INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies
 
Oudkomers in Hoogezand-Sappemeer
PDF-bestanden van dit rapport
Samenvatting (37 Kb)
Bestelinformatie
Deze publicatie is te bestellen door overmaking van
€ 10,- + € 3,50 verzendkosten (bij bestelling van meerdere publicaties € 6,00) op rekening NL31 INGB 000 4 5997 84 ING-Bank ten name van Stichting INTRAVAL te Groningen, onder vermelding van de titel(s) en uw naam + adres.
Hoofdstuk 5 Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt allereerst kort ingegaan op de opzet en uitvoering van het onderzoek naar oudkomers in de gemeente Hoogezand-Sappemeer. Vervolgens worden de conclusies van het onderzoek weergegeven, waarbij aandacht wordt besteed aan de dataverzameling, de belangrijkste bevindingen van elke afzonderlijke doelgroep en enkele algemene opmerkingen naar aanleiding van het onderzoek onder oudkomers in Hoogezand-Sappemeer.
5.1 Opzet en uitvoering
In het kader van het formuleren van een uitvoeringsplan voor het oudkomersbeleid in de gemeente Hoogezand-Sappemeer heeft onderzoeks- en adviesbureau INTRAVAL medio 2001 de behoeften van de oudkomers zelf geïnventariseerd. Oudkomers zijn bewoners van allochtone herkomst die voor 1998 in Nederland zijn gekomen. Sinds medio 1998 de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN) in werking is getreden, worden allochtone immigranten nieuwkomers genoemd.
De twee centrale thema's die bij de totstandkoming van het beleid ten aanzien van oudkomers een rol spelen zijn de opvoeding van kinderen en het zoeken naar arbeid. Voor een goede besteding van de beschikbare middelen heeft de gemeente behoefte aan meer informatie over haar oudkomers en de problemen waarmee deze groep te maken heeft. Daarbij is in dit onderzoek eveneens aandacht besteed aan de behoeften en oplossingen die de groep oudkomers zelf aandraagt.
Uit de registratiegegevens is gebleken dat de volgende vijf groepen oudkomers in Hoogezand-Sappemeer de grootste omvang hebben: Turken; Marokkanen; Surinamers; Antillianen/Arubanen; en voormalig Joegoslaven. Zij vormen dan ook de groepen die in het onderzoek centraal staan.
Om de gewenste informatie te verkrijgen zijn diverse onderzoeksmethoden toegepast. Begonnen is met het verzamelen en bestuderen van bestaande informatie over de genoemde doelgroepen. Het gaat hierbij om registratiegegevens, rapporten, nota's, notities en dergelijke. Vervolgens zijn gesprekken gevoerd met zogenoemde sleutelinformanten. Het betreft medewerkers van instanties die zich met oudkomers bezighouden (Prisma, Humanitas) en vertegenwoordigers van de groepen oudkomers. Deze vertegenwoordigers kunnen op grond van hun functie of rol in de gemeenschap een beeld geven van een deel of de gehele groep waartoe zij behoren. Belangrijke aandachtspunten in de gesprekken zijn onder meer de achtergrondkenmerken van de groepen, de problemen waar tegenaan wordt gelopen en de hulpvragen. Verder zijn de wijze waarop de doelgroepen het best kunnen worden benaderd en de mogelijke medewerking van intermediairs en zelforganisaties aan het onderzoek besproken.
De kern van het onderzoek vormen de gesprekken met de Turkse, Marokkaanse, Surinaamse, Antilliaanse/Arubaanse en voormalig Joegoslavische oudkomers. Voor het realiseren van een goede dwarsdoorsnede is gebruik gemaakt van een aselecte steekproef uit de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA). Om de leden van de doelgroepen te kunnen benaderen is met behulp van de GBA een bestand gemaakt van alle inwoners in Hoogezand-Sappemeer die van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse, Antilliaanse/Arubaanse en voormalig Joegoslavische herkomst zijn. Uit dit bestand zijn vervolgens de personen geselecteerd die voldoen aan de volgende criteria: voor 1998 in Nederland gevestigd; in 2001 ouder dan 18 jaar; niet ingeschreven bij de sociale dienst; bekend als werkzoekend, echter niet deelnemend aan speciale trajecten. Deze criteria zijn in overleg met de opdrachtgever en de gemeente tot stand gekomen. Hierbij is er vanuit gegaan dat werkzoekenden die een uitkering krijgen via de sociale dienst voldoende contacten hebben met instellingen en instanties, zodat hun (eventuele) problemen bekend zijn en er voldoende wordt ondernomen om deze problemen op te lossen.
