INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies
 
Ons een zorg
Bestelinformatie
Deze publicatie is te bestellen door overmaking van
€ 12,50 + € 3,50 verzendkosten (bij bestelling van meerdere publicaties € 6,00) op rekening NL31 INGB 000 4 5997 84 ING-Bank ten name van Stichting INTRAVAL te Groningen, onder vermelding van de titel(s) en uw naam + adres.
4. Conclusies
Het aantal overlastveroorzakers in de binnenstad van Groningen wordt de laatste jaren geschat op ongeveer 75 tot 90 personen. Het merendeel is verslaafd aan drugs, een kleiner deel aan alcohol. Bovendien wordt een deel van de drugsverslaafden regelmatig geverbaliseerd voor het nuttigen van alcoholhoudende dranken op de openbare weg.
In dit onderzoek is uitsluitend gekeken naar drugsverslaafde, langdurige, stelselmatige overlastveroorzakers. De omvang van deze subcategorie, die zich vooral in en rond de binnenstad van Groningen ophoudt, wordt geschat op ongeveer 30 tot 40 personen. De mate van overlast die zij veroorzaken is vastgesteld op basis van politieregistraties, waarbij alleen drugsverslaafden zijn geselecteerd die in de periode april 1997 tot en met maart 2001 gedurende alle jaren in de politieregistraties voorkomen.
4.1 Selectie top 15
Voor de selectie van de 15 grootste harddrugsverslaafde overlastveroorzakers is gebruik gemaakt van twee registratiesystemen van de Regiopolitie Groningen. In de Tobiasregistratie worden de processen-verbaal voor APV-overtredingen vastgelegd en in het Herkenningssysteem (HKS) de processen-verbaal voor misdrijven. Beide informatiebronnen zijn aanvullend op elkaar en bevatten de meest geobjectiveerde gegevens uit registraties die beschikbaar zijn. Bij de hulpverlening zijn in de registraties geen gegevens beschikbaar over overlastgevend gedrag van cliënten, hetgeen niet onlogisch is gezien hun kerntaken en -activiteiten.
In de HKS registratie staan jaarlijks ongeveer 250 personen vermeld met gevarenclassificatie 2 ‘Harddrugsgebruiker’ en wonend of verblijvend in de gemeente Groningen. In totaal hebben 75 personen antecedenten in alle vier jaren opgebouwd. Deze personen hebben overigens niet alleen misdrijven in de binnenstad gepleegd, maar ook elders in de gemeente Groningen. In de Tobiasregistratie, die teruggaat tot maart 1998, staan jaarlijks ongeveer 100 drugsverslaafden vermeld, waarvan 26 in alle jaren voorkomen. De aantallen uitgereikte processen-verbaal uit beide registraties zijn per drugsverslaafde gesommeerd, waarbij een zwaarder gewicht is toegekend aan de APV-overtredingen die in Tobias staan vermeld. De reden hiervoor is dat de lengte van de registratieperiode een jaar korter is en het aantal processen-verbaal gemiddeld lager is dan bij misdrijven. Verder blijkt uit onderzoek naar drugsoverlast dat bewoners juist de meeste hinder ondervinden van gedragingen van drugsverslaafden die leiden tot verstoringen van de openbare orde, zoals het zich ophouden in portieken, samenscholingen, schreeuwen en tieren op straat, bedelen en handel in harddrugs. Ook de criminaliteit in hun buurt vinden zij vervelend, maar van de gepleegde misdrijven weten zij vaak niet wie de daders zijn.
De rangorde op basis van aantallen processen-verbaal voor APV-overtredingen en misdrijven bepaalt uiteindelijk de top 15 van overlastveroorzakers. Bij een andere weging van de processen-verbaal, bijvoorbeeld door eenzelfde gewicht toe te kennen aan overtredingen en misdrijven zou de top 15 enigszins anders van samenstelling zijn geweest. Met name de posities tien tot en met vijftien zouden andere personen hebben opgeleverd. Ook deze personen zouden echter afkomstig zijn uit de groep van ongeveer 30 tot 40 drugsverslaafden die tot de harde kern van overlastveroorzakers in en rond de binnenstad van Groningen kunnen worden gerekend.
De top 15 van overlastveroorzakers bestaat grotendeels (12 personen) uit mannen. De gemiddelde leeftijd is 39 jaar. De oudste persoon is 52 jaar, terwijl de jongste 32 jaar is. Van de 15 personen is de meerderheid (10 personen) van Nederlandse afkomst. De overige vijf zijn van Antilliaanse, Surinaamse of Marokkaanse herkomst.
