinderen die zelf pesten op school en vijf kinderen die pesten in de buurt. Tien kinderen staan positief ten opzichte van pesten, ze vinden het bijvoorbeeld normaal dat andere kinderen worden gepest en doen zelf onder bepaalde omstandigheden mee;
- tenslotte valt op dat naarmate kinderen een meer positieve houding hebben ten aanzien van pesten ze niet alleen meer pesten op school en in de buurt, maar ook meer ruzie maken en spullen vernielen.
7.2    Preventie en interventie
In deze paragraaf worden de belangrijkste conclusies uit de voorgaande paragraaf nader ingevuld met concrete aanbevelingen voor de preventie en interventie van agressief gedrag onder kinderen. De aanbevelingen zijn mede tot stand gekomen na de presentatie en bespreking van de belangrijkste onderzoeksbevindingen met de deelnemers van de buurtnetwerken en overige betrokkenen die hebben meegewerkt aan het onderzoek. In Vinkhuizen was de animo groot, in Paddepoel/Selwerd/Tuinwijk viel de opkomst tegen. Er is met name gesproken over een nadere invulling van de volgende onderwerpen: opvoedingsondersteuning; ouderparticipatie; buurtparticipatie; buurtbeheer; plan van aanpak pesten; en aanpak probleemgezinnen. Allereerst wordt echter kort ingegaan op de houding ten aanzien van agressie.
Houding ten aanzien van agressie
Het doel van opvoedingsondersteuning is onder meer ouders te stimuleren tot het bieden van duidelijkheid, structuur en een positieve houding ten opzichte van het kind. Wellicht ten overvloede wordt hier nog eens benadrukt dat ook de instellingen en instanties in de wijken hierbij een belangrijke verantwoordelijkheid hebben. Juist wanneer de kinderen van huis uit weinig structuur en positieve aandacht krijgen, behoort dit in de benadering van de kinderen een belangrijk aandachtspunt te zijn. Bij agressie is naast duidelijke regels en het eenduidig toepassen van deze regels noodzakelijk dat kinderen positief worden benaderd, hetgeen onder meer inhoudt dat ze niet alleen worden gestraft bij overtreding van de regels, maar dat hen ook gedragsalternatieven worden aangeboden.
Een leeftijdsgroep die hierbij speciale aandacht verdient zijn de kinderen uit de hoogste klassen van het basisonderwijs. Om te voorkomen dat ze zich aansluiten bij rondhangende jongeren vanuit het voortgezet onderwijs, is het zaak ook buiten de school veel structuur te bieden aan deze kinderen. Om deze kinderen te bereiken is het belangrijk dat de georganiseerde activiteiten goed aansluiten bij de interesses en leefwereld van deze kinderen. Wellicht kunnen mobiele speelvoorzieningen (methode Duimdrop) hierbij een rol spelen.
Aanbevelingen
  • Binnen het sociaal-cultureel kinderwerk en de speeltuinverenigingen is extra aandacht nodig voor verbale agressie, in de vorm van duidelijke regels en afspraken.
  • Aansprekende activiteiten voor kinderen van 10-12 jaar dienen (nog) meer prioriteit te krijgen.
Opvoedingsondersteuning en ouderparticipatie
Opvoedingsondersteuning is een belangrijk instrument bij het terugdringen van agressie onder kinderen. Belangrijk is dat instellingen, scholen en projecten de verantwoordelijkheid van ouders niet overnemen, maar ouders op de eigen verantwoordelijkheid in deze wijzen. Ouders moeten vooral handvatten worden geboden om die verantwoordelijkheid beter vorm te kunnen geven. Er is veelal sprake van onmacht bij de ouders, niet van onwil.