Bij alle groepen is dezelfde vragenlijst toegepast. In deze vragenlijst is aandacht besteed aan de volgende vier hoofdonderwerpen:
  • achtergrond (sinds wanneer in Nederland/Hoogezand-Sappemeer, gezinssituatie, gezondheidssituatie en dergelijke);
  • opvoeding (ouderschap, opvoeding van kinderen, rol culturen bij opvoeding, problemen bij opvoeding en dergelijke);
  • arbeidssituatie (wel/geen werk, activiteiten en problemen bij vinden werk en dergelijke);
  • integratie/participatie (taalvaardigheid, deelname aan maatschappelijke activiteiten, contacten met allerlei instanties; problemen bij integratie/participatie en dergelijke).
Gedurende het onderzoek is gebruik gemaakt van zowel autochtone als allochtone interviewers. Bij oudkomers die de Nederlandse taal (nog) niet goed beheersen heeft het interview in hun moedertaal plaatsgevonden. Sommige oudkomers hebben het, onafhankelijk van hun taalbeheersing, op prijs gesteld een interviewer te spreken die uit hun eigen land afkomstig is. Anderen vonden het juist prettig met een Nederlandse interviewer te spreken. Met deze wensen en voorkeuren is zo veel mogelijk rekening gehouden.
De wijze van contactlegging met de respondenten heeft deels plaatsgevonden in overleg met sleutelinformanten en zelforganisaties. De daadwerkelijk benadering en afname van de interviews heeft echter vrijwel uitsluitend plaatsgevonden door de medewerkers van bureau INTRAVAL. Zowel de verenigingen, met uitzondering van het activiteitencentrum voor Surinamers en Antillianen, als de welzijnsinstelling (Prisma) hebben uiteindelijk weinig bijgedragen aan de dataverzameling.
Voorafgaande aan het onderzoek is gepland met 60 tot 75 oudkomers te spreken (12 tot 15 per groep), waarvan in totaal ruim tien door Prisma zouden worden gedaan. Uiteindelijk zijn na veel inspanning 59 oudkomers door medewerkers van bureau INTRAVAL en drie oudkomers door een medewerker van Prisma geïnterviewd; 13 Turken, 12 Marokkanen, 11 Surinamers, 13 Antillianen/Arubanen en 13 voormalig Joegoslaven.
   
5.2 Conclusies
Hieronder worden de conclusies van het onderzoek naar oudkomers in de gemeente Hoogezand-Sappemeer weergegeven. Hierbij wordt een onderverdeling gemaakt in conclusies met betrekking tot de dataverzameling, de bevindingen per groep oudkomers en enkele algemene opmerkingen.
Dataverzameling
Bij de uitvoering van het onderzoek is gebleken dat de dataverzameling voornamelijk heeft plaatsgevonden door bureau INTRAVAL. Naast inzet van medewerkers van Prisma zou normaal gesproken kunnen worden verwacht dat bij het benaderen van de doelgroepen hulp kan worden verkregen van organisaties voor zelfhulp. Deze weg is in Hoogezand-Sappemeer moeizaam gebleken.
Opvallend is daarnaast dat de beste methode om respondenten te 'werven' is om (na het toesturen van een brief) aan de deur te komen en binnen te worden gelaten. Bij ruim de helft van de respondenten heeft het interview op deze wijze plaatsgevonden. Bij de overige respondenten heeft het interview plaatsgevonden na het, al of niet telefonisch, maken van een afspraak. Gedurende de dataverzameling is echter gebleken dat gemaakte afspraken niet altijd worden nagekomen door de oudkomers.
