INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies
 
Evaluatie Cameratoezicht Groningen
PDF-bestanden van dit rapport
Samenvatting (25 Kb)
Bestelinformatie
Deze publicatie is te bestellen door overmaking van
€ 11,35 + € 3,50 verzendkosten (bij bestelling van meerdere publicaties € 6,00) op rekening NL31 INGB 000 4 5997 84 ING-Bank ten name van Stichting INTRAVAL te Groningen, onder vermelding van de titel(s) en uw naam + adres.
Samenvatting en Conclusies
In dit afsluitende hoofdstuk wordt allereerst een beknopt overzicht gegeven van de belangrijkste verschillen tussen de eindmeting (twee jaar na invoering) en de meting voorafgaande aan de invoering van het cameratoezicht aan de hand van de thema's veiligheidsbeleving, geweld en agressie en toezicht. Vervolgens worden de geweldsdelicten in het cameragebied bediscussieerd in relatie tot het overige deel van de stad Groningen, waarbij tevens wordt ingegaan op neveneffecten en verplaatsingseffecten. Afgesloten wordt met enkele concluderende opmerkingen.
Voor het evaluatie-onderzoek zijn door bureau INTRAVAL drie metingen verricht onder de direct betrokkenen. Zowel bij de voor- en tussen- als bij de eindmeting zijn bezoekers, horeca-exploitanten en bewoners in het cameragebied geënquêteerd en hebben gesprekken plaatsgevonden met politie en justitie in Groningen. Deze metingen zijn aangevuld met registratiegegevens van politie en justitie. Daarnaast zijn in de nul- en eindmeting gesprekken gevoerd met taxi- en nachtbuschauffeurs en hebben groepsgesprekken plaatsgevonden met medewerkers van hulpverlenende instellingen (GGD Groningen e.o.; ZTM) en de regiopolitie Groningen.
Bij gebrek aan een vergelijkbaar uitgaansgebied in Groningen dat als controlegebied zou kunnen gelden, zijn de veranderingen in de veiligheidssituatie in het uitgaansgebied voor en na de invoering van het cameratoezicht het belangrijkste criterium voor de evaluatie. De belangrijkste indicatoren hierbij zijn slachtofferschap van fysiek geweld, ooggetuige van fysiek geweld en onveiligheidsbeleving. In alle metingen is gevraagd naar de ervaringen van betrokkenen in het cameragebied.
7.1 Veiligheidsbeleving
Zowel de bewoners als de bezoekers van het cameragebied voelen zich na invoering van het cameratoezicht veiliger. Bij de bewoners doet deze toename van het veiligheidsgevoel zich met name voor in het tweede jaar van het cameratoezicht. Voelt in 1999 43% van de bewoners zich wel eens onveilig in de eigen woonomgeving, in 2001 is dit gedaald tot 27%. De bewoners geven tevens aan minder straten te mijden vanwege onveiligheidsgevoelens. Van de bezoekers voelt ruim de helft (53%) zich voorafgaand aan het cameratoezicht wel eens onveilig. Na het eerste jaar blijkt dit te zijn afgenomen tot 20%, hetgeen laag is voor een drukbezocht uitgaansgebied. In het tweede jaar van het cameratoezicht is de onveiligheidsbeleving weer toegenomen (40%). Dit is overigens nog steeds een verbetering ten opzichte van 1999. Vooral het mijden van straten, met name enkele smalle stegen met geen of beperkt cameratoezicht, blijkt onder bezoekers te zijn toegenomen. Ook de ondernemers en horecamedewerkers geven aan zich in 1999 vaker onveilig te voelen dan in 2001, zij het dat ook zij zich in 2000 het veiligst voelden.
