INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies
 
En plein public
Bestelinformatie
Deze publicatie is te bestellen door overmaking van
€ 11,35 + € 3,50 verzendkosten (bij bestelling van meerdere publicaties € 6,00) op rekening NL31 INGB 000 4 5997 84 ING-Bank ten name van Stichting INTRAVAL te Groningen, onder vermelding van de titel(s) en uw naam + adres.
Samenvatting
In deze samenvatting wordt allereerst ingegaan op de aanleiding en de achtergronden van de aanpassingen van het Amsterdamse horecabeleid, gevolgd door de opzet van de evaluatie. Vervolgens worden de onderzoeksbevindingen besproken waarin achtereenvolgens aandacht wordt besteed aan de discotheken, de broodjeszaken, het woon- en leefklimaat van de Amsterdamse binnenstad en de politie. De samenvatting wordt afgesloten met de conclusies die uit de evaluatie kunnen worden getrokken.
1. Achtergronden
In Amsterdam is in de afgelopen jaren vooral in de weekendnachten een toename van overlast en geweld geconstateerd in de horecaconcentratiegebieden rondom het Rembrandtplein en het Leidseplein. In beide gebieden is de geweldsproblematiek het meest manifest (gemeente Amsterdam 1999). Uit politiecijfers blijkt dat het aantal meldingen van geweldsdelicten de afgelopen jaren (1994-1998) is toegenomen. Bovendien is het geweld harder geworden, met name zware mishandelingen en moord/doodslag komen frequenter voor. Tevens blijkt uit bevolkingsenquêtes dat het slachtofferschap van geweld de afgelopen jaren is toegenomen. In Amsterdam is in 1999 12% van de bevolking van 15 jaar en ouder slachtoffer van een geweldsdelict geweest, met name van bedreiging en mishandeling (Politiemonitor Bevolking 1999; B&A/Intomart 1999). In 1997 was dit in Amsterdam nog 9%. Ook in de overige grote steden is sprake van een toename, zij het dat het slachtofferschap in deze steden op een lager niveau ligt. In Utrecht is in 1999 11% van de bewoners slachtoffer van een geweldsdelict geweest tegenover 9% in Den Haag en 8% in Rotterdam (Verweij e.a. 1999).
Ondanks de relatief hoge slachtofferpercentages voelen Amsterdammers zich niet onveiliger dan bewoners in de overige grote steden. Bovendien is de veiligheidsbeleving de afgelopen jaren nauwelijks veranderd. In 1999 voelt 39% van de Amsterdammers zich wel eens onveilig. In Den Haag geldt dit voor eveneens 39% van de bewoners, terwijl Utrecht (41%) en Rotterdam (45%) een hogere onveiligheidsbeleving kennen (Politiemonitor Bevolking 1999). Ook voor deze steden geldt dat de onveiligheidsbeleving de afgelopen jaren nauwelijks is gewijzigd.
Proef horecaconcentratiegebieden
In mei 1999 is in het College van Burgemeester en Wethouders en in de raadscommissie voor Algemene Zaken overeenstemming bereikt over het projectvoorstel proef horecaconcentratiegebieden. De proef heeft een tweeledige doelstelling. De eerste doelstelling is het verhogen van het gevoel van veiligheid op straat door te bevorderen dat bezoekers van discotheken, cafés en andere nachtzaken in de horecaconcentratiegebieden meer gespreid en rustiger de horecabedrijven verlaten. Ten tweede beoogt de proef te experimenteren met een verruiming van de horeca-openingstijden en de invloed hiervan op het woon- en leefklimaat.
De proef horecaconcentratiegebieden is op 1 oktober 1999 van start gegaan. Gedurende één jaar worden de openingstijden van discotheken in de horecaconcentratiegebieden in het weekeinde verruimd onder voorwaarde dat na 05.00 uur een afkoelingsperiode wordt ingesteld door geen alcoholhoudende drank meer te schenken en geen bezoekers meer toe te laten. Er geldt een uiterste sluitingstijd van 07.00 uur. Daarnaast geldt een structurele verruiming van de sluitingstijd van alcoholvrije zaken zonder terras (de zogenoemde broodjeszaken waartoe tevens de snackbars, fastfood- en shoarmazaken worden gerekend) in de gehele binnenstad naar 06.00 uur. Na een jaar dient de proef te worden geëvalueerd.
