INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies<
 
Geen Kinderspel
Hoofdstuk 2    Methodologische verantwoording
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de methoden en technieken die zijn toegepast om de onderzoeksvraag te beantwoorden. Allereerst komt in paragraaf 2.1 de onderzoeksopzet aan bod. In de tweede paragraaf wordt aandacht geschonken aan de gehanteerde onderzoeksinstrumenten, waarvan de belangrijkste zijn: de inventarisatielijst agressie en de vragenlijst agressie en pesten. In paragraaf 2.3 en 2.4 wordt ingegaan op de steekproeftrekking en de betrouwbaarheid van de onderzoeksgegevens.
2.1    Onderzoeksopzet
Het onderzoek bestaat uit verschillende onderdelen: een literatuurstudie; interviews met sleutelinformanten en betrokkenen uit de wijken; een systematische inventarisatie van agressie door leerkrachten en groepsleiders; en een enquête onder leerlingen van groep zes, zeven en acht.
  • Literatuurstudie
Begonnen is met een literatuurstudie over agressiviteit door kinderen. Hierbij is uitgegaan van een sociaal-pedagogische invalshoek. Een sterk individueel-psychologische, orthopedagogische of bio-medische invalshoek (denk bijvoorbeeld aan de effecten van leerachterstanden, trauma's, hyperactiviteit etcetera) biedt immers minder concrete aanknopingspunten voor preventie- en interventie-activiteiten door de deelnemers van de buurtnetwerken. De literatuurstudie geeft antwoord op de vragen: wat is agressief gedrag, en wat zijn de oorzaken en de gevolgen van agressief gedrag? Tevens zijn tijdens deze eerste fase van het onderzoek ten behoeve van de dataverzameling (inventarisatie en enquête) enkele praktische gegevens verzameld over de situatie in de wijken, zoals aantallen kinderen, scholen, etcetera.
  • Interviews met sleutelinformanten/betrokkenen
Er zijn open interviews gehouden met vertegenwoordigers van de buurtnetwerken jeugdhulpverlening 0-12 jaar, basisscholen, peuterspeelzalen, buurtcentra, kinderwerk, speeltuinverenigingen, politie, thuiszorg (ouder- en kindzorg), algemeen maatschappelijk werk, naschoolse opvang, winkelcentra en de bibliotheek. Daarnaast zijn enkele gesprekken gevoerd met ouders/buurtbewoners. In de interviews is ingegaan op de ervaringen van deze personen ten aanzien van agressie door kinderen in de betreffende wijken. In totaal zijn 22 personen geïnterviewd. Het doel van deze gesprekken is in eerste instantie het verkrijgen van informatie. Ze vergroten echter tevens de motivatie tot medewerking aan het verzamelen van de overige data.
  • Inventarisatie agressie door leerkrachten/groepsleiders
Op basis van de literatuurstudie en de interviews met de sleutelinformanten is een inventarisatielijst opgesteld. Met behulp van dit onderzoeksinstrument inventariseren leerkrachten, speelzaalleidsters en groepswerkers door middel van observatie gedurende een week het agressieve gedrag van kinderen in de groep. Op deze wijze wordt nauwkeurig informatie verzameld over de aard en de omvang van het agressieve gedrag in de genoemde wijken. De groepen zijn zodanig gekozen dat gegevens worden verzameld over alle leeftijdsgroepen en over het gedrag van kinderen op verschillende plaatsen (bijvoorbeeld school, maar ook buurtcentrum).
  • Enquête onder leerlingen uit de bovenbouw van het basisonderwijs
Voor een nadere verdieping van de vraag naar de aard en omvang van het agressieve gedrag van kinderen in de betreffende wijken is bij kinderen van 8-12 jaar een vragenlijst afgenomen over agressie, in het bijzonder over pesten. De groepen zijn dusdanig geselecteerd dat alle leeftijdsgroepen en kinderen verspreid over geheel Noordwest-Groningen aan bod komen.
   
