INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies
 
Monitor Veiligheid Rotterdam 2000
Bestelinformatie
Deze publicatie is te bestellen door overmaking van
€ 11,35 + € 3,50 verzendkosten (bij bestelling van meerdere publicaties € 6,00) op rekening NL31 INGB 000 4 5997 84 ING-Bank ten name van Stichting INTRAVAL te Groningen, onder vermelding van de titel(s) en uw naam + adres.
Samenvatting en conclusies
Voor het beschrijven van de ontwikkelingen op het gebied van veiligheid en leefbaarheid in de gemeente Rotterdam en de deelgemeenten is gebruik gemaakt van gegevens uit bevolkingsenquêtes en van de door de politie geregistreerde criminaliteit. De bevolkingsenquêtes geven vaak een ander beeld dan de politiestatistieken. De enquêtes meten ook de criminaliteit waarvan geen aangifte wordt gedaan en voor de politie verborgen blijft (dark number), terwijl politiecijfers een beter beeld geven van vooral de ernstige geweldsdelicten die relatief weinig voorkomen. In tegenstelling tot de voorgaande periode (1994-1998) zijn de gegevens over 1999 en 2000 consequent uitgesplitst naar alle deelgemeenten. Dit geldt voor de gegevens uit zowel de bevolkingsenquête als de politieregistraties.
Voor de monitor Veiligheid worden jaarlijks ongeveer 5.000 Rotterdammers ondervraagd over de veiligheid in hun buurt. Dit jaar zijn voor het eerst bijna 1.000 Surinamers, Antillianen/Arubanen, Turken, Marokkanen en Kaapverdianen in hun eigen taal geënquêteerd. De resultaten zijn dan ook representatief voor alle Rotterdammers.
1. Algemeen overzicht
Over het gehele jaar 2000 hebben de 12 deelgemeenten gezamenlijk minstens 83 problemen op het gebied van veiligheid en leefbaarheid aangepakt. Hiervoor hebben zij minimaal 240 activiteiten en maatregelen uitgevoerd, met name gericht op het voorkomen of verminderen van de verloedering van de buurt, overlast van jongeren en gevoelens van onveiligheid. Alhoewel niet gesproken kan worden van een rechtstreeks verband, kan wel worden vastgesteld dat de veiligheid en leefbaarheid in Rotterdam tussen 1999 en 2000 licht zijn verbeterd. Rotterdammers voelen zich, met name in hun eigen buurt, veiliger dan in 1999 en zijn van mening dat drugs- en jongerenoverlast zijn afgenomen. De deelgemeente waarin deze verbetering het duidelijkst zichtbaar is, zijn Delfshaven en Noord. Dit zijn eveneens de deelgemeenten waarin per inwoner de hoogste bedragen in veiligheid worden geïnvesteerd. Ook in het Centrum is de veiligheid zichtbaar verbeterd. In de deelgemeenten Feijenoord, Charlois en Kralingen-Crooswijk lijkt daarentegen sprake te zijn van een lichte verslechtering van de veiligheidssituatie. In de overige deelgemeenten is de situatie vrijwel stabiel gebleven. Daarnaast wordt door de bewoners in alle deelgemeenten gezegd dat er maatregelen moeten worden genomen om de rommel op straat verder terug te dringen. Ook parkeer- en verkeersproblemen en de criminaliteit verdienen volgens hen meer aandacht.
Verder kan worden geconcludeerd dat de Rotterdammers naar eigen zeggen in 2000 niet vaker slachtoffer zijn geweest van criminaliteit. Hier staat tegenover dat de aangiftebereidheid lijkt te zijn toegenomen, zodat het aantal misdrijven dat door de politie is geregistreerd een stijging laat zien. Dit betekent dat het dark number kleiner is geworden en derhalve het zicht op de criminaliteit is vergroot. Ondanks dit verbeterde zicht op de criminaliteit is het aantal aangehouden verdachten fors gedaald.