Verder is gebleken dat niet alle oudkomers willen of hoeven te worden benaderd door interviewers die de eigen taal spreken. Nederlandse interviewers zijn minstens even succesvol gebleken in het benaderen van en een gesprek voeren met de respondenten.
Al met al kan worden gezegd dat de medewerking van de Surinamers onder de oudkomers het makkelijkst is verlopen. De Surinamers hebben duidelijk aangegeven het onderzoek op prijs te stellen, hoewel zij tegelijkertijd de minste problemen lijken te ervaren met het leven in Hoogezand-Sappemeer. De voormalig Joegoslaven, Marokkanen en Antillianen/Arubanen hebben meer moeite getoond met de medewerking aan het onderzoek. Zij lijken wantrouwend te staan tegenover het verstrekken van persoonlijke gegevens en de rol van de gemeente in het onderzoek.
Als gevolg van de steekproefcriteria zijn twee groepen in het onderzoek onderbelicht gebleven: werkzoekenden met een uitkering van de sociale dienst en jongeren onder de 18 jaar. De reden waarom oudkomers met een uitkering van de sociale dienst niet zijn opgenomen in het onderzoek is dat vooraf door de opdrachtgever en de gemeente is verondersteld dat van deze personen voldoende gegevens beschikbaar zijn. Bovendien is aangenomen dat er via de contacten met de sociale dienst en het arbeidsbureau activiteiten worden ondernomen om hen te helpen. Gedurende het onderzoek is echter gebleken dat deze veronderstelling onterecht is. Uit de gesprekken met zowel sleutelinformanten als respondenten is naar voren gekomen dat uitkeringsgerechtigden veelal een geïsoleerde positie hebben en dat voor een groot deel weinig tot geen activiteiten worden ondernomen. Daarbij komt dat het percentage werklozen onder de vijf groepen oudkomers aanzienlijk hoger is dan bij de autochtone inwoners van Hoogezand-Sappemeer. Onder de vijf primaire groepen oudkomers is gemiddeld ruim 31% werkloos tegenover gemiddeld ruim 10% van de autochtone bewoners. Het lijkt dan ook zeker raadzaam deze groep onder de oudkomers alsnog nader te onderzoeken.
Dit geldt eveneens voor de jongeren onder de oudkomers. Uit de informatie die tijdens het onderzoek is verzameld blijkt dat jongeren een speciale groep vormen. Als gevolg van een veelal lage opleiding en de cultuurverschillen tussen de thuissituatie en de situatie op school en op straat lijkt een deel van deze groep in moeilijkheden te komen. Deze signalen zijn echter niet bij de jongeren zelf onderzocht, zodat hun beleving van de situatie niet kan worden weergegeven. Overigens dient hierbij tevens te worden opgemerkt dat uit de registratiegegevens is gebleken dat het percentage jongeren onder de 20 jaar bij de vijf groepen oudkomers 10 tot 30% hoger is dan bij de autochtone bevolking.
Vijf primaire groepen oudkomers
Hieronder worden de belangrijkste conclusies per groep oudkomers besproken. Achtereenvolgens komen aan bod de Turken, de Marokkanen, de Surinamers, de Antillianen/Arubanen en de voormalig Joegoslaven.
Turken
De indruk bestaat dat de integratie van Turkse vrouwen momenteel makkelijker lijkt te verlopen dan die van Turkse mannen. Vrouwen zijn actief in het benaderen van vrouwen uit de Turkse gemeenschap en het organiseren van maatschappelijke activiteiten. Daarnaast is het bereik van scholen onder Turkse moeders groter dan bij Turkse vaders. Vooral de eerste generatie Turkse mannen komt wel regelmatig bij elkaar, met name in het gebouw van de Turkse vereniging, maar vaak gaat het hierbij om het drinken van koffie en kaarten. Deze activiteiten hebben niet het doel bij te dragen aan een verdere integratie in de Nederlandse samenleving.