2.2    Onderzoeksinstrumenten
In het onderzoek zijn verschillende instrumenten ontwikkeld en toegepast, te weten een itemlist, een inventarisatielijst agressie en een vragenlijst agressie en pesten.
  • Itemlijst
De gesprekken met de betrokkenen uit de wijken zijn gevoerd aan de hand van een itemlist. In de gesprekken is onder meer aandacht geschonken aan de aard en de omvang van het agressieve gedrag in de betreffende wijken; de achtergronden van het gedrag; het verschil in beleving tussen kinderen, ouders en professionele werkers, etcetera. Tevens is aandacht geschonken aan suggesties voor preventie en interventie.
  • Inventarisatielijst agressie
Op basis van de literatuurstudie en de gesprekken met de betrokkenen is een inventarisatielijst geconstrueerd met de meest voorkomende agressieve gedragingen door kinderen. Deze lijst is uitgedeeld aan de participerende leerkrachten en groepsleiders met het verzoek gedurende een week bij te houden welk gedrag van de lijst in hun groep is waar te nemen. Het gedrag is per kind en per dagdeel of groepsbijeenkomst geïnventariseerd. (1) Daarnaast is een aantal achtergrondkenmerken van de kinderen genoteerd, zoals sexe, leeftijd, etniciteit en woonbuurt. Bij het uitdelen van de inventarisatielijst is een korte instructie gegeven aan iedere leerkracht of groepsleider persoonlijk. Er is met name aandacht besteed aan de definitie van agressie, waarbij de intentionaliteit van het gedrag voorop staat.
  • Vragenlijst pesten en agressie
Voor het vaststellen van de aard en omvang van agressie hebben kinderen uit de bovenbouw van het basisonderwijs tevens een vragenlijst met voorgestructureerde antwoordcategorieën ingevuld. Er is gebruik gemaakt van de Klasgenoten Relatie Vragenlijst (junior) van Olweus (1989, Nederlandse vertaling: Liebrand e.a. 1991). Deze vragenlijst over pesten is voor dit onderzoek aangepast en uitgebreid. Naast pesten op school zijn vragen opgenomen over pesten in de buurt, en meer in het algemeen over ruzie maken en het vernielen van spullen. De aanpassingen hebben betrekking op het afstemmen van de vragen en antwoordcategorieën aan het niveau van het basisschoolkind. Dit houdt in dat de vragen en antwoorden zo concreet mogelijk zijn gesteld. De oorspronkelijke vragenlijst schiet op dit punt nogal eens te kort.
De vragen kunnen worden onderverdeeld in de volgende clusters: blootstelling aan direct pesten, blootstelling aan indirect pesten, het zelf pesten van andere leerlingen, een positieve houding ten opzichte van pesten, het pesten van personen in de buurt, ruzie maken, en vernielen De eerste vier clusters zijn in eerder onderzoek uit factoranalyse naar voren gekomen (Olweus 1992). Verder zijn enkele vragen gesteld om inzicht te verkrijgen in bijvoorbeeld de wijze waarop ruzie wordt gemaakt of gepest, en in de plekken op school en in de buurt waar veel wordt gepest. Dit zijn voor het merendeel open vragen waarin de leerling in staat wordt gesteld in eigen woorden te antwoorden.
2.3    Steekproeftrekking
De inventarisatie van het agressieve gedrag van kinderen in het stadsdeel Noordwest-Groningen is uitgevoerd binnen verschillende locaties: de school, de peuterspeelzaal, het club- en buurthuis en de speeltuinvereniging. Er zijn 876 kinderen geobserveerd, 38% van het totale aantal kinderen van 3-12 jaar in het stadsdeel Noordwest-Groningen.(2) In het basisonderwijs is de enquête 'agressie en pesten' afgenomen in één op de drie groepen, in totaal bij 201 leerlingen.
  • Scholen (4-12 jaar)
Alle basisscholen in de betreffende wijken zijn benaderd voor het onderzoek, behalve de bijzondere scholen die een stedelijke functie vervullen. Op één school na, blijken alle scholen bereid mee te werken aan het onderzoek. De scholen zijn verspreid over Vinkhuizen (vier locaties), Paddepoel (drie locaties) en Selwerd (twee locaties). Kinderen uit Tuinwijk bezoeken scholen in Selwerd of Paddepoel. Vervolgens is ten behoeve van de inventarisatie een selectie gemaakt van groepen, zodanig dat van iedere school circa de helft van de groepen is vertegenwoordigd en dat over de wijken gezien alle groepen (en daarmee alle leeftijdsgroepen) evenredig zijn vertegenwoordigd in de steekproef. Uiteindelijk zijn op deze wijze 28 groepen geselecteerd, die tezamen een goede dwarsdoorsnede vormen van de basisschoolkinderen in de betreffende wijken. Voor de afname van de vragenlijst agressie en pesten is van iedere deelnemende school één bovenbouwgroep geselecteerd. Ook hierbij is weer rekening gehouden met de verdeling van de groepen over de wijken.
  • Peuterspeelzalen (2-4 jaar) (3)
Vijf van de zeven peuterspeelzalen in de betreffende wijken zijn verzocht en bereid gevonden mee te werken aan het onderzoek. Op basis van het totaal aantal kinderen per wijk is vervolgens een selectie van de te observeren groepen gemaakt: vier groepen in Vinkhuizen, drie in Paddepoel, twee in Selwerd en één in Tuinwijk.
  • Sociaal-cultureel werk (4-12 jaar)
Het kinderwerk is actief in Vinkhuizen, Paddepoel en Tuinwijk. Op alle drie locaties is de medewerkers verzocht een groep jonge kinderen (4-8 jaar) en een groep oudere kinderen (8-12 jaar) te observeren. Uiteindelijk heeft het kinderwerk Tuinwijk moeten afzeggen. Ook in Vinkhuizen is een belangrijke groep afgevallen (kindergroep Jadestraat en omgeving). In Paddepoel is daarentegen een extra groep geobserveerd (kookclub).
  • Speeltuinverenigingen (4-12 jaar)
   
