![]() |
|
Ook bij de omvang van de handel baseren de geïnterviewden zich voornamelijk op het onderzoeksrapport 'Handel in doping' (1998). Enkele geïnterviewden geven te kennen dat zij de schatting in 'Handel in doping' te hoog vinden. Ondanks het feit dat men veelal geen schatting van de jaarlijkse omzet kan maken, wordt door diverse geïnterviewden verondersteld dat de omvang van de handel anno 2001/2002 ten opzichte van 1998 is gegroeid. Zo hebben gebruikers de doseringen verhoogd en zijn volgens diverse geïnterviewden de prijzen van de dopingmiddelen sinds 1998 gestegen. De prijsstijgingen houden mogelijk verband met de wetswijziging; de handelaren lopen grotere risico's en moeten voorzichtiger te werk gaan, waardoor de prijzen stijgen.
De hoge schattingen zijn waarschijnlijk mede het gevolg van hoge schattingen van de aantallen gebruikers. Het aantal gebruikers wordt op basis van het Nationaal Prevalentie Onderzoek van het CEDRO geëxtrapoleerd naar landelijke aantallen en geschat op 45.000. Het gaat hierbij echter niet alleen om het gebruik van anabole androgene steroïden en groeihormonen en dergelijke. In ruim de helft van de gevallen (53%) blijkt het uitsluitend te gaan om het gebruik van stimulantia (amfetamine, cocaïne, efedrine en hoge doseringen cafeïne). Bij dopinghandelaren worden deze middelen slechts in beperkte mate aangetroffen. Indien de gebruikers van stimulantia buiten beschouwing worden gelaten, dan zou het jaarlijks om ongeveer 20.000 tot 25.000 personen gaan, die spierversterkende middelen gebruiken zoals androgene anabole steroïden en groeihormonen.
4.2 Indicatoren gevolgen wetswijziging
Om de wetswijziging te kunnen evalueren dienen indicatoren te worden ontwikkeld die een maat zijn voor de illegale productie en handel in dopingmiddelen en de bestrijding daarvan. Gegevens van opsporingsinstanties kunnen echter niet los worden gezien van de opsporingsinspanningen. Rekening houdend met de lage prioriteit die dopinghandel in het verleden heeft gehad, is de verwachting dat de verzwaring van de strafmaat en de verruiming van de opsporingsmiddelen de komende jaren tot meer aanhoudingen, processen-verbaal, strafrechtelijke onderzoeken en veroordelingen zullen leiden. Door gegevens te verzamelen over het jaar 2000 kunnen de indicatoren voor dat jaar als ijkpunt voor de evaluatie van de wetswijziging gelden. Vervolgmetingen geven inzicht in de ontwikkelingen en daarmee effectiviteit van de aanpak van de productie en handel in dopingmiddelen.
Resultaten
Uit het onderzoek blijkt dat het aantal geschikte indicatoren in termen van betrouwbaarheid, validiteit en volledigheid momenteel beperkt is. In feite is met de huidige gegevens geen enkele indicator te noemen die voor de evaluatie van de wetswijziging een accuraat beeld geeft van (aspecten van) de handel in doping. In de registratie van de politie bijvoorbeeld zijn gegevens over productie en handel in doping niet terug te vinden. Dit betekent dat informatie over aantallen aanhoudingen en processen-verbaal voor dopinghandel niet beschikbaar zijn. Nagegaan dient te worden of de registratie van de politie zodanig kan worden aangepast dat deze informatie in het vervolg wel is te traceren, bijvoorbeeld door het toevoegen van een aparte incidentcode voor handel en productie van dopingmiddelen. Hiermee is overigens het probleem niet te ondervangen dat veel politiemensen niet bekend zijn met dopingmiddelen en dergelijke middelen niet herkennen.
Op basis van de wel beschikbare gegevens uit registraties zijn indicatoren samen te stellen die voor een deel in de informatiebehoefte voorzien. Zo zijn de aantallen bij justitie ingestroomde zaken voor overtreding van de WOG geregistreerd in Compas. Niet bekend is of het hierbij om handel in dopinggeduide middelen gaat en wat de rol van de georganiseerde criminaliteit hierbij is. Tevens ontbreken gegevens over het gebruik van ruimere opsporingsmiddelen, de gestarte strafrechtelijke onderzoeken en de aantallen veroordeelde dopinghandelaren.