In het algemeen geldt dat hoe ouder het kind, des te moeilijker de opvoedingsstijl nog kan worden beïnvloed. Op jonge leeftijd hebben de inspanningen op het gebied van opvoedingsondersteuning meer effect. De opvoedingsondersteuning dient zich daarom vooral te richten op de leeftijdsgroep van 0-6 jaar. Hoe ouder het kind wordt, des te meer aandacht er kan worden besteed aan de kinderen zelf en de klas/groep waarin ze participeren (zie aanpak pesten). De thuiszorg speelt een belangrijke rol in de opvoedingsondersteuning bij de jongste leeftijdsgroep. Ze bereikt in het eerste levensjaar het overgrote deel van de gezinnen en heeft zowel een individueel als een groepsaanbod. Om dit volledig tot zijn recht te laten komen zijn extra (personele) middelen nodig. In wijken met veel gezins- en opvoedingsproblematiek, zoals Vinkhuizen-Zuid, Paddepoel-Zuid en Tuinwijk, zijn momenteel per kind echter evenveel middelen voorhanden als in wijken met een veel geringere problematiek. Een aanpassing van de verdeelsleutel ligt hier voor de hand.
   
Het bereiken van ouders voor opvoedingsondersteuning en ouderparticipatie is moeilijk en lijkt een steeds groter probleem te worden. In plaats van bij de pakken neer te gaan zitten is het belangrijk een methodiek te ontwikkelen om ouders te bereiken, met name zij die het meeste baat hebben bij de ondersteuning. Hiervoor is het nodig dat:
- de activiteiten specifiek worden afgestemd op de ouders die men wil bereiken. Het is belangrijker de juiste ouders te bereiken dan veel ouders te bereiken die niet tot de doelgroep behoren;
- de aanpak niet bedreigend en/of beschuldigend is. Het contact en de ondersteuning moet niet worden opgedrongen. Ouders krijgen dan snel het gevoel dat ze ervan worden beschuldigd een slechte opvoeder te zijn, hetgeen vaak weer leidt tot een afwerende reactie;
- de hulp laagdrempelig is. Voorbeelden van laagdrempelig(e) contact en ondersteuning zijn onder meer: de koffietafel op de peuterspeelzaal, waar ouders informatie met elkaar en de leidsters kunnen uitwisselen; de gesprekken van de wijkverpleegkundige tijdens huisbezoek; een project waarin ervaren ouders op bezoek gaan bij ouders met kinderen van 0-6 jaar, wanneer deze stress ervaren in de opvoeding; en een met steun vanuit het welzijnswerk opgezette kinderclub, door en voor vrouwen uit de buurt;
- de ondersteuning wordt aangeboden op bekende, vertrouwde en toegankelijke plaatsen, bijvoorbeeld consultatiebureaus, peuterspeelzalen, scholen of een buurtpand (zie buurtbeheer en buurtparticipatie). Hierbij spelen de werkers die een vertrouwensband met ouder en kind hebben opgebouwd, zoals de peuterspeelzaalleidster, zorgcoördinator of leerkracht, een belangrijke rol. Zij bieden laagdrempelige ondersteuning en verwijzen indien nodig door naar ondersteuning met een hogere drempel zoals de cursus 'Opvoeden Zo'.
Belangrijk is de continuïteit in de opvoedingsondersteuning. In de huidige situatie blijken ouders de koffietafel op de peuterspeelzaal vaak te missen wanneer het kind naar het basisonderwijs vertrekt. Op dat moment moeten ze het meestal stellen zonder de onderlinge steun en het contact met een vertrouwd persoon als de leidster of de schoolmaatschappelijk werker van vroeger. Zowel de scholen als de peuterspeelzalen missen deze schoolmaatschappelijk werker. Er bestaat grote behoefte aan een dergelijke centrale persoon die bekend is bij de ouders, aanzit bij de koffietafel, huisbezoeken aflegt, etcetera. Peuterspeelzalen en scholen hebben hiervoor extra middelen nodig, ofwel om zelf (gezamenlijk) een dergelijke persoon aan te stellen, ofwel om (gezamenlijk) de ervaring en expertise van derden, zoals het maatschappelijk werk, in te huren. Vooral de Vensterschool kan met behulp van een dergelijke persoon in belangrijke mate bijdragen aan de continuïteit in de opvoedingsondersteuning.