Volgens de geïnterviewde politiefunctionarissen is de sfeer in het uitgaansgebied het afgelopen jaar weinig veranderd. Ook is volgens hen hun veiligheidsgevoel op straat door het cameratoezicht nauwelijks toegenomen. Wel worden de camera's, indien zich geweldsincidenten voordoen, als een steun in de rug ervaren. Politiefunctionarissen die als voetpost werkzaam zijn in het uitgaansgebied nemen wanneer ze agressie waarnemen vaak contact op met de meldkamer om te vragen of de camerabedienaars ondersteunende informatie kunnen geven. De camera's dienen wanneer zich agressieve situaties voordoen vooral als hulpmiddel. De samenwerking tussen voetposten en camerabedienaars verloopt goed.
   
7.2 Geweld en agressie
Het percentage bewoners dat slachtoffer is geweest van fysiek geweld is afgenomen van 8% in 1999 tot 3% in 2001. Van verbaal geweld zijn zij eveneens minder vaak het slachtoffer geweest. Onder de bezoekers is het slachtofferschap van fysiek geweld niet afgenomen. Wel zijn bezoekers in 2001 minder vaak ooggetuige geweest van fysiek geweld dan in 1999. Relatief weinig bezoekers die slachtoffer zijn geweest van agressie en geweld doen hiervan aangifte (zes van de 20 slachtoffers in 1999; drie van de 15 in 2000; twee van de 13 in 2001). Wel wordt van daadwerkelijk fysiek geweld vaker aangifte gedaan van verbaal geweld. Onder ondernemers en horecamedewerkers is het slachtofferschap van geweld en agressie niet veranderd. Zij hebben voornamelijk te maken met verbale agressie. Verder veroorzaken de klanten volgens de horeca-ondernemers in 2001 niet minder vaak overlast dan in 1999. Ook de hinder die zij hiervan ervaren lijkt in 2001 niet te zijn afgenomen. De meldingsbereidheid van (gewelds-)incidenten is onder de horecamedewerkers onveranderd gebleven.
Volgens de geïnterviewde politieagenten is de afgelopen jaren weinig veranderd in de aard en de omvang van het uitgaansgeweld. Het gaat volgens hen meestal om impulsief agressief gedrag. De agressie komt vooral voor in het tweede deel van de nacht wanneer de daders sterk onder invloed van alcohol en/of drugs zouden zijn. Op die momenten laten zij zich volgens de politie door camera's niet weerhouden van agressief gedrag. Uit de registratie van de ambulancedienst blijkt dat oproepen vanuit het cameragebied zich met name 's ochtends tussen drie uur en acht uur voordoen.
De politieregistratie laat een toename zien van het aantal geweldsincidenten (zowel geweld met en zonder letsel als seksueel geweld) in het cameragebied in de periode 1999-2001. Verstoringen van de openbare orde vertonen eveneens een stijging. Ook in het overige deel van de binnenstad zijn de door de politie geregistreerde geweldsincidenten en de verstoringen van de openbare orde toegenomen, terwijl dit buiten het centrum, in de woonwijken van de gemeente Groningen, juist is afgenomen.
Het aantal door de politie geregistreerde vermogensdelicten in het cameragebied laat, evenals elders in de stad, een afname zien. Aanvankelijk stijgt in 2000 het aantal vermogensdelicten buiten het cameragebied en lijkt er sprake te zijn van een verplaatsingseffect. Dat is in 2001 niet langer het geval. Het aantal vermogensdelicten is in dat jaar in de gehele gemeente gedaald, ook in het deel van de binnenstad zonder cameratoezicht.
7.3 Toezicht
De tevredenheid onder de bewoners en de bezoekers over het politieoptreden in de binnenstad is in 2001 toegenomen. Ruim de helft van de bewoners (52%) en twee derde van de bezoekers (67%) is hierover (zeer) tevreden. Ook de tevredenheid over het cameratoezicht is vanaf de start positief (84%) en zelfs verder gestegen (91%). Het aantal bewoners dat cameratoezicht een inbreuk vindt op de privacy is jaarlijks afgenomen van een vijfde (22%) in 1999 tot 9% in 2000 en 5% in 2001. Onder de bezoekers is een vergelijkbare ontwikkeling gaande; in 2001 is minder dan een tiende (8%) van mening dat cameratoezicht een inbreuk is op de privacy.