Hierbij moet wel worden geconstateerd dat de Turkse vereniging op zich een waardevolle functie vervult, vooral voor de (oudere) Turkse mannen. Er wordt onderling gepraat over problemen, zieken worden bezocht, er wordt geholpen bij het invullen van formulieren en het lezen van brieven. Ook wordt er bijstand geboden aan gezinnen waarvan een familielid is overleden. Overigens bezoekt de helft van de respondenten de vereniging regelmatig tot vaak.
Een meerderheid van de respondenten ervaart wel eens moeilijkheden in de opvoeding van de kinderen. Soms leiden de verschillen tussen de wijze waarop kinderen op school en op straat leven en de thuissituatie tot spanningen. Ook binnenshuis bestaan er verschillen tussen de opvattingen van de ouders en inwonende groot- of schoonouders van de respondenten. Daarbij wordt door sommige moeders aangegeven dat ze hun kinderen niet kunnen helpen bij het maken van huiswerk omdat ze zelf de Nederlandse taal onvoldoende machtig zijn. Overigens lijken de verschillen tussen de opvoeding van dochters en zonen de afgelopen jaren te zijn verminderd. Dochters kunnen tegenwoordig bijvoorbeeld steeds vaker meedoen aan gymnastieklessen, zwemmen en schoolreisjes in vergelijking met een aantal jaren geleden. Zonen hebben vrijwel altijd al aan dergelijke activiteiten kunnen deelnemen.
Verder komen uit de gesprekken met de respondenten de volgende opvallende bevindingen naar voren. De helft van de respondenten geeft aan in een slechte gezondheid te verkeren. Eveneens de helft van de respondenten heeft vooralsnog de intentie om in de toekomst terug te keren naar Turkije. De meerderheid van de respondenten verleent financiële steun aan familieleden die in Turkije woonachtig zijn. De helft van de respondenten beheerst de Nederlandse taal matig tot slecht. Een derde van de respondenten krijgt hulp van familieleden of de Turkse vereniging bij contacten met diverse instanties en instellingen.
Marokkanen
Uit de gesprekken met Marokkaanse sleutelinformanten en respondenten is gebleken dat de Marokkaanse vereniging slechts een deel van de Marokkaanse gemeenschap bereikt. Dit wordt door een aantal betreurd. De functie van de vereniging zou verder kunnen worden uitgebouwd. De suggestie wordt dan ook gedaan om de vereniging door te lichten, de huidige doelstellingen te toetsen en deze doelstellingen eventueel uit te breiden.
Daarbij wordt opgemerkt dat er een aparte voorziening voor Marokkaanse jongeren zou moeten komen. Jongeren hebben momenteel geen plaats binnen de bestaande vereniging, terwijl het aandeel van jongeren onder de 20 jaar binnen de Marokkaanse bevolking 51% bedraagt. Een vereniging voor jongeren zou niet alleen dienst moeten doen als ontmoetingsplek, maar ook om voorlichtingen en huiswerkbegeleiding te geven. Het achterliggende idee hierbij is dat Marokkaanse jongeren zich (nog) te weinig bewust zijn van het belang van een goede opleiding.
Uit de gesprekken is verder gebleken dat de onderlinge sociale controle en druk binnen de Marokkaanse gemeenschap vrij groot is. Problemen en afwijkingen van de Marokkaanse gewoonten en tradities worden veroordeeld door de Marokkaanse gemeenschap. Dergelijke veroordelingen worden zoveel mogelijk vermeden. Met name het gedrag van meisjes wordt goed in de gaten gehouden. Veel Marokkanen geven overigens aan dat hun leefstijl niet zozeer als typisch Marokkaans moet worden gezien, maar veel meer als uiting van het islamitische geloof.
Aansluitend hierop kan worden gezegd dat veel Marokkaanse vrouwen een hoofddoek dragen. Voor enkelen die op zoek zijn naar een baan levert dit een probleem op. Werkgevers stellen het dragen van een hoofddoek vaak niet op prijs, terwijl de vrouwen het dragen van een hoofddoek niet willen opgeven.