Het project 'Opstapje' lijkt goed aan te slaan in Noordwest-Groningen, ook bij ouders waarvan werd verwacht dat ze moeilijk te bereiken zouden zijn. Het project richt zich in eerste instantie op taal en spel. Wellicht kunnen in de toekomst meer opvoedingsaspecten worden toegevoegd. Ook de ervaringen met de cursus 'Opvoeden Zo' zijn positief. Er wordt verondersteld dat de positieve reactie van de ouders ook anderen zal stimuleren mee te doen. Met name binnen de basisscholen is behoefte aan duidelijkheid omtrent de verantwoordelijkheden en uitvoering van deze projecten. Volgens hen verdient het aanbeveling om voor de uitvoering van de projecten anderen dan leerkrachten in te schakelen.
Aanbevelingen
  • Het is belangrijk dat ouders op het gebied van opvoeden meer vaardigheden verwerven. Om de (juiste) ouders te bereiken moeten de activiteiten die in het kader van opvoedingsondersteuning en ouderparticipatie worden ondernomen voldoen aan de volgende kenmerken: maatwerk, lage drempel, opbouwen vertrouwensband, stimuleren van contact en ondersteuning van ouders onderling.
  • Opvoedingsondersteuning dient met name te worden gericht op de leeftijdsgroep 0-6 jaar. De thuiszorg speelt een belangrijke rol in de opvoedingsondersteuning bij de jongste leeftijdsgroep. Hiervoor zijn binnen de thuiszorg extra middelen noodzakelijk en/of een aanpassing van de verdeling van de middelen over de diverse wijken.
  • Er is behoefte aan een centrale contactpersoon voor de ouders, die is vrijgesteld van overige taken. Deze contactpersoon dient tevens de continuïteit in de opvoedingsondersteuning te waarborgen. Verder verdient het aanbeveling de huidige projecten en cursussen opvoedingsondersteuning uit te breiden. Voor dit alles zijn extra (personele) middelen nodig voor de peuterspeelzalen en basisscholen.
Pesten
Gezien de mate waarin wordt gepest door kinderen lijkt het noodzakelijk dat scholen en andere instellingen zoals het sociaal-cultureel werk in Noordwest-Groningen kiezen voor een gedegen en structurele aanpak. Een integrale aanpak van pesten richt zich op het slachtoffer, de dader, de zwijgende meerderheid in de groep, de ouders en de leerkrachten (vijfsporenaanpak). Van een dergelijke structurele aanpak is in (Noordwest) Groningen (nog) te weinig sprake. Ook de preventie van pesten laat (nog) te wensen over.
Er zijn verschillende organisaties die op het gebied van pesten een aanbod doen richting de scholen. Zo verzorgt de werkgroep pesten (coördinatie Jeugdzorg Groningen), de GGD en het ABCG een aanbod dat vooral is gericht op de ouders en de leerkrachten c.q. het schoolteam. Ook worden materialen aangeboden. Hiervan wordt echter te weinig daadwerkelijk gebruik gemaakt door de scholen. Verder verzorgt de RIAGG twee keer per jaar een cursus weerbaarheid voor slachtoffers. Deze cursus wordt echter niet op locatie aangeboden (op de betreffende school) en kent mede daardoor relatief weinig aftrek.