   
4.2 Maatregelen
Om de drugsoverlast te verminderen is de afgelopen jaren een groot aantal maatregelen genomen. Zo zijn er opvangvoorzieningen bijgekomen (12e Huis, gebruiksruimte, nachtopvang en woontrainingscentrum Lauwershuis), het heroïne-experiment is gestart, een mede door verslaafden verkocht blad (De Riepe) is verschenen, het Heisateam is onverminderd actief en de overlastmeldpunten functioneren steeds beter. Ondanks alle maatregelen veroorzaakt een deel van de verslaafden nog steeds overlast.
Uit de resultaten van dit onderzoek onder de top 15 van overlastveroorzakers blijkt dat de huidige maatregelen vaak weinig vat hebben op deze 15 personen en hun overlastveroorzakend gedrag. In het algemeen geldt dat bij het nemen van maatregelen een onderscheid moet worden gemaakt naar maatregelen die op korte termijn en op lange(re) termijn moeten worden genomen. Daarnaast zal rekening moeten worden gehouden met de effecten van maatregelen, waarbij eveneens een onderscheid naar korte en lange termijn dient te worden gemaakt.
Om de effectiviteit van de maatregelen te vergroten is intensiever contact met de doelgroep noodzakelijk. De contacten met de hulpverlening zijn meestal echter schaars en veelal vluchtig van aard. Inhoudelijk komen de gesprekken vaak niet verder dan het tonen van belangstelling en motiveren voor verdere hulpverlening. Doorverwijzingen naar overige vormen van hulpverlening vinden weinig plaats. Daarvoor zal overigens eerst de behoefte aan hulp duidelijk moeten zijn. Indien met veel moeite een contact tot stand is gebracht, bloedt dit vaak weer dood. Vervolggesprekken vinden vaak niet plaats, omdat de persoon niet verschijnt op de afspraak. Als ze al behoefte hebben aan hulp dan bepalen ze zelf het moment wel.
Zeven van de 15 overlastveroorzakers illustreren in dit onderzoek hoe lastig zij te bereiken zijn. Ook contacten met de onderzoekers worden door hen gemeden. De term zorgmijders is bij de 15 overlastveroorzakers weliswaar op zijn plaats, maar wellicht nog te eng omschreven. Zij mijden bij voorkeur alle contacten met personen die zij niet kennen of waarvan zij geen voordeel verwachten. De term onbereikbare zorgmijders lijkt voor deze categorie beter op zijn plaats.
Ondanks het feit dat de aanpak van overlast met de huidige maatregelen bij deze top 15 structureel vaak weinig succesvol is, betekent dit niet dat geen enkele maatregel effect heeft. Een belangrijke succesfactor voor het structureel verminderen van overlast blijkt het hebben van woonruimte te zijn. Bij tenminste vier overlastveroorzakers is het overlastgevend gedrag sterk afgenomen nadat zij over een eigen woonruimte beschikken. Zelf geven zij ook aan dat de angst om de woning te verliezen ze voorzichtiger maakt. Wel hebben zij lang moeten wachten en veel moeite moeten doen om een geschikte woonruimte te krijgen. Zij beseffen dan ook goed wat ze te verliezen hebben.
Overigens is woonruimte niet de enige factor die een rol speelt. Ook het hebben van een stabielere leefsituatie, het onder controle hebben van een psychische stoornis door regelmatig medicijngebruik of de afname van fysieke krachten door het ouder worden of vanwege ziekte is van belang. Welke factoren doorslaggevend zijn geweest voor het verminderen van overlastgevend gedrag zal per persoon verschillen. Hulpverleners, maar ook de overlastveroorzakers zelf, noemen huisvesting vaak als een belangrijke, aanvullende maatregel. De kanttekening die hierbij met name door hulpverleners wordt gemaakt is dat de personen bij het wonen intensief dienen te worden begeleid. Het zonder meer aanbieden van woonruimte zal wellicht tot minder overlast in de binnenstad van Groningen leiden, maar waarschijnlijk tot meer overlast voor de omwonenden rondom de verkregen woning. De woonbegeleiding dient zich daarom tevens te richten op het in stand houden van een goede relatie met omwonenden.
4.3 Capaciteit
Capaciteitsproblemen doen zich bij de meeste instellingen zo op het eerste gezicht weinig voor. Het aantal medewerkers lijkt voldoende om de primaire taken naar behoren uit te voeren. Dit geldt met name voor de opvangvoorzieningen. Indien de aanpak meer is gericht op of zelfs afhankelijk is van een intensieve begeleiding, bijvoorbeeld bij de uitvoering van de plannen van aanpak van de (verslavings)reclassering, dan is er echter sprake van een te hoge werkdruk en derhalve van een tekort aan capaciteit. In de praktijk leidt een dergelijk tijdgebrek tot minder begeleiding voor de meest lastige cliënten, vaak overlastveroorzakers uit de top 15.