Verdere opvallende aspecten die uit de gesprekken naar voren komen zijn de vaak grote leeftijdverschillen tussen Marokkaanse huwelijkspartners (de leeftijd van de partner verschilt bij de helft van de respondenten minstens 15 jaar) en het ontbreken van de intentie bij een grote meerderheid van de respondenten om in de toekomst terug te keren naar Marokko. Daarnaast geeft een derde van de respondenten aan dat ze zich matig tot slecht kunnen redden met de Nederlandse taal.
Surinamers
Met de Surinaamse oudkomers waarmee is gesproken lijkt het relatief goed te gaan. Zij zijn goed geïntegreerd in de Nederlandse samenleving, ondervinden weinig problemen op het gebied van de taal en het vinden van werk. Zij geven dan ook aan dat er op zich voldoende mogelijkheden zijn om werk te vinden, maar wijzen er wel op dat de jeugd nog steeds moet worden gewezen op het belang van een goede opleiding. Uit de registratiegegevens blijkt dat, hoewel het werkloosheidspercentage onder de Surinamers het laagst is van de vijf groepen, het opleidingsniveau van ruim 90% op LBO- of lager niveau ligt.
Het stimuleren van de kinderen tot het volgen van een goede opleiding is vaak moeilijk. Ouders ervaren problemen met de opstandigheid en ongehoorzaamheid van de kinderen en hebben zelf vaak ook geen goede opleiding genoten. Het blijkt voor een aantal ouders met name moeilijk te zijn om de Surinaamse gebruiken omtrent respect voor ouderen over te brengen op de kinderen. Hierbij wordt overigens zelden hulp van buitenstaanders ingeroepen; problemen worden binnenshuis of met familie besproken.
De hulpbehoeften van de Surinaamse respondenten zijn zeer gering. Wel wordt opgemerkt dat sommige instanties verzoeken van allochtonen c.q. Surinamers niet altijd serieus nemen. Hoewel de taalbeheersing van de Surinamers goed is, blijven ze voor autochtone medewerkers alleen al aan de stem herkenbaar als allochtoon. De wijze waarop (telefonische) gesprekken worden gevoerd, wordt vervolgens door sommige Surinamers als vervelend ervaren. Daarnaast wordt opgemerkt dat een persoonlijke benadering en het eventueel thuis opzoeken van met name oudere Surinamers door instanties een beter resultaat opleveren bij het achterhalen en oplossen van eventuele problemen.
Opvallend kenmerk van de Surinaamse respondenten is verder dat een grote meerderheid geen intentie heeft ooit terug te keren naar Suriname. Daarbij is in vergelijking met de overige groepen de frequentie waarmee het vaderland in vakanties wordt bezocht zeer laag.
Antillianen/Arubanen
De Antilliaanse en Arubaanse oudkomers blijken gedurende het onderzoek moeilijk benaderbaar. Veel potentiële respondenten hebben geen interesse in medewerking aan het onderzoek. Dit houdt verband met de eigenschap van Antillianen/Arubanen om persoonlijke gegevens en eventuele problemen voor zichzelf te houden, zo is uit het onderzoek gebleken. De leden van de Antilliaanse gemeenschap leven op zichzelf, geven niet gauw toe dat er sprake is van problemen en bespreken eventuele problemen alleen met een beperkt aantal vertrouwelingen. Deze houding impliceert een persoonlijke, actieve en tactische benadering van de Antilliaanse gemeenschap bij het achterhalen en oplossen van problemen.
Eén van deze problemen, hoewel het onder de respondenten zelf niet is vastgesteld, is dat geïnterviewden aangeven dat financiële moeilijkheden vaak voorkomen binnen de Antilliaanse gemeenschap. Ook wordt speciale aandacht gevraagd voor alleenstaande moeders. Onder de respondenten bevinden zich relatief veel alleenstaande ouders. Dit blijkt eveneens uit de registratiegegevens: bijna een derde van de Antillianen en Arubanen leeft in een eenouder huishouden.