2. Slachtofferschap en geregistreerde criminaliteit
De bewoners van Rotterdam zijn in 2000 niet vaker het slachtoffer geweest van criminaliteit, maar ook niet minder vaak dan in 1999. Zo is het slachtofferschap van geweld in 2000 gestabiliseerd. In 2000 is 9% van de bewoners in de gemeente Rotterdam het slachtoffer geweest van een geweldsdelict. In 1999 lag het slachtofferpercentage op een vergelijkbaar niveau, terwijl dit in 1998 en 1997 met 8% respectievelijk 7% enigszins lager lag.
Het slachtofferschap van vermogensdelicten in Rotterdam is eveneens nauwelijks gewijzigd. In 2000 is 27% van de Rotterdammers het slachtoffer geweest van een diefstal of inbraak, tegenover 25% in 1999 (het verschil is statistisch niet significant). Over de voorgaande jaren zijn geen vergelijkbare cijfers beschikbaar. Wel zijn trends aan te geven voor enkele delicttypen (woninginbraak en zakkenrollen). Hieruit blijkt dat het percentage bewoners dat slachtoffer is geweest van woninginbraak in de afgelopen jaren (1996-2000) rond de 3-4% ligt, terwijl dit in 1995 nog 6% bedroeg. De diefstallen zonder geweld (zakkenrollen) zijn in de periode 1995-2000 stabiel gebleven. De bewoners zijn in de afgelopen jaren vooral het slachtoffer geweest van fietsendiefstal en diefstal uit de auto. In 2000 is 16% respectievelijk 18% van de Rotterdammers in hun eigen stad hiervan het slachtoffer geweest. Hierin hebben zich in vergelijking met 1999 geen wijzigingen voorgedaan.
De door de politie geregistreerde criminaliteit laat een regelmatig patroon zien met jaarlijks zo'n 70.000 misdrijven in de periode 1997-2000. Het aantal aangiften van geweldsdelicten is gestaag gestegen. Werden in 1997 per duizend inwoners nog 11,0 aangiften van geweld gedaan, in 2000 is dit toegenomen tot 12,9. De toename doet zich met name voor in Hillegersberg-Schiebroek, Prins Alexander, Feijenoord en IJsselmonde. Behalve Feijenoord, zijn dit deelgemeenten met een relatief laag geweldsniveau. Vanwege de verhoudingsgewijs lage aantallen geweldsincidenten en de navenant lage slachtofferpercentages in deze deelgemeenten is een significante ontwikkeling aan de hand van de bevolkingsenquêtes lastig vast te stellen.
3. Leefbaarheid
De leefbaarheid is in Rotterdam tussen 1999 en 2000 op onderdelen verbeterd. Volgens de bewoners is de hinder die zij zelf ondervinden van jongeren en van drugsverslaafden afgenomen. Uit de enquêtes blijkt dat met name de overlast van samenscholende en ruziemakende jongeren is verminderd, terwijl bij drugsoverlast vooral de overlast van dealpanden en van straatprostitutie is afgenomen.
De bevolkingsenquête inventariseert jaarlijks de hinderlijke of vervelende voorvallen die zich in de directe woonomgeving van de Rotterdammers voordoen. Hierbij gaat het om voorvallen die bij bewoners tot overlast of onveilige situaties zouden kunnen leiden. Voorbeelden hiervan zijn: rommel op straat; vernielingen van telefooncellen of bushokjes; rondhangende jongeren op straat; openlijk gebruik van drugs; dronken personen op straat; handel in drugs; of berovingen en overige geweldsdelicten. De voorvallen die samenhangen met de verloedering van de buurt (rommel op straat, vernieling en bekladding) zijn in 2000 voor het eerst sinds jaren in omvang toegenomen.
Inbraken en diefstallen, samengevat onder vermogensdelicten (door de jaren heen veel voorkomende vormen van criminaliteit genoemd), zijn in Rotterdam tussen 1999 en 2000 eveneens toegenomen. De vermogenscriminaliteit wordt daarmee in 2000 door de bewoners als een even omvangrijk buurtprobleem beschouwd als de verloedering van de buurt.
