INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies
 
Evaluatie Cameratoezicht Groningen
Bestelinformatie
Deze publicatie is te bestellen door overmaking van
€ 7,95 + € 3,50 verzendkosten (bij bestelling van meerdere publicaties € 6,00) op rekening NL31 INGB 000 4 5997 84 ING-Bank ten name van Stichting INTRAVAL te Groningen, onder vermelding van de titel(s) en uw naam + adres.
Voor het rapport Evaluatie Cameratoezicht Groningen Eindrapportage van augustus 2002 klik hier
Hoofdstuk 6    Samenvatting
In dit afsluitende hoofdstuk wordt een beknopte samenvatting gegeven van de belangrijkste verschillen van de tussenmeting met de meting voorafgaande aan de invoering van het cameratoezicht.
6.1 Onveiligheidsbeleving
Het blijkt dat de onveiligheidsgevoelens onder bewoners in het uitgaansgebied weinig zijn veranderd. Minder dan de helft (43%) van de bewoners voelt zich, evenals voorafgaande aan de invoering van het cameratoezicht, in het algemeen 'wel eens' onveilig, terwijl een derde (32%) zich 'wel eens' onveilig voelt in de eigen woonomgeving. De gevoelens van onveiligheid blijken onder de bezoekers daarentegen te zijn afgenomen. In 2000 voelt een vijfde (20%) van de bezoekers zich wel eens onveilig, tegenover de helft (53%) in 1999. Er is geen afname te zien in het percentage bezoekers dat aangeeft wel eens straten te mijden in het cameragebied (34% in 1999; 38% in 2000). Ook de horecamedewerkers geven aan zich in 2000 minder vaak onveilig te voelen dan in 1999.
Volgens de politiefunctionarissen is de sfeer in het uitgaansgebied het afgelopen jaar niet veranderd. Ook het veiligheidsgevoel onder de politiefunctionarissen op straat is door het cameratoezicht niet toegenomen. Wel worden de camera's indien zich geweldsincidenten voordoen als een steun in de rug ervaren. De voetposten worden door de camerabedienaars op de hoogte gesteld van situaties waarop zij kunnen inzoomen.
6.2 Geweld en agressie
Het percentage bewoners en bezoekers dat tenminste één keer ooggetuige is geweest van agressie of geweld is niet veranderd. Zowel het merendeel van de bewoners (82% in 2000) als de bezoekers (85% in 2000) is wel eens ooggetuige geweest van agressie of geweld. Hoewel in beide jaren vrijwel alle horecamedewerkers aangeven dat zij geweld en agressie hebben waargenomen in het uitgaansgebied, is er volgens hen sprake van een vermindering van het aantal incidenten waarbij wapens worden gebruikt. Het percentage bewoners dat slachtoffer is geweest van een of andere vorm van agressie en geweld is niet significant veranderd. Dit geldt tevens voor de bezoekers. In beide jaren zijn de bewoners voornamelijk slachtoffer geweest van vandalisme en verbale agressie. Bij de bezoekers gaat het vooral om verbale agressie (schelden). Relatief weinig bezoekers die slachtoffer zijn geweest van agressie doen hiervan aangifte (9% in 1999 en 11% in 2000).
In 1999 en in 2000 is het aantal horecamedewerkers dat slachtoffer is geweest van een of andere vorm van agressie of geweld gelijk gebleven (ongeveer drie kwart). Het gaat hierbij voornamelijk om verbale agressie. Volgens de horecamedewerkers veroorzaken de klanten in 2000 minder vaak overlast dan in 1999 het geval was. Ook de hinder die zij hiervan ervaren lijkt in 2000 lager te zijn dan in 1999. De meldingsbereidheid van geweldsincidenten is onder de horecamedewerkers onveranderd gebleven in beide jaren.