Daarnaast wordt door veel respondenten opgemerkt dat ten onrechte wordt verondersteld dat Antillianen en Arubanen een goede beheersing van de Nederlandse taal hebben. Het onderwijs op de Antillen en Aruba wordt slechts voor een deel in het Nederlands gegeven. Daarbij heeft de wijze waarop het Nederlands wordt geleerd tot gevolg dat Antillianen en Arubanen het Nederlands vaak letterlijk opvatten. Hierdoor, en door het feit dat Nederlanders er vanuit gaan dat Antillianen het Nederlands wel machtig zijn, ontstaan vaak communicatieproblemen.
Een ander gevolg van de taalproblemen is dat Antillianen en Arubanen zich nauwelijks ontwikkelen op de arbeidsmarkt. Hoewel de meeste Antillianen liever geen uitkering ontvangen in verband met de daarbij behorende controles, vinden zij niet altijd een baan. Degenen die wel werken zijn vaak werkzaam in de productiesector of doen schoonmaakwerk, waarbij weinig eisen aan communicatieve vaardigheden worden gesteld.
Voormalig Joegoslaven
Onder de voormalig Joegoslaven dient een duidelijk onderscheid te worden aangebracht tussen oudkomers die als gastarbeider naar Nederland zijn gekomen en oorlogsvluchtelingen. De gastarbeiders vormen de kleinste groep en zijn in de jaren zeventig en tachtig naar Nederland gekomen. De oorlogsvluchtelingen hebben zich in de jaren negentig met een totaal andere reden in Nederland gevestigd dan de gastarbeiders.
Onder de respondenten bevinden zich relatief veel oorlogsvluchtelingen. Zij lijken, vergeleken met de overige oudkomers, het minst positief over de gemeente Hoogezand-Sappemeer. De reden hiervoor ligt voornamelijk in het feit dat ze weinig opvang en hulp hebben ervaren na binnenkomst in de gemeente. Zij wijzen er op dat zij momenteel weinig hulpbehoeften meer hebben, maar dat vooral de nieuwkomers onder de voormalig Joegoslaven assistentie nodig bij het dagelijks leven in Nederland. Zij hebben behoefte aan uitleg over de hier geldende regels en gewoonten.
Hiertoe zijn Joegoslavisch sprekende intermediairs nodig, maar ook een eigen ruimte of vereniging zou kunnen bijdragen aan de integratie van de voormalig Joegoslaven. Het voordeel van een dergelijke voorziening is dat er groepsgewijze voorlichtingen kunnen worden gegeven en ervaringen kunnen worden uitgewisseld.
Opvallend is dat er sprake is van een hoog werkloosheidspercentage binnen de Joegoslavische gemeenschap, terwijl het opleidingsniveau relatief hoog is. Dit wordt deels veroorzaakt door het nog niet in het bezit zijn van een definitieve verblijfsvergunning of Nederlands paspoort. Daarnaast wordt door respondenten opgemerkt dat uitkeringsgerechtigden niet gestimuleerd en geholpen worden bij het vinden van werk.
Uit de gesprekken blijkt verder dat, meer dan bij de overige oudkomers, veel directe familieleden van de voormalig Joegoslaven woonachtig zijn in voormalig Joegoslavië. Daarnaast is de helft van de respondenten van plan om in de toekomst terug te keren naar voormalig Joegoslavië. Voorwaarde hierbij is wel dat kinderen hier een zelfstandig bestaan hebben opgebouwd of dat een eventuele toekomst in voormalig Joegoslavië ook voor de kinderen zeker is gesteld.
Algemene opmerkingen
Hieronder worden enkele algemene opmerkingen geplaatst over de onderwerpen die in het onderzoek centraal hebben gestaan, te weten taalbeheersing, opvoeding en werksituatie. Afgesloten wordt met enkele overige aandachtspunten.