Het aantal geregistreerde geweldsincidenten is sinds het cameratoezicht sterk toegenomen in het uitgaansgebied. Het aantal aangiften is eveneens toegenomen, hetgeen heeft geleid tot meer geweldszaken bij politie en justitie. Beelden van geweldsmisdrijven kunnen achteraf als aanvullend en ondersteunend bewijsmateriaal worden gebruikt. Meestal bekennen de verdachten vlot als ze vernemen dat het incident via camerabeelden is vastgelegd. In overleg met de officier van justitie kunnen de beelden ook aan een verdachte worden getoond. Niet van alle in het cameragebied gepleegde geweldsmisdrijven zijn echter camerabeelden beschikbaar of zijn de beelden van voldoende kwaliteit om de identiteit van de dader(s) onomstotelijk vast te stellen.
In 1999 doen zich in het cameragebied 83 geweldsincidenten voor waarvan een proces-verbaal is opgemaakt, in 2000 is dit toegenomen tot 122 en in 2001 tot 126 zaken. Ook het aantal hiervoor aangehouden verdachten is gestegen (respectievelijk 130, 190 en 201). Deze stijging doet zich met name voor bij personen verdacht van het plegen van geweld op straat. Het aantal aangehouden verdachten van geweldsmisdrijven in horecagelegenheden, winkels en woningen is niet toegenomen.
Sinds het cameratoezicht is het percentage zaken en aangehouden verdachten, dat naar justitie is doorgestuurd, toegenomen. Werd in 1999 van alle aangehouden verdachten ruim de helft (52%) doorgestuurd, in 2001 is dit toegenomen tot 70%. Cameratoezicht draagt hiermee bij aan een verbetering van de opsporing en vervolging van geweldplegers, met name plegers van geweld op straat. Verder heeft zich bij het OM een verschuiving voorgedaan in de afdoeningen. In vergelijking met 1999 is het percentages uitgedeelde transacties in 2000 gestegen, terwijl het percentage verdachten dat een dagvaarding heeft ontvangen is afgenomen. Het percentage geseponeerde zaken is eveneens afgenomen. Voor justitie betekent dit een efficiëntere afdoening van geweldsmisdrijven.
In het deel van de binnenstad zonder cameratoezicht is eveneens sprake van een toename van het aantal geregistreerde geweldsincidenten en aangiften van geweld. Het aantal personen dat voor het plegen van geweldsmisdrijven is aangehouden, is er relatief gering.
7.4 Discussie
Uit een toenemend aantal wetenschappelijke publicaties naar de effecten van cameratoezicht op crimineel gedrag blijkt dat de resultaten vaak gering zijn en niet structureel van aard. In de meest uitgebreide studie van de afgelopen jaren, naar cameratoezicht in Glasgow, wordt geconcludeerd dat als er al sprake is van een vermindering van crimineel gedrag dat die slechts marginaal is (Ditton e.a. 1999). Ook de onderzoeken die de effecten van cameratoezicht ondersteunen, komen niet verder dan een afname van vermogensmisdrijven (vandalisme en inbraken) en hooguit een geringe afname van geweldsmisdrijven (bedreiging of mishandeling). Cameratoezicht zou wel effect hebben op asociaal of onaangepast gedrag, zoals wildplassen, vechten, drugsgebruik en vervuiling. In Den Haag waar het cameratoezicht tot minder incidenten heeft geleid, wordt deze afname grotendeels toegeschreven aan de afname van drugsoverlast. Wel is een deel van de drugsoverlast verplaatst naar omliggende straten.