Het winnen van het vertrouwen van personen, die al jarenlang op straat leven en een lange verslavingscarrière hebben, vergt een grote investering in tijd en aandacht en vereist bovendien specifieke vaardigheden. Pas nadat het vertrouwen is verkregen, door bijvoorbeeld praktische zaken (uitkering, schuldenproblematiek, huisvesting, regelmatig schone kleren) te regelen voor de cliënt, is de tijd rijp voor verdere hulpverlening. Ook dan is echter succes niet verzekerd. Uit de interviews blijkt bijvoorbeeld dat de meeste overlastveroorzakers het gebruik van drugs niet meer zullen opgeven. De drang naar drugs is zo groot dat zij bereid zijn hiervoor te stelen, geweld te gebruiken, zich te prostitueren en anderen op te lichten of af te persen. Het gebruik zelf is tot doel geworden en vaak niet eens meer een middel om uit de werkelijkheid te ontsnappen. Het verwerven van middelen om drugs te kunnen scoren heeft een zo’n centrale rol in hun leven gekregen dat alle overige levensbehoeften zijn verdrongen. De voortdurende onrust die dit met zich meebrengt blijkt tevens uit hun gedrag; continue op pad, geen rust om met anderen te praten en constant uit op eigen voordeel.
Hulpverleners komen bij drugsverslaafden die dergelijk gedrag vertonen domweg niet aan bod. Op momenten dat zij enigszins tot rust komen, meestal onder dwang, bijvoorbeeld vanwege detentie of (psychiatrische) ziekenhuisopname, zou de hulpverlener attent moeten zijn. Uit de registraties van de reclassering blijkt echter dat het aantal hulpverleningscontacten in detentieperiodes gering is, terwijl verslaafden ook niet of nauwelijks worden bezocht tijdens regelmatig voorkomende ziekenhuisopnames.
Een beter gebruik maken van de contactmogelijkheden vraagt andere, actievere vormen van hulpverlening dan de huidige. De contacten met overlastveroorzakers zullen met name intensiever worden, maar de frequentie niet perse hoger. Dit zal wel enige verhoging van de capaciteit betekenen, maar bij een goede taakverdeling, betere informatie-uitwisseling en intensievere samenwerking tussen de instellingen waarschijnlijk minder dan in eerste instantie het geval lijkt.
4.4 Samenwerking
Bij de aanpak van de overlast is samenwerking tussen instellingen essentieel. Die samenwerking is in Groningen in aanzet zeker aanwezig. De hulpverleners kennen elkaar en hebben regulier contact. Sommige problematische cliënten worden besproken in zogenoemde zorgconferenties waaraan alle betrokken hulpverleners deelnemen. De effectiviteit van deze vorm van hulpverleningsoverleg is echter verminderd. Een van de belangrijkste knelpunten bij de top 15 is het gebrek aan inhoudelijk contact met de overlastveroorzaker zelf. Te vaak blijft mede daardoor onduidelijk welke instelling verantwoordelijk is voor de continuïteit van de hulpverlening voor de betrokken persoon.
Voor enkele overlastveroorzakers geldt bovendien dat hulpverleners niet meer weten welke aanpak moet worden gevolgd. Alle mogelijke interventies zijn reeds meerdere malen uitgevoerd zonder dat dit tot zichtbare verbeteringen heeft geleid. Alternatieven zouden niet langer voorhanden zijn. In de praktijk betekent dit vaak dat wordt getracht de desbetreffende personen zoveel mogelijk van de straat te houden door ze voor elke overtreding, hoe gering ook, aan te houden. Het opstapelen van feiten en het niet betalen van boetes leidt tot de volgende korte gevangenisstraf. De opgelegde straffen zijn te kort om de overlastveroorzakers in een zwaarder justitieel kader te plaatsen, bijvoorbeeld in de Stelselmatige Dader Aanpak. Voor een dergelijk regime moeten verdachten in het voorafgaande jaar minimaal een gevangenisstraf van acht maanden opgelegd hebben gekregen. Als aanvullende maatregel voor deze categorie is door hulpverleners de strafrechtelijke opvang voor verslaafden (SOV) genoemd, die naast een dwang- ook een drangvariant kent. Juist overlastveroorzakers, die vaak lichte vergrijpen plegen, zouden hiervoor in aanmerking moeten komen.