Van de kant van de scholen bestaat er doorgaans wel zorg om agressie en pesten op school, maar van een structureel beleid is meestal geen sprake. Zo is er maar één school in Noordwest-Groningen die gebruik maakt van het landelijk pestprotocol, een goed handvat voor een integrale benadering. In de aanpak van pesten ontbreekt het dan ook vaak aan continuïteit. De belangrijkste taak van leerkrachten is het lesgeven in de reguliere schoolvakken. Daarnaast wordt het schoolteam door de diverse fusies, de invoering van de Vensterschool, etcetera, blootgesteld aan veel veranderingen. Het resultaat is dat de aanpak van pesten niet de hoogste prioriteit heeft op scholen. Men is bovendien van mening dat er onvoldoende tijd en middelen beschikbaar zijn om een gedegen pestenaanpak vorm te geven. Opmerkelijk is dat alle scholen in Noordwest-Groningen worden geconfronteerd met pestgedrag van de leerlingen, maar dat iedere school zich hier op eigen wijze mee bezig houdt en probeert het negatieve gedrag uit te bannen. Ze onderhouden over dit onderwerp relatief weinig contact met elkaar, laat staan dat er sprake is van samenwerking.
Voor de preventie van agressie is (structurele) aandacht voor negatieve groepsprocessen, omgangsvormen en groepsnormen van belang. Leerkrachten hebben echter nauwelijks het idee dat ze invloed kunnen uitoefenen op deze processen. Bijscholing op dit gebied is geen overbodige luxe. Verder is het belangrijk dat leerkrachten concrete (les)methoden en/of materialen krijgen aangereikt voor preventie. Deze materialen richten zich niet direct op pesten, maar op een positieve omgang met elkaar. Een voorbeeld van een dergelijk methode is 'The Good Behaviour Game' die is ontwikkeld binnen een groter programma over sociale en cognitieve vaardigheden ('Skills for life'). Het gaat om een methode voor het basisonderwijs die waarschijnlijk met weinig moeite geschikt kan worden gemaakt voor het sociaal-cultureel kinderwerk.
Het teamklimaat speelt een belangrijke rol in de preventie en interventie van agressie en pesten op school. De aanpak van agressie lukt het beste wanneer in het team openheid heerst over problemen in en met de groep en wanneer de teamleden zich verantwoordelijk voelen voor elkaar en elkaar steunen, eventueel met behulp van deskundigheid van buitenaf. Begeleiding van het team is belangrijk. Een extra kans doet zich voor bij fusies en de invoering van de Vensterschool. Het is belangrijk dat aandacht wordt besteed aan het goed begeleiden van de cultuurverandering die dit teweeg brengt.
Aanbevelingen
  • Het aanbod voor het aanpakken van pesten voor leerlingen en scholen (weerbaarheidstraining, anti-pestmateriaal, begeleiding en dergelijke) moet directer richting de school en op locatie worden aangeboden.
  • Scholen dienen te kiezen voor een structurele aanpak. Hiervoor kan een plan met betrekking tot preventie en interventie van pesten worden opgenomen in het schoolwerkplan. Ook verdient samenwerking tussen scholen onderling aanbeveling.
  • Voor een betere afstemming tussen de vraag van scholen en het aanbod aan materiaal en begeleiding is op korte termijn overleg noodzakelijk tussen scholen en de overige betrokken partijen. Daarnaast moet worden geïnventariseerd in hoeverre scholen extra middelen/taakuren nodig hebben voor (de introductie van) een gedegen aanpak van pesten.
  • Vooral in het kader van preventie is deskundigheidsbevordering bij leerkrachten noodzakelijk. Voor wat betreft het functioneren van het team is het belangrijk bij de invoering van bijvoorbeeld de Vensterschool de cultuurverandering goed te begeleiden.
Aanpak probleemkinderen en -gezinnen
De deelnemers aan de buurtnetwerken zijn van mening dat via de netwerkbenadering kinderen en gezinnen met problemen beter kunnen worden geholpen dan voorheen. Een knelpunt vormt echter de doorverwijzing in geval van zware problematiek of in crisissituaties. Dan loopt men vaak aan tegen wachtlijsten. In de aanpak van probleemkinderen en crisissituaties ontbreekt het met andere woorden aan voldoende coördinatie, garanties en informatie-uitwisseling tussen de eerste- en tweedelijns hulpverlening.