In de meeste onderzoeken naar de effecten van cameratoezicht zijn de ervaringen en meningen van bezoekers en bewoners over de leefbaarheid en veiligheid niet of slechts marginaal getoetst. Als bij bezoekers en bewoners vragenlijsten zijn afgenomen dan beperken zie zich vooral tot meningen achteraf over cameratoezicht en het effect van cameratoezicht op criminaliteit. Klassieke evaluatieonderzoeken met een voor- en een nameting onder gebiedsgebruikers, zoals bewoners, bezoekers en horecapersoneel, die vragen worden gesteld over onder meer slachtofferschap van (gewelds)criminaliteit en onveiligheidsbeleving zijn zeldzaam.
Bij evaluaties is tot dusverre meestal alleen gebruik gemaakt van politiestatistieken over ontwikkelingen in aangiften van misdrijven en aangehouden verdachten. Voor een betrouwbare evaluatie is het ontoereikend alleen gebruik te maken van deze statistieken. Door het cameratoezicht worden juist meer misdrijven gesignaleerd. Indien er sprake is van een goede opvolging door het gericht inzetten van agenten op straat worden tevens meer aanhoudingen verricht. Bovendien doen slachtoffers eerder aangifte als zij zien dat de politie optreedt tegen geweldplegers en overlastveroorzakers. Door het ontbreken van een voormeting is de aangiftebereidheid van slachtoffers van (gewelds)misdrijven, die met name in uitgaansgebieden meestal niet erg hoog is, niet bekend. Niettemin wordt in veel onderzoeken geconcludeerd dat cameratoezicht niet helpt omdat de criminaliteit, zich uitend in meer aangiften en meer aanhoudingen, is toegenomen.
Resultaten cameragebied Groningen
Het draagvlak voor cameratoezicht in de Groningse binnenstad is bij zowel bewoners als bezoekers bij aanvang reeds groot en is in de afgelopen twee jaar verder toegenomen. Ook de tevredenheid over het politieoptreden is verbeterd. Bewoners, bezoekers en ondernemers zijn zich daarnaast veiliger gaan voelen in het cameragebied.
In het cameragebied in Groningen hebben met name bewoners en bezoekers minder te maken gehad met (verbaal) geweld. Bekend is dat aan het gebruik van geweld vaak een woordenwisseling vooraf gaat. Bij een afname van verbaal geweld kan dan ook een afname van fysiek geweld worden verwacht. Dat is echter bij de bezoekers niet het geval. Zij blijken niet significant minder vaak het slachtoffer te zijn geweest van fysiek geweld, ofschoon het percentage slachtoffers in de afgelopen jaren wel gestaag is gedaald. De trend is positief, maar vooralsnog onvoldoende groot om statistisch significant te zijn. Wel zijn bezoekers minder vaak ooggetuige geweest van fysiek geweld. Dit lijkt er op te wijzen dat het geweld in het cameragebied is afgenomen in de afgelopen twee jaar.
Bedacht moet worden dat de kans dat onder de jaarlijks 150 geënquêteerde bezoekers een slachtoffer van fysiek geweld zit, laag is. In een willekeurig weekeinde bezoeken duizenden personen de horecagelegenheden in het cameragebied. Jaarlijks komen in de politieregistratie ongeveer 400 geweldincidenten voor, gemiddeld acht per weekeinde. Per incident zijn doorgaans enkele personen als dader of slachtoffer betrokken; gemiddeld 1,6 daders per incident, zo blijkt wederom uit de politieregistratie. Het aantal slachtoffers per incident zal niet hoger zijn.
