INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies
 
Aantallen coffeeshops en gemeentelijk beleid in 2001
Bestelinformatie
Deze publicatie is te bestellen door overmaking van
€ 11,- + € 3,50 verzendkosten (bij bestelling van meerdere publicaties € 6,00) op rekening NL31 INGB 000 4 5997 84 ING-Bank ten name van Stichting INTRAVAL te Groningen, onder vermelding van de titel(s) en uw naam + adres.
Hoofdstuk 4    Samenvatting
In dit hoofdstuk wordt de samenvatting gepresenteerd van de belangrijkste resultaten van de herhaalde meting naar aantallen officieel gedoogde coffeeshops en gemeentelijk cannabisbeleid. Allereerst wordt kort ingegaan op de opzet van de monitoring. In de tweede paragraaf wordt aandacht besteed aan het aantal coffeeshops in Nederland. Vervolgens komt het gemeentelijk softdrugsbeleid aan bod. De laatste paragraaf geeft de belangrijkste conclusies weer.
4.1 Opzet
Deze meting is de zesde in een reeks inventarisaties van aantallen en soorten verkooppunten van cannabis en vormen van lokaal en nationaal softdrugsbeleid. Het is de derde meting waarbij ambtenaren van alle Nederlandse gemeenten zijn ondervraagd. Het onderzoek heeft tot doel inzicht te verschaffen in het aantal officieel gedoogde coffeeshops in Nederland. Daarnaast wordt aandacht besteed aan veranderingen in het softdrugsbeleid zoals dat door de Nederlandse gemeenten wordt gevoerd. De monitoring geeft antwoord op de volgende twee onderzoeksvragen:
1. Hoeveel officieel gedoogde coffeeshops zijn er eind 2001 in Nederland vergeleken met de jaren daarvoor?
2. Welke vormen van gemeentelijk coffeeshopbeleid worden toegepast en welke veranderingen zijn ten opzichte van voorgaande jaren opgetreden?
Voor het beantwoorden van deze vragen heeft onderzoeks- en adviesbureau INTRAVAL, in opdracht van het WODC van het Ministerie van Justitie, een telefonische enquête gehouden onder de verantwoordelijke ambtenaren van alle 504 gemeenten in Nederland. De resultaten worden vergeleken met de resultaten van de metingen uit 2000 en 1999 (Bieleman en Goeree 2001, 2000).
4.2 Coffeeshops
Figuur 4.1 laat de ontwikkeling in het aantal coffeeshops zien over de jaren 1997 tot en met 2001.
Figuur 4.1
Aantal coffeeshops in Nederland in 1997(1), 1999, 2000 en 2001
Aantal coffeeshops in Nederland in 19971, 1999, 2000 en 2001
1. Het betreft hier een schatting. Zie voor nadere uitleg 'Cannabis in Nederland' (Bieleman e.a. 1997).
   
Eind 2001 telt Nederland 805 officieel gedoogde coffeeshops verdeeld over 105 gemeenten. In 2000 hadden 103 gemeenten samen 813 coffeeshops. Het aantal coffeeshops is in 2001 ten opzichte van 2000 derhalve afgenomen met 1%. Deze daling is geringer dan tussen 2000 en 1999, toen was er sprake van een afname van 4%. Ten opzichte van 1999 is het aantal coffeeshops in 2001 afgenomen met 5%. Vergeleken met de schatting uit 1997 laat het aantal coffeeshops in 2001 een afname zien van 32%.
In de vier grote steden is het aantal coffeeshops in 2001 in vergelijking met 2000 afgenomen met 3%. In 2000 was het aantal coffeeshops in de vier grootste gemeenten 426, terwijl dit er in 2001 413 zijn. Naast de vier grote steden in de Randstad bevinden de concentraties van coffeeshops zich in de grote steden van Noord Brabant, in Zuidoost Drenthe, het zuiden van Groningen, het Gooi en in mindere mate in Twente, de Achterhoek, het zuiden van Zeeland en het zuiden van Limburg. Ten opzichte van 2000 zijn hierin weinig veranderingen te constateren.
4.3 Beleid
Van alle 504 Nederlandse gemeenten heeft 95% beleid geformuleerd om het aantal coffeeshops te reguleren. Het merendeel van de gemeenten heeft één van de volgende vormen van beleid: nulbeleid; maximumstelsel; verminderingsbeleid; uitsterfbeleid; ontmoedigingsbeleid; Bussumse model; vestigingsbeleid; en regionaal beleid.
Op het eerste gezicht lijkt het aantal gemeenten met een nulbeleid in 2001 ten opzichte van 2000 te zijn afgenomen. In 2000 hadden 396 gemeenten een nulbeleid, in 2001 zijn het er 370. Deze afname wordt echter veroorzaakt door de gemeentelijke herindeling van 1 januari 2001, waardoor het totale aantal gemeenten is verminderd van 538 naar 504. Verhoudingsgewijs hebben zich nauwelijks veranderingen voorgedaan. In 2000 had 74% van alle gemeenten een nulbeleid, in 2001 is dit 73%. In totaal hebben in 2001 zes gemeenten zowel een nulbeleid als een coffeeshop. Dit is één gemeente meer dan in 2000.
Na het nulbeleid wordt het maximumstelsel het meest toegepast. In 2001 heeft 17% van de gemeenten een maximumstelsel. Dit is evenveel als in 2000. Het aantal gemeenten met meer coffeeshops dan volgens het beleid is toegestaan is afgenomen, terwijl het aantal gemeenten met evenveel coffeeshops als toegestaan is toegenomen.
4.4 Tenslotte
Uit de resultaten van deze meting blijkt dat in 2001 ten opzichte van 2000 weinig veranderingen hebben plaatsgevonden in zowel het aantal coffeeshops als de beleidsvormen. Het aantal coffeeshops is enigszins gedaald ten opzichte van 2000. Deze daling is echter geringer dan tussen 1999 en 2000. Zoals reeds eerder is opgemerkt, wordt de daling van het aantal coffeeshops langzaam maar zeker minder en lijkt het richting een stabilisatie te gaan (Bieleman en Goeree 2001).
Relatief gezien zijn er in het soort beleid dat de diverse gemeenten voeren nauwelijks veranderingen opgetreden ten opzichte van 2000 en 1999. Evenals in de voorgaande jaren voert bijna drie kwart van de Nederlandse gemeenten een nulbeleid.
Noten
1. In 1997 is het aantal coffeeshops in Nederland op basis van een steekproef van 116 gemeenten geschat op 1.179 (Bieleman e.a. 1997).
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.