Voor de echte probleemgezinnen is hiernaast meer directe zorg in het gezin nodig. Vaak hebben ze al contact gehad met allerlei instellingen en heeft praten nog weinig nut. In dit opzicht zijn van belang: het eerstelijns project 'Basiszorg in de buurt' en het tweedelijns project 'Hulp aan huis'. Het eerste project zal in de loop van dit jaar als experiment worden ingevoerd. Ook voor deze projecten geldt dat goede relaties moeten worden gelegd met bijvoorbeeld de buurtnetwerken. Bovendien dient de doorstroom te worden gegarandeerd om wachtlijsten te voorkomen.
   
In Vinkhuizen komen het volgend jaar extra middelen beschikbaar voor het opvangen van probleemkinderen binnen de peuterspeelzalen. De extra middelen komen vooral ten goede aan kinderen met sociaal-emotionele problemen. In het kader van dit experiment is de capaciteit reeds vergroot. Verder zullen deze kinderen met voorrang kunnen worden geplaatst op een kinderdagverblijf, zodat ze meer dan twee dagdelen worden opgevangen. Ook voor Paddepoel/Selwerd/Tuinwijk is een dergelijke aanpak als in Vinkhuizen wenselijk. Belangrijk is dat een goede inventarisatie wordt gemaakt van hetgeen er reeds is aan kinderopvang en in welke delen van de wijk behoefte is aan extra middelen. Ook verdient het aanbeveling te inventariseren in hoeverre de groepsleid(st)ers binnen de kinderdagopvang en de peuterspeelzalen op dit moment voldoende deskundig zijn om kinderen met een sociaal-emotionele achterstand op te vangen. Vanuit het Onderwijs Voorrang Beleid wordt een aantal peuterspeelzalen in Noordwest-Groningen hierin reeds begeleid.
Aanbevelingen
  • In de samenwerking tussen de eerste en tweedelijns hulpverlening moeten meer concrete afspraken worden gemaakt en harde garanties worden gegeven over doorverwijzingen en crisisopnames. Verder moet Noordwest-Groningen worden aangemerkt als een prioriteitsgebied voor 'Basiszorg in de buurt'.
  • In de wijk Paddepoel/Selwerd/Tuinwijk dient een inventarisatie te worden gemaakt van het aanbod en de behoeften met betrekking tot de kinderopvang. In het algemeen geldt dat moet worden geïnventariseerd in hoeverre de deskundigheid van groepsleid(st)ers met betrekking tot sociaal-emotionele problematiek moet worden vergroot.
Buurtbeheer en buurtparticipatie
Het is belangrijk dat de buurt voor kinderen een veilige plek is om te gaan, te staan en te spelen. Volgens sommige sleutelinformanten uit Noordwest-Groningen is dit niet altijd het geval. Zo zouden enkele speelgelegenheden, zoals speelveldjes en speeltuintjes, onveilig, vernield of vervuild zijn. In dit kader zijn in Noordwest-Groningen enkele projecten 'eigen beheer' van belang, zoals het KOM-project in Tuinwijk en het project Jadestraat in Vinkhuizen. Ook elders in de wijken kunnen dergelijke projecten worden opgestart.
Verder bestaan er plannen om acht buurtmeesters in te stellen in Noordwest-Groningen. Het is belangrijk dat deze mensen over goede contactuele eigenschappen beschikken en naast de fysieke omgeving ook oog hebben voor de sociale omgeving en in staat zijn buurtbewoners te motiveren. Noordwest-Groningen kent verschillende probleembuurten en -straten. Er is onder meer sprake van werkloosheid, buurt- en gezinsconflicten, agressie tussen kinderen, alcohol- en drugsmisbruik, etcetera. Belangrijk is dat woningbouwverenigingen in de toewijzing van woningen rekening houden met de achtergrond van de bewoners en zorgen voor een goede spreiding. In dit verband is het goed dat er al meer samenwerking is ontstaan tussen woningbouwverenigingen en instanties als het wijkplatform en de politie.