Het jaarlijkse aantal geweldsincidenten in het cameragebied van ongeveer 400 doet zich zowel voor als na de invoering van het cameratoezicht voor. Slachtoffers doen gemiddeld van de helft van deze incidenten aangifte, met name van de geweldsmisdrijven met letsel. Uit de politieregistratie blijkt dat na de invoering van het cameratoezicht het aantal aangiften is toegenomen. Regelmatig zouden de voetposten bij slachtoffers van geweld aandringen op het doen van aangifte, omdat er immers camerabeelden beschikbaar zijn. De verwachting is dat een toename van het aantal aangiften zich met name voordoet bij de geweldsincidenten met letsel, omdat voetposten bij ernstiger geweldsincidenten vaker zullen worden opgeroepen. In 1999 is van alle geregistreerde geweldsincidenten met letsel in 68% van de gevallen aangifte gedaan, in 2000 is dit toegenomen tot 77%, terwijl dit is gestabiliseerd in 2001 (76%). Buiten het cameragebied, in het overige deel van de binnenstad, doet deze toename zich niet voor, terwijl daar het aantal aangiften van geweld wel is toegenomen.
Neveneffecten
Door het cameratoezicht, maar ook door het inzetten van meer voetposten in het cameragebied en een toenemend aantal bezoekers dat aangifte doet, heeft de politie meer verdachten van geweldsmisdrijven kunnen aanhouden, met name verdachten die geweld plegen op straat. Op plekken waar de camera's geen zicht hebben, zoals in horecagelegenheden of in woningen, zijn de aantallen aangehouden geweldplegers constant gebleven. De geweldsmisdrijven waarvan een aangifte is opgenomen (camerabeelden zijn slechts ondersteunend bewijs, een aangifte is derhalve noodzakelijk), heeft in 1999 in 44% van de gevallen geleid tot één of meer aanhoudingen van daders. In 2000 is dit toegenomen tot 53% en in 2001 tot 58%.
Kortom, uit de resultaten van de herhaalde enquêtes onder de bewoners en bezoekers blijkt dat de omvang van het geweld in het cameragebied is afgenomen in de onderzochte periode (1999-2001), terwijl het aantal misdrijven dat ter kennis van de politie is gekomen (meldingen en aangiften) en het aantal aangehouden verdachten is gestegen. Dit betekent dat het verschil tussen de gepleegde misdrijven en de geregistreerde criminaliteit, het zogenoemde dark number, geringer is geworden. Ondanks een dalend geweldsniveau is het aantal aangehouden verdachten door een verhoogde pakkans gestegen. Hierdoor is het inzicht in de geweldscriminaliteit in de binnenstad vergroot.
Een ander effect van het cameratoezicht is de snellere afhandeling van geweldszaken. Onder druk van camerabeelden bekennen verdachten volgens de politie eerder de gepleegde geweldsmisdrijven, hetgeen het toegenomen aantal verdachten deels verklaart. Daarnaast is in het cameragebied het aantal door het OM vervolgde verdachten van geweldsmisdrijven in 2000 toegenomen en leiden deze zaken vaker tot transacties en lijken ze minder tot dagvaardingen te leiden. Meer transacties en minder dagvaardingen kan het gevolg zijn van lichtere zaken. Dit zou betekenen dat sinds de plaatsing van de camera's met name meer verdachten van minder ernstige geweldsmisdrijven bij justitie terechtkomen. Dit zijn juist de delicten waarvan in het algemeen minder vaak aangifte wordt gedaan. Cameratoezicht draagt derhalve bij aan een verbeterde opsporing en vervolging van geweldplegers. Bovendien kunnen de geweldszaken waarvan camerabeelden beschikbaar zijn zowel bij politie als bij justitie efficiënter worden afgehandeld.
Verplaatsingseffecten
Het toegenomen aantal meldingen en aangiften in het cameragebied is conform de verwachtingen. Ook elders blijkt dat meer toezicht leidt tot meer zicht op en aandacht voor de problematiek en in eerste instantie vaak tot meer aangiften en aanhoudingen. Na verloop van tijd lijken deze effecten weer af te nemen. Het aantal door de politie geregistreerde geweldsincidenten is in het cameragebied in de periode 1999-2001 met 11% gestegen, het aantal aangiften met 15% en het aantal aangehouden verdachten met 57%. In het omliggende gebied, het overige deel van de binnenstad is het beeld echter anders. De stijging van het aantal door de politie geregistreerde geweldsincidenten is daar veel groter (57%), terwijl het aantal aangiften met 37% naar verhouding minder is gestegen evenals het aantal aangehouden verdachten (33%). De politie-inzet is buiten het cameragebied uiteraard geringer, hoewel de voetposten ook wel buiten het cameragebied surveilleren.