Top 5 buurtproblemen
De bewoners is gevraagd welke problemen in hun buurt als eerste moeten worden aan-gepakt. Hieruit is een top 5 van de buurtproblemen samengesteld, waaruit blijkt dat rotzooi op straat, evenals in 1999, als meest genoemde probleem van de buurt veruit het hoogste scoort. Bijna een derde (31%) van de Rotterdammers is in 2000 van mening dat de rotzooi op straat als eerste moet worden aangepakt. Ook het slechte onderhoud van de buurt, wat hiermee sterk verband houdt, scoort relatief hoog, maar is in de top 5 van de derde naar de vijfde plaats gezakt. Ondanks een forse daling van het percentage bewoners dat de parkeer- en verkeersproblematiek noemt, staat dit wederom op de tweede plaats. Criminaliteit en vandalisme worden door een groeiend aantal bewoners als een belangrijk buurtprobleem gezien. Beide zijn een plaats opgeschoven en staan momenteel derde en vierde in de top 5 van meest genoemde buurtproblemen.
4. Beleving van onveiligheid
De veiligheidsbeleving in de eigen buurt is onder de Rotterdammers licht toegeno-men. In 2000 voelt 34% van de bewoners zich in de eigen buurt wel eens onveilig tegenover 36% in 1999. Het percentage Rotterdammers dat zich in het algemeen wel eens onveilig voelt is in 2000 echter niet gewijzigd. Na een aanvankelijke afname in de periode 1995-1998 en een toename in 1999 is de onveiligheidsbeleving in 2000 hetzelfde gebleven. Voelde in 1995 de helft (50%) van de Rotterdammers zich wel eens onveilig, in 1998 is dit afgenomen tot 43%, terwijl dit in 1999 weer is gestegen tot 49%. In 2000 voelt 47% van de Rotterdammers zich wel eens onveilig. Vergeleken met het al enige jaren stabiele landelijke percentage van 31% is dit hoog (Politiemonitor 1999). De beleving van onveiligheid is in grote gemeenten echter hoger dan het landelijk gemiddelde. Volgens het Jaarboek Grotestedenbeleid voelt in Den Haag 34% van de bevolking zich in 2000 wel eens onveilig en in Utrecht 47% (ISEO 2001). In Den Haag zijn de algemene onveiligheidsgevoelens ten opzichte van 1998 niet gewijzigd, terwijl deze in de stad Utrecht als geheel zijn toegenomen (was 43% in 1998). Gegevens over Amsterdam zijn voor 2000 nog niet beschikbaar, maar was 39% in 1998.
Tevens is aan de bewoners gevraagd in welke mate naar hun mening de veiligheid in de laatste twaalf maanden is veranderd. Over het algemeen kan worden geconcludeerd dat de bewoners in 1999 en in 2000 van mening zijn dat zowel de algemene veiligheid als de veiligheid in de eigen buurt zijn verslechterd. Dit betekent dat, ondanks het feit dat in 2000 minder bewoners dan in 1999 zich wel eens onveilig voelen, bewoners een verslechtering in de veiligheid aangeven wanneer hen achteraf naar een verandering van de vei-ligheid wordt gevraagd. Overigens is de verandering die de bewoners zelf menen waar te nemen voor hen wel de realiteit waarvan zij uitgaan. Bestuurders en beleidsmakers hebben vooral te maken met de werkelijkheid zoals die door bewoners wordt ervaren, ook al komt dit niet geheel overeen met de feitelijke situatie.
Een mogelijke verklaring voor de ogenschijnlijke tegenstrijdigheid is dat in het eerste geval wordt gevraagd naar concrete voorvallen of gebeurtenissen waarin mensen zich onveilig kunnen hebben gevoeld en waarin weinig ruimte is voor een inadequate inschatting van dergelijke situaties. Met andere woorden, er hebben zich in een bepaald jaar wel of geen situaties voorgedaan waarin men zich onveilig heeft gevoeld. In het tweede geval, de vraag naar waargenomen veranderingen, wordt bewoners achteraf gevraagd een globaal oordeel te geven over veranderingen in de veiligheid. Hierbij wordt aan mensen een vraag gesteld die de nodige kennis vereist en daarbij kan in veel mindere mate worden afgegaan op concrete gebeurtenissen of eigen ervaringen. Het ligt voor de hand dat dit oordeel veel gevoeliger is voor bijvoorbeeld informatie uit de media over onveiligheid (bijvoorbeeld over geruchtmakende geweldsincidenten in andere steden) of voor verhalen van anderen over onveilige situaties. Hierdoor kan men de indruk krijgen dat de veiligheid in het algemeen verslechtert, zonder dat men zelf met onveilige situaties is geconfronteerd.