Buurtparticipatie en buurtbinding kunnen worden vergroot wanneer buurtbewoners samen dingen doen en gezamenlijk verantwoordelijkheid hebben. Belangrijk is hierbij het eigen initiatief van bewoners te stimuleren en te ondersteunen. Een voorbeeld hiervan is de kinderclub in Vinkhuizen die door de moeders zelf is gestart vanwege de agressie in de buurt. Ze willen op deze manier de sociale controle versterken. Opvallend is dat deze moeders nu zelf komen met de vraag om opvoedingsondersteuning. Overigens worden doorgaans pas activiteiten georganiseerd wanneer zich problemen voordoen. Voorkomen moet worden dat de activiteiten doodbloeden wanneer de problemen zijn opgelost. Daarnaast is meer aandacht nodig voor positieve acties, zoals buurtfeesten en dergelijke. Deze zullen de sociale cohesie in de wijk versterken. Een voorbeeld van het positief stimuleren van de buurt is het beschikbaar stellen door de gemeente van een budget, bestemd voor het organiseren van activiteiten door en voor buurtbewoners.
Voor buurtparticipatie en een beter bereik van de instellingen is kleinschaligheid van groot belang. In de eerste plaats bereiken instanties en instellingen vaak alleen de bewoners uit de directe omgeving. Ook zijn de situatie en de behoeften in de diverse delen van de wijk verschillend. Dit houdt in dat instellingen, afgaande op de behoefte, op diverse plekken in de wijk aanwezig moeten zijn. In Paddepoel-Zuid is bijvoorbeeld minstens zoveel behoefte aan maatschappelijke hulpverlening als in Paddepoel-Noord. Bewoners uit Paddepoel-Zuid gaan echter niet makkelijk naar Paddepoel-Noord waar de voorziening is gevestigd. Ze bezoeken echter in grote getale de speeltuinvereniging in de buurt. Wanneer het maatschappelijk werk ook gebruik zou maken van deze locatie, zou ze haar bereik aanmerkelijk kunnen vergroten.
De eerste stap in het bereiken van ouders en buurtbewoners is het bieden van recreatieve activiteiten en gezelligheid op kleine schaal direct in de buurt. Dit kan binnen het sociaal-cultureel werk, de speeltuinverenigingen, maar ook door het instellen van buurtpanden. Dit zijn panden die de gemeente huurt, waar buurtbewoners activiteiten kunnen ontwikkelen. Belangrijk is te inventariseren of er momenteel voor alle groepen bewoners voldoende activiteiten en mogelijkheden worden geboden.
Aanbevelingen
  • Het instellen van goed gekwalificeerde buurtmeesters is belangrijk bij het verhogen van de veiligheid en leefbaarheid in de buurt. Binnen buurtbeheer en buurtopbouw moet daarnaast (nog) meer nadruk komen te liggen op het stimuleren van het eigen initiatief, onder meer door het uitbreiden van de projecten eigen beheer en positieve acties.
  • Het is raadzaam meer kleinschalige voorzieningen en activiteiten met een lage drempel te creëren, omdat deze de participatie aan en het bereik van de diverse instellingen en instanties in de wijk vergroten.
  • Het verdient aanbeveling enkele buurtpanden in Noordwest-Groningen in te stellen, waar buurtbewoners elkaar kunnen ontmoeten en activiteiten kunnen organiseren.
7.3    Tenslotte
In het algemeen moet worden voorkomen dat te veel (nieuwe) projecten naast elkaar worden georganiseerd. De indruk bestaat dat momenteel al heel veel gebeurt, met name in Vinkhuizen, alleen nog te versnipperd en met te weinig coördinatie en terugkoppeling. Bovendien blijkt men vaak niet van de verschillende activiteiten op de hoogte te zijn. Het is dan ook beter de krachten te bundelen en bestaande activiteiten te intensiveren in plaats van weer nieuwe projecten te starten.