Volgens de politie is het afgelopen jaar weinig veranderd aan de aard en de omvang van het uitgaansgeweld. Het gaat volgens hen meestal om impulsief agressief gedrag. De agressie komt vooral voor in het tweede deel van de nacht wanneer de daders onder invloed van alcohol en/of drugs zouden zijn. Op die momenten laten zij zich volgens de politie-agenten door camera's niet weerhouden agressief gedrag te vertonen.
De politieregistratie laat een toename zien van het aantal geweldsincidenten (zowel geweld met en zonder letsel als sexueel geweld) in het cameragebied in de periode 1999-2000. Wel is het aantal geregistreerde geweldsincidenten waarbij een wapen is gebruikt afgenomen. Verstoringen van de openbare orde vertonen evenals de geweldsincidenten een stijging. Overigens zijn de door de politie geregistreerde geweldsincidenten en de verstoringen van de openbare orde ook in het overige deel van de binnenstad toegenomen. Het aantal door de politie geregistreerde vermogensdelicten laat daarentegen in het cameragebied een afname zien. In het overige deel van de binnenstad is echter, in tegenstelling tot het cameragebied, het aantal vermogensdelicten wel toegenomen.
6.3 Toezicht
De tevredenheid onder de bewoners en bezoekers over het politieoptreden in de binnenstad is in 2000 niet veranderd. In 2000 is ongeveer de helft van de bewoners (54%) en de bezoekers (46%) hierover (zeer) tevreden. Ook de tevredenheid over het cameratoezicht is onveranderd positief (80%). Het aantal bewoners dat cameratoezicht een inbreuk vindt op de privacy is afgenomen van een vijfde (22%) in 1999 naar ongeveer een tiende (9%) in 2000. Ook onder de bezoekers is dit afgenomen tot minder dan een vijfde (16%).
Politiefunctionarissen die als voetpost werkzaam zijn in het uitgaansgebied nemen wanneer ze agressie waarnemen vaak contact op met de meldkamer om te vragen of de camerabedienaars ondersteunende informatie kunnen geven. De camera's dienen wanneer zich agressieve situaties voordoen vooral als hulpmiddel.
Beelden van situaties waarop de camerabedienaars hebben ingezoomd kunnen achteraf als bewijsmateriaal worden gebruikt. In overleg met de officier van justitie kunnen de beelden aan een verdachte worden getoond. De politie heeft in 2000 bij 70 geweldszaken de beschikking gehad over camerabeelden. Het is nog niet bekend bij welke zaken en op welke wijze de politie van deze beelden gebruik heeft gemaakt. In het cameragebied is het aantal aanhoudingen overigens met 56% gestegen (in absolute aantallen een toename van 41 verdachten). Buiten het cameragebied zijn in de binnenstad in 2000 juist minder verdachten aangehouden. De camerabeelden worden vooral als aanvullend en ondersteunend bewijs gebruikt en zijn tot dusverre bij de strafvervolging nog weinig gebruikt.
6.4 Tenslotte
Het cameratoezicht in de binnenstad van Groningen is een experiment voor de duur van drie jaar. Deze tussenevaluatie, gebaseerd op een uitgebreide voormeting en een beperkte tussenmeting, geeft de globale stand van zaken na één jaar weer, een derde van de totale experimenteerperiode. De gehele evaluatieperiode is twee jaar. Een uitgebreide eindmeting vindt plaats in december 2001, waarna voorjaar 2002 de eindrapportage verschijnt. Gezien de relatief korte evaluatieperiode van één jaar en het beperkte karakter van de tussenmeting kunnen momenteel nog geen harde conclusies worden getrokken.
Het draagvak voor cameratoezicht in de Groningse binnenstad is bij bewoners en bezoekers onverminderd groot. Ongeveer drie kwart van de bewoners en bezoekers is reeds voor plaatsing van de camera's van mening dat cameratoezicht geen inbreuk is op hun privacy. In 2000 is dit percentage bij zowel bezoekers als bewoners toegenomen tot ongeveer 85%. De bezoekers zijn zich tevens veiliger gaan voelen in het cameragebied, terwijl dit bij de bewoners, horecamedewerkers en politie-agenten niet is veranderd. Het aantal aangiften van vermogensmisdrijven bij de politie is binnen het cameragebied gedaald, terwijl het aantal aangiften buiten het cameragebied is toegenomen. Dit kan er op wijzen dat het cameratoezicht tot een afname van vermogensmisdrijven leidt.