5. Verdachten
Ondanks een stabilisering van de criminaliteit is het aantal geverbaliseerde verdach-ten in Rotterdam in 1999 sterk teruggelopen. In de periode 1994 en 1998 varieerde het aantal verdachten jaarlijks tussen de 11.000 en 12.000 personen. In 1999 is het aantal ge-verbaliseerde personen ten opzichte van 1998 met 12% afgenomen tot 10.824 De afname doet zich met name voor bij verdachten van vermogensdelicten en minder bij verdachten van geweldsdelicten.
In Rotterdam zijn relatief veel verdachten geverbaliseerd met een niet-Nederlandse herkomst. In 1999 is van alle verdachten bijna de helft (47%) van Nederlandse afkomst, terwijl dit van de Rotterdamse bevolking van 12 jaar en ouder 59% is. Relatief veel ver-dachten zijn van Marokkaanse (10%) en Antilliaanse afkomst (9%).
Naast een sterke afname van het totale aantal verdachten zijn tevens veranderingen in leeftijd en geslacht opgetreden. Zo is het percentage vrouwelijke verdachten sterk geste-gen (van 13% in 1998 tot 19% in 1999) en is het percentage jeugdige verdachten verder toegenomen. Het aanhouden van minderjarige verdachten is overigens een algemene trend die zich op landelijk niveau al enkele jaren voordoet. In Rotterdam is vooral sinds 1998 het aantal jeugdige verdachten sterk gestegen. Het aantal jeugdige verdachten jonger dan 18 jaar bedraagt in 1999 ongeveer een kwart van alle in Rotterdam geverbaliseerde verdach-ten. Hierin is tussen 1998 en 1999 weinig veranderd. Deze jeugdige verdachten krijgen voornamelijk processen-verbaal voor vermogensdelicten, zoals misdrijven tegen de openbare orde en vernielingen.
Halt-afdoeningen
Het aantal Halt-afdoeningen is in 2000 voor het eerst gedaald. In de periode 1995-1999 is het aantal jongeren dat met een Halt-afdoening te maken heeft gehad met 65% gestegen. In 2000 is het aantal jongeren dat naar bureau Halt Rotterdam is doorverwezen met 7% gedaald. Wel is het aantal meiden verder gestegen (tot 29%). De Halt-verwijzingen betreffen voornamelijk (winkel)diefstal, vernieling en vuurwerkdelicten.
6. Ontwikkelingen in deelgemeenten
De deelgemeenten hebben in 2000 in totaal minstens 83 problemen op het gebied van veiligheid en leefbaarheid aangepakt. In totaal zijn daarvoor minimaal 240 activiteiten uitgevoerd, waaraan tenminste 15,9 miljoen gulden is besteed. Deze activiteiten of maatregelen zijn vooral gericht op het voorkomen of verminderen van de verloedering van de buurt, overlast van jongeren en gevoelens van onveiligheid. Ook zijn veel maatregelen gericht op daders van misdrijven. De vraag is echter in hoeverre deze activiteiten hebben bijgedragen aan een verbetering van de (door bewoners ervaren) veiligheid en leefbaarheid in de deelgemeenten.