Naast een uitbreiding met drang- en dwangmaatregelen kan ter bestrijding van de overlast de keten verder worden versterkt. Instellingen in de opeenvolgende schakels in de keten - bestaande uit: de eerste contactlegging via Straatteam en laagdrempelige opvangvoorzieningen; de zorginstellingen; en het repressieve apparaat - communiceren nog onvoldoende met elkaar. Wellicht dat een centrale intake waarover momenteel tussen hulpverleningsinstellingen (AVG, Kuno van Dijk Stichting, GGz, Giska en GGD) voor de OGGz overleg plaatsvindt, kan worden uitgebreid met de doelgroep van dit onderzoek. Ook de vraag van bestuurders of het mogelijk is dat een instelling zich in formele zin verantwoordelijk stelt voor een persoon met een specifieke hulpvraag of problematiek, in dit geval overlastveroorzakende drugsverslaafden, zou hierin kunnen voorzien. Hierbij wordt gedacht aan een vorm van casemanagement. Veel voorkomende knelpunten bij casemanagement zijn echter competentiestrijd, onduidelijkheid over bevoegdheden en geen eenduidigheid over de te bereiken doelen per individuele hulpvrager. Tevens dreigt het gevaar van een uitdijende hulpverlening waar meer wordt overlegd dan hulp wordt verleend. Voordat dan ook tot casemanagement wordt besloten dienen hulpverleningsinstellingen overeenstemming te bereiken over elkaars competenties en duidelijke afspraken te maken over verantwoordelijkheden en bevoegdheden van individuele hulpverleners.
Hulpverleners zijn verder vaak onvoldoende op de hoogte van het overlastveroorzakend gedrag van hun cliënten. De informatie-uitwisseling tussen, maar ook binnen instellingen laat nog regelmatig te wensen over. Over slechts enkele overlastveroorzakers zijn zorgconferenties georganiseerd, terwijl hulpverleners in gesprekken aangeven niet meer te weten welke aanpak of alternatieve maatregelen nog kunnen worden genomen. Een bijkomend effect van zorgconferenties is bovendien het bevorderen van de onderlinge contacten tussen hulpverleners en de mogelijkheid overeenstemming te bereiken over de benadering van de cliënt. Wel lijken zorgconferenties pas zinvol wanneer met de overlastveroorzaker echt contact is, hetgeen bij de top 15 een probleem is, met name bij de onbereikbare zorgmijders. Meer outreachend werken, het opzoeken van de overlastveroorzakers in hun eigen woon- en leefomgeving, kan het contact intensiveren en verbeteren.
Verder vinden overdrachten van cliënten niet altijd plaats, met name de overgang van detentie naar in vrijheidstelling wordt vaak onvoldoende begeleid. De communicatie tussen de penitentiaire verslavingsreclassering en de zogenoemde buitenreclassering, verzorgd door Reclassering Nederland, het Leger des Heils en de AVG, laat te wensen over. Enkele overlastveroorzakers geven zelfs aan dat zij opzien tegen de invrijheidstelling. De terugkeer in de samenleving is voor hen een angstig moment. Bij gebrek aan alternatieven vervallen zij bij terugkeer weer vrij snel in hun oude, overlastgevende gedrag. Contactlegging tijdens detenties wordt bemoeilijkt doordat gevangenisstraffen veelal van relatief korte duur zijn en voornamelijk buiten de stad Groningen worden uitgezeten. Bovendien maakt het ontbreken van een als aanspreekpunt fungerend contactpersoon het voor de hulpverlening binnen de penitentiaire instelling lastig om afspraken te maken met de hulpverlening buiten.
Tenslotte treedt bij medewerkers die gedurende langere tijd met zorgmijders werken een zekere mate van hulpverleningsvermoeidheid op. Het aansporen en telkenmale aanbieden van hulp aan niet gemotiveerde drugsverslaafden brengt op den duur zelfs bij de meest gedreven hulpverleners verschijnselen van vermoeidheid, of zelfs burnout, met zich mee. Met name het uitblijven van zichtbare resultaten ondanks al hun inzet leiden tot frustraties en gevoelens van onmacht. Betere coaching en begeleiding van medewerkers zou deze verschijnselen kunnen verminderen.
Daarnaast geldt dat het contact met de hulpverlening minder vrijblijvend dient te zijn. Hulpverleners zouden meer nadruk moeten leggen op de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Benadrukt dient te worden dat de cliënt, ook al zijn de leefomstandigheden nog zo slecht, een eigen keuze heeft. Goede keuzes, die leiden tot minder last voor zijn omgeving of tot een verbeterde gezondheid dienen te worden beloond, slechte keuzes dienen strafrechtelijk te worden vervolgd of genegeerd. Geen keuze kan hierbij als een slechte keuze worden beschouwd, immers een voortzetting van het overlastgevende gedrag.
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.