Daarnaast zijn op basis van het Nationaal Prevalentie Onderzoek indicatoren beschikbaar om de aard en omvang van dopinggebruik te monitoren. Zo is de prevalentie van dopinggebruik onder de algemene bevolking bekend. Vanwege de relatief lage prevalentie is het aantal respondenten dat recent doping heeft gebruikt gering. Bovendien blijkt het hierbij vooral om het gebruik van stimulantia te gaan en minder om het gebruik van anabolen en groeihormonen, terwijl dit juist de middelen zijn waarbij de gebruikers het grootste risico lopen op schadelijke effecten voor de gezondheid. In de dopinghandel lijkt het wel voornamelijk om anabolen te gaan. Van alle in beslag genomen dopingmiddelen, zo blijkt uit de gegevens van de IGZ over vervalste en niet-geregistreerde medicijnen, behoort verreweg het meeste tot de anabolen, terwijl stimulantia bij dopinghandelaren nagenoeg niet zijn aangetroffen.
De in beslaggenomen dopingmiddelen kunnen een goede indicator zijn voor de soort middelen waarin wordt gehandeld, zij het dat niet bekend is of alle in Nederland in beslaggenomen dopingmiddelen bij de IGZ terechtkomen. Ook gebruikersonderzoeken onder specifieke doelgroepen, zoals momenteel door Diopter wordt uitgevoerd, kunnen naast informatie over gebruikers en gebruikspatronen tevens meer inzicht geven in de handel in doping en de aard van de aangeboden middelen.
Over de soorten en aantallen distributiekanalen en marktplaatsen van dopingmiddelen is slechts summier informatie beschikbaar. Zo controleert de Douane de van buiten de EU naar Nederland verstuurde postpakketten op ongeregistreerde medicijnen, waaronder dopingmiddelen. Op alle binnen de EU verzonden postpakketten vindt deze controle echter niet plaats. Ook koeriersdiensten kunnen vrijwel zonder controle partijen niet-geregistreerde medicijnen invoeren. Voor de marktplaatsen kan gebruik worden gemaakt van onderzoek naar handel in doping via Internet. Over andere marktplaatsen, bijvoorbeeld sportscholen is geen informatie beschikbaar.
4.3 Alternatieve indicatoren
Gezien de informatiebehoefte is het aantal beschikbare indicatoren gering en laat de kwaliteit te wensen over. Met name de onvolledigheid van de gegevens dient te worden verbeterd. Bij enkele indicatoren is dit zoals hierboven reeds is aangegeven ook mogelijk. Als aanvulling op registraties kan dossieronderzoek worden uitgevoerd om uit te wijzen of verdachten van overtreding van de WOG ook in geneesmiddelen handelen en of het hierbij op dopinggeduide middelen gaat. Ook kan aan de hand van dossieronderzoek meer inzicht worden verkregen in de rol van de georganiseerde criminaliteit bij dopinghandel.
Om het aantal onderzoeken tegen dopinghandelaren te bepalen kunnen alle 19 arrondissementen worden benaderd met de vraag welke justitiële onderzoeken, waarbij dopinghandel een rol speelt, zijn opgestart en welke opsporingsmiddelen worden toegepast. Om inzicht te krijgen in de aard en omvang van de in beslaggenomen hoeveelheden dopingmiddelen kunnen alle 25 politieregio's worden verzocht hierover informatie te verstrekken analoog aan de wijze waarop jaarlijks de gegevens over de hoeveelheden in beslaggenomen drugs worden verzameld.
Tenslotte kunnen de bij justitie en politie beschikbare gegevens, aangevuld met dossiers van de IGZ, worden gebruikt voor netwerkanalyse. Vanwege de beperkte omvang en kwaliteit van de geregistreerde gegevens en de relatief beperkte omvang van de dopinghandel, vergeleken met andere middelen zoals harddrugs, is het aan te bevelen meer gebruik te maken van beschikbare kwalitatieve informatie uit dossiers en interviews met betrokkenen. Deze betrokkenen kunnen ambtenaren van opsporingsdiensten zijn, maar ook personen die zich anderszins met de handel of productie van dopingmiddelen bezighouden. |
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign. |