Maatregelen
De 240 activiteiten zijn zoveel mogelijk gegroepeerd rond de verschillende leefbaarheids- en veiligheidsproblemen waaraan indicatoren (op basis van gegevens uit de bevolkingsenquêtes en cijfers uit de politieregistraties) zijn gekoppeld. Bij de analyse van de maatregelen en de ontwikkelingen in de veiligheidssituatie en de leefbaarheid in deelge-meenten is vooral gekeken naar de mix van maatregelen die betrekking hebben op dezelfde veiligheidsproblematiek. Hieruit blijkt dat ontwikkelingen in veiligheid en leefbaar-heid in 12 gevallen (14% van alle veiligheidsproblemen) samenvallen met een mix aan maatregelen die de desbetreffende veiligheidsproblematiek dient te bestrijden.
Voor de meeste veiligheidsproblemen (77%) geldt dat op het niveau van de deelge-meente geen verandering is gemeten, ondanks het feit dat hiervoor wel maatregelen zijn genomen. In 9% van de gevallen blijkt overigens sprake te zijn van een toename van de problematiek. Wel blijkt de aanpak van overlast van jongeren in relatief veel deelgemeenten samen te vallen met een afname van de door bewoners ervaren overlast (vier van de 12 deelgemeenten). Dit geldt eveneens voor de onveiligheidsbeleving, waar in drie van de 12 deelgemeenten waar maatregelen zijn getroffen een verbetering is opgetreden. In de meeste deelgemeenten (acht) is overigens een verbetering achterwege gebleven, terwijl in één deelgemeente de veiligheidsbeleving is verslechterd.
Uit het overzicht van de maatregelen per deelgemeente blijkt dat zij in 2000 een groot aantal veiligheidsproblemen aanpakken (matrix 1). Hierbij wordt duidelijk onderscheid gemaakt naar de aard van de problematiek. Indien de verdeling van de financiële middelen een prioriteitsvolgorde aangeeft, dan blijken zes deelgemeenten de hoogste pri-oriteit te geven aan het verbeteren van de veiligheidsbeleving, vier aan het verminderen van overlast van jongeren, twee aan de buurproblematiek (met name de verloedering van de buurt) en twee aan de aanpak van criminele jongeren. Voor twee deelgemeenten (Kra-lingen-Crooswijk en Hoogvliet) geldt overigens dat de middelen die aan de belangrijkste veiligheidsproblemen zijn besteed nagenoeg even hoog zijn.
Veranderingen
De Rotterdamse deelgemeenten kunnen, ondanks de veranderingen die zich in de veiligheidssituatie en de leefbaarheid hebben voorgedaan, evenals in de voorgaande Monitor Veiligheid in drie categorieën worden ingedeeld:
I. hoge onveiligheid en slechte tot matige leefbaarheid
Delfshaven, Charlois, Centrum, Noord en Feijenoord;
II. gemiddelde veiligheid en leefbaarheid
Kralingen, IJsselmonde en Overschie;
III. hoge veiligheid en leefbaarheid
Hillegersberg-Schiebroek, Hoogvliet, Prins Alexander en Hoek van Holland.
De belangrijkste kenmerken en ontwikkelingen worden per categorie kort besproken (zie matrix 1).
Matrix 1.
Ontwikkelingen in indicatoren veiligheid 1999-2000 (+ = toename; - = afname) en overzicht financiële middelen per deelgemeente (totaal en per inwoner)
  I. II. III.  
Centrum Delfshaven Noord Feijenoord Charlois Overschie Kralingen-Crooswijk IJssel-monde H'berg-Schiebroek Hoogvliet Prins Alexander Hoek v. Holland Rotterdam
Indicatoren
Veiligheid
Buurtproblemen  
Verloedering         +               +
Buurtdreiging   -         +            
Vermogensdelicten       + +   +     +     +
Drugsproblematiek   -                      
 
  I. II. III.  
Centrum Delfshaven Noord Feijenoord Charlois Overschie Kralingen-Crooswijk IJssel-monde H'berg-Schiebroek Hoogvliet Prins Alexander Hoek v. Holland Rotterdam
Indicatoren
Veiligheid
Drugsoverlast   -   +                 -
Overlast coffeeshops   -                      
Overlast jongeren   - -     -     -     + -
Onveiligheids
gevoelens
 
algemeen     -                    
Eigen buurt     -       + -   -     -
 