Taalbeheersing
Uit het onderzoek onder de oudkomers is gebleken dat de taalbeheersing van met name de eerste generatie Turken en Marokkanen matig tot slecht is. Daarbij geven enkelen aan dat zij geen concrete plannen hebben om het Nederlands beter te leren beheersen. De mening van en over de eerste generaties is dat het voor hen weinig zinvol is om nog Nederlands te leren, mede gezien het feit dat velen analfabeet zijn. De beperkte beheersing van de Nederlandse taal uit zich in de afhankelijkheid van familieleden of buren bij contacten met instanties, het lezen van brieven, het invullen van formulieren en het kunnen begeleiden van het huiswerk van (klein)kinderen. Om het aanbod van Nederlandse taalcursussen aantrekkelijker te maken en de intentie om het Nederlands te verbeteren om te laten zetten in een daadwerkelijke deelname aan Nederlandse lessen, zou het huidige aanbod op het gebied van Nederlandse lessen moeten worden aangepast, met name in de richting van conversatievaardigheden.
Bij het huidige aanbod van Nederlandse lessen ondervinden moeders specifieke drempels. Moeders hebben weinig gelegenheid om deel te nemen aan taalcursussen omdat het huishouden en de opvoeding van kinderen veel tijd kost. Daarbij vallen de lessen niet altijd binnen de schooltijden van de kinderen zodat oppas nodig is. Enkelen zijn daarnaast van mening dat ze de kinderen zelf willen opvangen, zodat het geen optie is een oppas in te schakelen. Bovendien vindt de cursus Nederlands momenteel plaats in Sappemeer, een locatie die ver is verwijderd van de woonbuurten waar de meeste oudkomers wonen.
Een bijkomend aandachtspunt op het gebied van de taalbeheersing is dat in werksituaties door werknemers onderling vaak in een Gronings dialect wordt gesproken. Vooral de oudkomers die het Nederlands niet helemaal machtig zijn, zijn niet of nauwelijks in staat om het Gronings te verstaan en te spreken. Hierbij dient echter ook te worden vermeld dat sommige oudkomers in Hoogezand-Sappemeer zijn opgegroeid en zelf met een Gronings accent spreken en het dialect wel verstaan.
Opvoeding
Een belangrijk aspect binnen de opvoedingssituatie is dat er veel wordt gevergd van het aanpassingsvermogen van de kinderen onder de oudkomers. Kinderen krijgen vaak erg tegenstrijdige indrukken: de (culturele) normen en waarden die thuis gelden verschillen aanzienlijk van die op school en op straat. Ook voor de ouders is het soms moeilijk om hiermee om te gaan. Dit is een aspect waarvoor geen directe oplossing is te vinden. Sommige respondenten geven aan dat naarmate de jaren verstrijken deze problemen zullen verdwijnen. Wanneer de tweede, maar met name de derde generatie volwassen is geworden en het leven verder heeft opgebouwd in Nederland, zullen de culturele verschillen een veel kleinere rol spellen. Tot die tijd is het echter wel belangrijk rekening te houden met de processen die gaande zijn, vooral de tegenstrijdige indrukken die kinderen van oudkomers (maar ook nieuwkomers) opdoen en de wrijvingen die dit oplevert binnen de gezinnen.
Een ander aandachtspunt is dat allochtone ouders vaak (te) veel verwachten van de Nederlandse leerkrachten. In het land van herkomst vervult een leerkracht een machtige en invloedrijke positie bij de opvoeding van kinderen gedurende de schooltijden. Nederlandse leerkrachten zijn wat dat betreft terughoudender en minder invloedrijk.
Daarnaast is het Nederlandse schoolsysteem voor veel ouders onbekend. Hiermee wordt niet alleen de wijze waarop de scholen functioneren bedoeld, maar ook de mogelijkheden voor vervolgonderwijs en het belang van een goede opleiding. Ouders leggen zich vaak makkelijk neer bij de beslissingen omtrent de vervolgopleiding van hun kinderen, omdat ze zich niet bewust zijn van de diverse mogelijkheden. Daarbij komt het voor dat kinderen door hun taalachterstand minder kansen krijgen voor het volgen van een goede opleiding.