Het terugdringen van agressie en pesten in Noordwest-Groningen vergt een integrale aanpak, waarin de diverse instellingen en instanties elkaar als bondgenoten zien en tegemoet treden. Een bondgenootschap is meer dan alleen informatie-uitwisseling. Het betekent afstemming en een gezamenlijke verantwoordelijkheid, waarbij gebruik wordt gemaakt van elkaars kennis, ervaring, contacten, (hulp)aanbod, gebouw, etcetera. In opzet is de Groninger Vensterschool een goed voorbeeld van een dergelijke manier van werken. Maar ook buiten de Vensterschool om is het belangrijk dat instellingen en instanties actief op zoek gaan naar bondgenoten. Vooral in Paddepoel/Selwerd/Tuinwijk laat de samenwerking tussen de instellingen soms te wensen over.
Het is van belang plekken in de wijk te creëren waar ouders en kinderen vrijwillig naar toe gaan vanwege de lage drempel en de recreatieve activiteiten. Het kan bijvoorbeeld gaan om een buurthuis, een buurtpand, de (Venster)school of de speeltuinvereniging. Overige instellingen en instanties, zoals het maatschappelijk werk, de jeugdhulpverlening en de werkgroep pesten kunnen deze locaties en activiteiten gebruiken als contact- en vindplaats. Wanneer de instellingen hun activiteiten op elkaar afstemmen of gezamenlijk activiteiten organiseren, wordt de contactlegging met ouders en buurtbewoners vereenvoudigd en zullen de projecten meer effect sorteren.
Het is goed stil te staan bij het feit dat een integrale aanpak van agressie en pesten niet onmiddellijk aanzienlijke resultaten te zien zal geven. Een adequate samenwerking tussen de instellingen, het vergroten van het vertrouwen en de participatie van ouders en buurtbewoners is een proces dat zijn tijd nodig heeft. Dit proces vergt een positieve instelling, geduld en doorzettingsvermogen van zowel de beleidsmakers als de uitvoerders. Verder zijn nog enkele opmerkingen richting de Vensterschool op zijn plaats. Ook binnen dit concept is het belangrijk dat niet voorbij wordt gegaan aan een laagdrempelig, recreatief aanbod om de ouders te bereiken. Wanneer de Vensterschool zich alleen zal presenteren als een educatief centrum, zullen ouders zich minder aangesproken voelen. Verder bestaat het gevaar dat te veel de nadruk wordt gelegd op uitsluitend de Vensterschool. De integrale en kleinschalige aanpak moet echter op verschillende plaatsen in de wijk terug te vinden zijn.
Tot slot nog het volgende. Een integrale aanpak van agressie houdt in dat er gezamenlijke inspanningen worden vereist van instellingen vanuit diverse beleidsvelden. Voorkomen moet worden dat de aanpak van agressie en pesten hierdoor verzandt in goede bedoelingen. Een eerste stap hiertoe is het verdelen van de verschillende te ondernemen activiteiten en verantwoordelijkheden over de beleidsvelden. Een concreet stappenplan kan vervolgens de benodigde stimulans vormen voor het daadwerkelijk uitvoeren van de integrale aanpak en de daartoe behorende activiteiten.
vorige   volgende
Colofon en inhoudsopgave
Voorwoord
Hoofdstuk 1    Inleiding
Hoofdstuk 2    Methodologische verantwoording
Hoofdstuk 3    Overzicht literatuur
Hoofdstuk 4    Opvattingen sleutelinformanten
Hoofdstuk 5    Inventarisatie agressie
Hoofdstuk 6    Pesten in het basisonderwijs
Hoofdstuk 7    Conclusies en aanbevelingen
Literatuur
Bijlage    Tabellen
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.