  I. II. III.  
Centrum Delfshaven Noord Feijenoord Charlois Overschie Kralingen-Crooswijk IJssel-monde H'berg-Schiebroek Hoogvliet Prins Alexander Hoek v. Holland Rotterdam
Indicatoren
Veiligheid
Slachtofferschap
Rotterdam
 
Geweldsdelicten - -                   +  
Vermogensdelicten         +                
Slachtofferschap
Eigen buurt
 
Gewelddelicten -                        
Vermogensdelicten         +                
Aangiften  
Gewelddelicten +   - +       + +   +   +
Vermogensdelicten   -   +     + + +   + + +
Verdachten '99  
Gewelddelicten   - - -       - - - +   -
Vermogensdelicten - - - - - - - -   - - - -
 
  I. II. III.  
Centrum Delfshaven Noord Feijenoord Charlois Overschie Kralingen-Crooswijk IJssel-monde H'berg-Schiebroek Hoogvliet Prins Alexander Hoek v. Holland Rotterdam
Financiële
middelen
Veiligheid
Totaal (x f1 miljoen) 0,6 2,1 2,5 2,1 1,6 0,35 1,0 0,8 NB 3,7 0,6 0,5 15,5
Per inwoner 21 29 48 29 24 21 19 14 NB 88 7 50 26
 
   
Categorie I
De deelgemeenten in deze categorie scoren op het gebied van veiligheid en leefbaarheid slechter dan de overige deelgemeenten. Zo zijn de bewoners van deze deelgemeenten in hun directe woonomgeving relatief vaak het slachtoffer van gewelds- en vermogensdelicten, ervaren de bewoners veel buurtproblemen (verloedering, bedreigende voorvallen, vermo-gensdelicten), terwijl tevens sprake is van relatief veel overlast van drugsverslaafden en jongeren.
Drie van de vijf deelgemeenten in deze categorie besteden jaarlijks 23 gulden per in-woner aan activiteiten ter verbetering van de veiligheid en leefbaarheid. Delfshaven en Noord besteden aanzienlijk meer, respectievelijk 50 en 48 gulden per inwoner. Juist in deze beide deelgemeenten is de veiligheidssituatie het sterkst verbeterd. Ook in Centrum is de veiligheid en leefbaarheid verbeterd, terwijl in Feijenoord en Charlois de veiligheidssituatie is verslechterd.
In Delfshaven, waar de drugsoverlast en de overlast van jongeren zijn afgenomen, zijn de activiteiten van de deelgemeente met name op die problematiek gericht. Drie kwart van het totale budget voor veiligheid is hieraan besteed. In Feijenoord is de overlast van drugsverslaafden juist toegenomen. De maatregelen en de omvang van de budgetten laten in Feijenoord dan ook niet een duidelijke prioriteit zien. De middelen zijn verdeeld over een groot aantal projecten, hetgeen de effectiviteit niet lijkt te bevorderen. In Charlois, waar sprake is van een toenemende verloedering van de buurt en criminaliteit, met name inbraken en diefstallen, worden de financiële middelen met name besteed aan inbraakpreventie en het afsluiten van achterpaden en brandgangen. Deze vorm van preventie lijkt minder effectief dan de aanpak in Delfshaven waar meer aandacht uitgaat naar de overlastveroorzakers en daders zelf. Ook in Noord, waar onder meer de overlast van jongeren is afgenomen, zijn de maatregelen met name gericht op daders, zoals Marokkaanse jongeren die als drugsrunner actief zijn. Tachtig procent van het totale veiligheidsbudget is besteed aan een dadergerichte aanpak. Al met al lijken de effecten van een gerichte daderaanpak meer effect te hebben op uiteenlopende aspecten van veiligheid dan een situatiegerichte aanpak waarbij de middelen vaak over een groot aantal maatregelen worden verdeeld.
Categorie II
De deelgemeenten in categorie II scoren met name relatief hoog op buurtproblematiek, beleving van onveiligheid en/of slachtofferschap van vermogensdelicten. Overlast van jon-geren scoort gemiddeld. Twee van de drie deelgemeenten in deze categorie besteden gemiddeld minder dan 15 gulden per inwoner aan veiligheidsmaatregelen. In Overschie is dit duidelijk meer (38 gulden per inwoner). Juist in Overschie is de veiligheidssituatie het meest opvallend verbeterd.