Tot slot zijn drie speeltuinverenigingen gevraagd deel te nemen aan het onderzoek. Vrijwilligers van de verenigingen in Vinkhuizen en Paddepoel hebben observaties uitgevoerd in een groep met jonge (4-8 jaar) en een groep met oudere (8-12 jaar) kinderen. De vereniging die op de grens van de wijken Selwerd en Tuinwijk is gelegen heeft uiteindelijk moeten afzeggen.
Samenvattend kan worden vastgesteld dat, naast de 28 basisschoolgroepen, observaties zijn uitgevoerd in 17 groepen behorend tot de peuterspeelzalen, het kinderwerk en de speeltuinverenigingen. Deze groepen zijn een goede dwarsdoorsnede van het totale aanbod in de betreffende wijken, met een kleine ondervertegenwoordiging van de groepen in Tuinwijk.
Tabel 1.2
Aantal kinderen in de steekproef en totaal aantal kinderen in de wijk

steekproef Wijk
n % n %

Vinkhuizen 392 45 1007 44
Paddepoel 258 29 775 34
Selwerd 156 18 435 19
Tuinwijk 26 3 86 4
Anders 42 5 - -

Totaal 874 100 2303 100

 
Tabel 2.1 laat zien dat de steekproef voor wat betreft de verdeling over de wijken in het algemeen goed overeen komt met het totaal aantal kinderen in de wijken. De kinderen uit Paddepoel lijken licht ondervertegenwoordigd. Dit is te verklaren uit het feit dat de school die weigerde mee te werken aan het onderzoek in Paddepoel is gevestigd.
2.4    Betrouwbaarheid
In het onderzoek is speciale aandacht geschonken aan de betrouwbaarheid van de onderzoeksgegevens.
  • Inventarisatie
Er is voor gekozen de inventarisatie van het agressieve gedrag van kinderen uit te laten voeren door groepsleerkrachten en -leiders. Een voordeel is dat zij de kinderen in een natuurlijke situatie kunnen observeren. Bovendien neemt het observeren van de kinderen door de onderzoekers te veel tijd in beslag en brengt daardoor te hoge kosten met zich mee. Een nadeel is echter dat niet alle observatoren in gelijke mate zijn opgeleid om de observaties uit te voeren.4 Toch zijn de lijsten in het algemeen goed, zorgvuldig en volledig ingevuld. Van invloed is zeker dat de onderzoekers de groepsleerkrachten en -leiders een persoonlijke instructie hebben gegeven. Ook is de inventarisatie na afloop persoonlijk met hen doorgesproken. Hierdoor zijn enkele fouten en/of onzekerheden bijgesteld. Tevens zijn de volgende zaken naar voren gekomen.
- Op de scholen zijn de kinderen om technische redenen alleen in het gebouw geobserveerd. Menige leerkracht geeft echter aan dat veel agressie juist buiten het gebouw, tijdens de pauze, plaatsvindt. Zo registreerde een leerkracht dat de kinderen uit zijn groep gedurende een kwartier pauze meer agressieve gedragingen vertoonden dan gedurende de gehele morgen in de klas. Ook de kinderen zelf geven aan dat ze het meest op het plein worden gepest (zie hoofdstuk 6).
- Diverse leerkrachten geven aan dat er meer agressie heeft plaatsgevonden dan ze hebben kunnen waarnemen. Uit verhalen van de kinderen maken de leerkrachten op dat er meer agressie is dan ze daadwerkelijk zelf hebben gehoord of gezien. Deze agressie is niet vastgelegd op de inventarisatielijst. Ook geven enkele leerkrachten aan dat gelijktijdig observeren en lesgeven lastig is.
- Tot slot moet rekening worden gehouden met het feit dat agressie in de groep niet iets is waar alle leerkrachten en groepsleiders graag over rapporteren. De onderzoekers hebben de indruk dat enkele observatoren bang zijn voor het imago dat ze de groep of de betreffende leerlingen niet in de hand kunnen houden.
Alles tezamen lijkt de uitspraak gerechtvaardigd dat de agressiecijfers die uit de inventarisatie naar voren komen, moeten worden opgevat als het minimum. Tevens dient in gedachten te worden gehouden dat de cijfers over de schoolkinderen betrekking hebben op hetgeen in het gebouw en niet op hetgeen daarbuiten, bijvoorbeeld tijdens de pauze, plaatsvindt.
  • Enquête