Werksituatie
Oudkomers betreuren het vaak dat ze, wanneer er sprake is van een taalachterstand, weinig kansen op de arbeidsmarkt krijgen. Zij pleiten er voor dat het arbeidsbureau, uitzendbureaus en werkgevers niet te veel nadruk moeten leggen op het criterium taalbeheersing bij het aannemen van personeel. De mening van de oudkomers is dat juist op de werkplek de taal verder kan worden geleerd. Capaciteiten, inzet en motivatie zijn volgens hen even belangrijk om een functie goed uit te oefenen. Hiernaar wordt volgens hen te weinig gekeken door potentiële werkgevers. Overigens geldt dit niet zo zeer voor de eerste generatie oudkomers, zij kwamen naar Nederland als gastarbeider en verrichtten voornamelijk productiewerk waarbij een goede communicatie nauwelijks een rol heeft ge-speeld. Hierbij wordt tevens opgemerkt dat de deelname aan het arbeidsproces een verdere integratie in de samenleving bevordert. Zowel de eerste als de tweede generatie oudkomers leert veel over de Nederlandse samenleving op de werkplek, Nederlandse colle-ga's worden vrienden en staan de oudkomers zo nodig bij in geval van problemen.
Uit enkele gesprekken blijkt verder dat de uitkering van de sociale dienst te hoog wordt gevonden; veel jonge werklozen worden hierdoor niet gestimuleerd om te gaan werken. Vaak is het in het land van herkomst noodzakelijk voor het normale levensonderhoud om een baan te hebben. In Nederland redt men zich makkelijker met behulp van het hier geldende uitkeringssysteem.
Verder lijkt het er op dat met name de allochtone werknemers 'slachtoffer' worden van de regels omtrent tijdelijke en vaste contracten. Veel oudkomers geven aan dat ze steeds kortdurende contracten krijgen welke niet worden verlengd in verband met de (aangepaste) arbeidswetgeving.
Tenslotte wordt door veel respondenten opgemerkt dat het arbeidsbureau weinig tot geen activiteiten onderneemt om de werkzoekende oudkomers te helpen bij het vinden van werk. Na inschrijving wordt vaak niets meer van het arbeidsbureau vernomen, tenzij de werkzoekenden zelf het initiatief nemen om medewerkers van het arbeidsbureau dagelijks of wekelijks te benaderen.
Overige aandachtspunten
Een aspect dat zeker aandacht verdient is de vraag waar oudkomers naar toe kunnen gaan wanneer zij bejaard zijn. Van oudsher is het bij alle vijf primaire groepen oudkomers gebruikelijk dat kinderen hun ouders in huis te nemen wanneer deze niet meer voor zichzelf kunnen zorgen. Deze kinderen zijn inmiddels echter meer gericht op de Nederlandse manier van leven, zij zijn meer gesteld geraakt op hun privacy en vinden het niet meer vanzelfsprekend om hun ouders in huis te nemen. Daar komt bij dat de Nederlandse huizenbouw geen rekening houdt met grote gezinnen waarbij drie generaties bij elkaar in kunnen wonen. Daarnaast is voor veel oudere oudkomers het systeem van bejaarden- en verzorgingstehuizen niet goed bekend. Bovendien zijn ze bang dat deze tehuizen niet zijn ingericht op islamitische of overige culturele gewoonten. Hoewel een aantal oudkomers heeft aangegeven wellicht terug te keren naar het land van herkomst, zal dit lang niet voor allen werkelijkheid worden. Al met al is het duidelijk dat er aandacht zou moeten worden besteed aan de bejaardenzorg voor oudkomers.
Een positieve constatering is dat vrijwel alle respondenten van alle vijf primaire groepen oudkomers aangeven dat zij een goed contact hebben met de buren en buurtgenoten. Voor een groot aantal betreffen dit buren van allerlei nationaliteiten, waaronder Nederlandse. Daarnaast zijn veel respondenten van mening dat ze redelijk tot goed geïntegreerd zijn in de Nederlandse samenleving. Hoewel het moeilijk is om hier objectieve maatstaven voor te hanteren, is het bemoedigend om te weten dat de oudkomers zich over het algemeen thuis voelen in Nederland en de gemeente Hoogezand-Sappemeer.
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.