Ondanks de genomen maatregelen op het gebied van veiligheid en leefbaarheid is de situatie in IJsselmonde niet of nauwelijks verbeterd, terwijl in Kralingen-Crooswijk sprake is van een verslechtering. In IJsselmonde en Kralingen-Crooswijk zijn met name maatregelen genomen op het gebied van toezicht door het inzetten van veiligheidsassistenten en inbraakpreventie. Bovendien is in Kralingen-Crooswijk, evenals in de deelgemeente Feijenoord, geen prioriteit gegeven aan de belangrijkste veiligheidsproblemen. Het beschikbare budget is verdeeld over diverse maatregelen die weinig verband met elkaar houden. Bij een dergelijke geïsoleerde aanpak versterken de maatregelen elkaar onvoldoende, hetgeen de effectiviteit lijkt te verminderen. In Overschie, waar de overlast van jongeren is afgenomen, is ruim twee derde van het budget hieraan besteed. Er zijn diverse maatregelen genomen die op verschillende groepen jongeren zijn gericht.
Categorie III
De deelgemeenten in categorie III scoren op alle veiligheids- en leefbaarheidsindicatoren goed tot zeer goed. De middelen die aan veiligheid en leefbaarheid zijn besteed lopen sterk uiteen. Hoogvliet scoort met een besteding van gemiddeld 63 gulden per inwoner het hoogst van alle deelgemeenten. Ook Hoek van Holland scoort met 45 gulden per inwo-ner zeer hoog. In Prins Alexander zijn de uitgaven aan veiligheid en leefbaarheid bescheiden, wat echter gezien de geringe ernst van de problematiek alleszins redelijk lijkt. Het aan veiligheid en leefbaarheid besteed bedrag is voor de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek niet beschikbaar.
In het algemeen is de reeds (zeer) goede veiligheidssituatie in de deelgemeenten in deze categorie niet gewijzigd. Op onderdelen heeft zich hier en daar zelfs nog een verdere verbe-tering voorgedaan. Dit geldt met name voor Hillegersberg-Schiebroek (vermindering jonge-renoverlast) en Hoogvliet (vermindering onveiligheidsgevoelens). In Hoek van Holland daarentegen dient de vinger aan de pols te worden gehouden wat betreft de overlast van jongeren, die enigszins is toegenomen.
Overigens nemen juist in de deelgemeenten in deze categorie de aangiften van zowel gewelds- als vermogensdelicten toe, met name in Hillegersberg-Schiebroek en Prins Alexander. In Hillegersberg-Schiebroek gaat het hierbij vooral om inbraken en in Prins Alexander om diefstal met geweld.
7. Tenslotte
In tegenstelling tot voorgaande jaren is dit jaar voor het eerst een representatief deel van de vijf grootste allochtone bevolkingsgroepen (Surinamers, Antillianen/Arubanen, Turken, Marokkanen en Kaapverdianen) in Rotterdam geënquêteerd. De resultaten van deze voor Rotterdam representatieve enquête blijken op enkele aspecten van veiligheid en leefbaarheid significant te verschillen met de voornamelijk onder de autochtone bewoners afgenomen bevolkingsenquête in 1999. Zo ligt het percentage (allochtone) bewoners dat zich in het algemeen (45%) en in de eigen buurt (31%) wel eens onveilig voelt lager en zijn zij minder vaak het slachtoffer geweest van geweldsdelicten (8%), maar vaker van vermogensdelicten (28%). De verschillen worden deels verklaard door het feit dat allochtonen met name woonachtig zijn in de deelgemeenten met een relatief hoge onveiligheid en een slechte tot matige leefbaarheid.
De komende jaren, waarin eveneens metingen plaatsvinden onder een representatief deel van de bewoners, zullen uitwijzen hoe de veiligheidssituatie in Rotterdam zich verder zal ontwikkelen.
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.