In het voorgaande is reeds naar voren gekomen dat de Klasgenoten Relatie Vragenlijst in dit onderzoek is aangepast aan het niveau van basisschoolleerlingen. Er is geprobeerd de vragen en antwoordcategorien zo concreet mogelijk te maken, bijvoorbeeld door de antwoord-categorie als 'dat komt regelmatig voor' te veranderen in 'dat is vaker dan één of twee keer gebeurd'. De veranderingen zijn doorgevoerd met het oog op de betrouwbaarheid van de gegevens. Naarmate een kind minder snapt van wat er gevraagd wordt neemt de betrouwbaarheid van de antwoorden af. Tevens zijn alle vragen en antwoordcategorieën in de groepen zes en zeven gezamenlijk met de onderzoeker doorgenomen. De kinderen van groep acht konden de vragenlijst zelf lezen en invullen, echter niet zonder een goede instructie van de onderzoeker waarin onder meer duidelijk werd gemaakt hetgeen precies onder pesten wordt verstaan. Om er voor te zorgen dat de kinderen naar waarheid zouden antwoorden, zijn de volgende maatregelen getroffen.
- De lijst is anoniem afgenomen. De kinderen is verzekerd dat ook de groepsleerkracht niet te weten komt wat ze hebben ingevuld.
- De kinderen zijn geïnstrueerd niet met elkaar te overleggen en niet bij elkaar te spieken. Waar mogelijk zijn de schoolbanken uit elkaar gezet, om er voor te zorgen dat de leerlingen elkaar niet zouden beïnvloeden in hun antwoorden.
- Tot slot is de vragenlijst niet door de leerkracht, maar door een onafhankelijke onderzoeker afgenomen, zodat ook de vragen over school (bijvoorbeeld over het vernielen van lesmateriaal) naar waarheid konden worden ingevuld.
De indruk bestaat dat de leerlingen de vragenlijst goed en betrouwbaar hebben ingevuld. Ze hebben de vragen goed begrepen, hetgeen onder meer is af te leiden uit het feit dat de vragenlijsten in het algemeen consequent zijn ingevuld.
2.5    Resumé
Het onderzoek bestaat uit verschillende onderdelen: een literatuurstudie; een interviewronde onder sleutelinformanten en betrokkenen uit de wijken; een systematische inventarisatie van agressie door leerkrachten en groepsleiders (door middel van observatie); en een enquête over agressie en pesten onder leerlingen van groep zes, zeven en acht van het basisonderwijs. In totaal zijn 22 sleutelinformanten geïnterviewd, 201 kinderen ondervraagd en 876 kinderen geobserveerd door leerkrachten en groepsleiders. Dit laatste is ruim een derde van alle kinderen in de leeftijd van 3-12 jaar uit het stadsdeel Noordwest-Groningen.
In de diverse delen van het onderzoek wordt de problematiek op verschillende wijzen benaderd. De onderdelen tezamen geven een adequaat en betrouwbaar beeld van de agressie van kinderen in het stadsdeel Noordwest-Groningen.
Noten
1. Op de basisscholen zijn de meeste kinderen gedurende zeven of acht dagdelen geobserveerd. De kinderen op de peuterspeelzalen, bij de speeltuinverenigingen en in het kinderwerk zijn gedurende twee dagdelen of groepsbijeenkomsten geobserveerd.
2. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het niet om 876 unieke kinderen; het is mogelijk dat dezelfde kinderen op meerdere plaatsen zijn geobserveerd, bijvoorbeeld op school en in het kinderwerk.
3. Alhoewel de onderzoeksvraag betrekking heeft op kinderen van 3-12 jaar is ook een aantal tweejarige kinderen geobserveerd (4% van de geobserveerde kinderen). Dit komt omdat kinderen in Noordwest-Groningen vanaf twee jaar terecht kunnen op een peuterspeelzaal. In Vinkhuizen geldt als gevolg van een wachtlijst een leeftijdsgrens van tweeëneenhalf jaar.
4. De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid is onbekend. In het ideale geval vindt voorafgaande aan de inventarisatie in een pilot een duo-beoordeling plaats. Dit is om verschillende redenen niet gebeurd: tijdgebrek, financiële redenen en de extra belasting voor met name de scholen.
vorige   volgende
Colofon en inhoudsopgave
Voorwoord
Hoofdstuk 1    Inleiding
Hoofdstuk 2    Methodologische verantwoording
Hoofdstuk 3    Overzicht literatuur
Hoofdstuk 4    Opvattingen sleutelinformanten
Hoofdstuk 5    Inventarisatie agressie
Hoofdstuk 6    Pesten in het basisonderwijs
Hoofdstuk 7    Conclusies en aanbevelingen
Literatuur
Bijlage    Tabellen
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.