De stijging van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in het cameragebied kan onder meer worden verklaard door het feit dat door de camerabeelden meer geweldsmisdrijven worden geconstateerd en de toename van het aantal aangiften doordat de politie er bij de slachtoffers op aandringt aangifte te doen. Deze verklaring gaat niet op voor het deel van de binnenstad zonder cameratoezicht waar het aantal aangiften van geweldsmisdrijven eveneens is toegenomen. De vraag is of hier sprake is van verplaatsingseffecten of van lokale, autonome ontwikkelingen, te meer daar in het overige deel van Groningen, buiten de binnenstad, het aantal geregistreerde geweldsincidenten met 10% is afgenomen. Het toegenomen aantal aangiften in de binnenstad buiten het cameragebied doet zich niet voor in de directe omgeving van het uitgaansgebied. De aangiften zijn met name afkomstig uit straten waar ontwikkelingen in de raamprostitutie en fiets- en looproutes, die geen verband houden met cameratoezicht, van grotere invloed lijken te zijn. Desondanks kan niet worden uitgesloten dat een deel van de daders sinds het cameratoezicht bewust elders zijn slag slaat. Dossieronderzoek, aangevuld met diepte-interviews met daders kan meer inzicht geven in de motieven en beweegredenen van daders.
7.5 Tenslotte
De doelstellingen van het experiment cameratoezicht in Groningen zijn kort samengevat: het verminderen van het aantal aangiften van geweldmisdrijven en openbare orde problemen in het uitgaansgebied; het oplossen van strafbare feiten; het voorkomen van inbreuken op de veiligheid; en het terugdringen van het onveiligheidsgevoel.
Doorgaans zijn onveiligheidsgevoelens een goede indicator voor de wijze waarop de omgeving wordt ervaren en beleefd. Uit onderzoek blijkt dat onveiligheidsgevoelens in woonbuurten of uitgaansgebieden onder meer samenhangen met het voorkomen van geweld en overlast. Bewoners of bezoekers die minder met geweld worden geconfronteerd zouden zich derhalve veiliger dienen te voelen. In het cameragebied in Groningen is dit inderdaad het geval. Bezoekers en bewoners zijn minder vaak slachtoffer of ooggetuige geweest van geweld en agressie en hun veiligheidsgevoel is toegenomen.
Het aantal aangiften van geweld in het cameragebied is niet afgenomen. Dat was ook niet te verwachten. Uit evaluaties van toezichtprojecten blijkt dat meer toezicht in eerste instantie vaak leidt tot meer aangiften. Pas na verloop van tijd neemt het aantal aangiften af. Ook in het cameragebied is het aantal aangiften in het eerste jaar toegenomen, terwijl dit in het tweede jaar weer enigszins is gedaald. Mogelijk doen slachtoffers eerder aangifte omdat zij verwachten dat de camerabeelden de kans op het pakken van de dader vergroten en zijn (potentiële) daders zich wellicht meer bewust geworden van het cameratoezicht. De pakkans van daders van geweldsmisdrijven in het cameragebied is inderdaad groter geworden. De politie heeft daar meer daders van geweld op straat aangehouden en meer zaken opgehelderd. Van verplaatsingseffecten als gevolg van het feit dat daders geweldsdelicten bewust buiten het bereik van camera's plegen, lijkt geen sprake te zijn. Helemaal uitgesloten is dit echter ook niet. Aanvullend onderzoek onder daders kan hierover uitsluitsel geven.
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.