Na één jaar blijkt de geweldscriminaliteit in het cameragebied niet te zijn verminderd. Bewoners en bezoekers geven aan na invoering van het cameratoezicht even vaak het slachtoffer of ooggetuige van geweld te zijn geweest als in de periode daarvoor. De politieregistratie laat wel een toename van het aantal geweldsincidenten zien. Zowel het aantal meldingen als het aantal aangiften van geweldsmisdrijven is in het cameragebied in 2000 gestegen. De toename van de door de politie geregistreerde geweldsmisdrijven doet zich echter eveneens buiten het cameragebied voor en lijkt hiermee een autonome ontwikkeling te zijn.
In 2000 heeft de politie meer verdachten voor het plegen van geweldsmisdrijven aangehouden. Deze stijging doet zich vooral voor in het cameragebied. Veel van deze verdachten (bijna een derde) zijn afkomstig van buiten de stad Groningen, terwijl dit voor ruim een tiende van het uitgaanspubliek geldt. Ook de verdachten van geweldsdelicten in het overige deel van de binnenstad zijn relatief vaak afkomstig van buiten de stad. Wellicht zijn niet-Groningers minder bekend met het cameratoezicht of zijn zij sowieso vaker bij geweldsmisdrijven in de binnenstad van Groningen betrokken. Een uitgebreidere daderanalyse kan hierover meer informatie geven.
Al met al lijkt het erop dat de omvang van het geweld in het cameragebied constant is in de onderzochte periode (1999-2000), terwijl het aantal misdrijven dat ter kennis van de politie is gekomen (meldingen en aangiften) en het aantal aangehouden verdachten is gestegen. Dit betekent dat het verschil tussen de gepleegde misdrijven en de geregistreerde criminaliteit, het zogenoemde dark number, geringer is geworden. Bovendien zijn bij een gelijkblijvend geweldsniveau meer verdachten aangehouden. Hierdoor is het inzicht in de geweldscriminaliteit in de binnenstad vergroot.
Een ander effect van het cameratoezicht is de snellere afhandeling van geweldszaken. Onder druk van camerabeelden bekennen verdachten volgens de politie eerder de gepleegde geweldsmisdrijven, hetgeen het toegenomen aantal verdachten deels verklaart. Daarnaast lijken de in het cameragebied gepleegde geweldszaken bij justitie vaker tot transacties en minder tot sepots te leiden. Dit lijkt erop te wijzen dat geweldszaken waarvan camerabeelden beschikbaar zijn zowel bij politie als bij justitie efficiënter en effectiever worden afgehandeld. Het aantal zaken waarvoor momenteel justitiegegevens beschikbaar zijn is echter gering. De eindmeting zal over de justitiële afhandeling van geweldszaken meer duidelijkheid dienen te geven.
De verwachting is dat cameratoezicht minder geweld tot gevolg zal hebben. Tot nog toe is deze verwachting niet uitgekomen. Wellicht is de periode van één jaar nog te kort en kan het cameratoezicht op langere termijn tot minder geweld leiden. Het toegenomen aantal meldingen en aangiften in het cameragebied is overigens conform de verwachtingen. Ook elders blijkt dat meer toezicht leidt tot meer zicht op en aandacht voor de problematiek en in eerste instantie vaak tot meer aangiften en aanhoudingen. Na verloop van tijd lijken deze effecten weer af te nemen.
De eindmeting na twee jaar zal meer inzicht geven in de langere termijn effecten van het cameratoezicht op de onveiligheidsbeleving en de geweldsdelicten. Bovendien kan dan duidelijk worden of er veranderingen zijn opgetreden in de werkomstandigheden van politie, ambulancevervoer, taxichauffeurs en horeca in het Groningse uitgaansgebied.
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.