De verwachting is dat door het verruimen van de openingstijden van discotheken de bezoekers meer gespreid de horecagelegenheden verlaten. Door deze spreiding van de leegloop komen minder grote groepen tegelijkertijd op straat. Hierdoor zou de overlast minder geconcentreerd optreden en zouden irritatie en geweld kunnen afnemen. Overigens zijn in 1995 de openingstijden reeds verruimd. Sindsdien sluiten dagzaken en avondzaken in het weekeinde een uur later, om drie uur respectievelijk vier uur 's nachts. De sluitingstijden van nachtzaken zijn onveranderd gebleven (vijf uur 's nachts). Uit de evaluatie van dit beleid blijkt dat volgens de meeste bewoners de overlast hierdoor niet is verminderd (O+S 1998).
Naast de openingstijden spelen echter meer factoren een rol, zoals aantallen bezoekers, groepsvorming, drank- en drugsgebruik, inrichting van de horecagelegenheden en de omgeving, vervoersbehoefte en aanbod, wijze van toezicht houden en dergelijke. Horeca, politie en gemeente werken op diverse manieren reeds aan het tegengaan van overlast in het uitgaansleven. Zo is onder meer het landelijke portiersproject per 1 januari 1999 in Amsterdam gestart, waarin betrouwbaarheids- en bekwaamheidseisen aan deze beroepsgroep worden gesteld. Verder dienen ondernemers in de horecaconcentratiegebieden voor het verkrijgen van een exploitatievergunning een beveiligingsplan op te stellen, wordt in het weekeinde extra politie ingezet en is in de gehele binnenstad tussen tien uur 's avonds en zeven uur 's ochtends een wapenontmoedigingsbeleid van kracht, gericht op het terugdringen van het wapenbezit.
De proef in de horecaconcentratiegebieden is onder meer gebaseerd op een voorstel van de Koninklijke Horeca Nederland, district Amsterdam. Ondernemers zijn door de gemeente uitgenodigd aan de proef deel te nemen. Zij bepalen zelf de invulling van de afkoelperiode. In een gesprek met de gemeente zijn de ondernemers op de hoogte gebracht van het handhavingstappenplan en de procedure bij overtreding van de afkoelvoorwaarden. Er zijn vijf punten waarop gehandhaafd wordt: is er sprake van afkoeling; worden na 05.00 uur 's nachts nog bezoekers toegelaten; de sluitingstijd van de discotheek; de alcoholverkoop in alcoholvrije zaken; en de sluitingstijd van alcoholvrije zaken.
Evaluatie van de proef
Op verzoek van de gemeenteraad heeft de gemeente Amsterdam in opdracht van de Burgemeester de proef door onderzoeks- en adviesbureau INTRAVAL laten evalueren. De evaluatie dient uit te wijzen welke resultaten na één jaar zijn bereikt. De vraagstelling van het evaluatie-onderzoek luidt:
Is na het instellen van een afkoelperiode en het verruimen van de openingstijden voor de horeca het woon- en leefklimaat in de binnenstad van Amsterdam veranderd?
De evaluatie bestaat uit enkele samenhangende onderdelen, waarbinnen diverse onderzoeksmethoden en -technieken zijn toegepast. De kern van het onderzoek bestaat uit een herhaalde enquête onder 2029 bewoners in de binnenstad, 1011 bezoekers van de horecaconcentratiegebieden, 82 exploitanten van broodjeszaken, 51 exploitanten en 28 portiers van discotheken, en 95 taxichauffeurs.
In de maand voorafgaande aan de start van de proef in oktober 1999 zijn deze betrokkenen ondervraagd over het toenmalige woon- en leefklimaat in de binnenstad en de uitgaanssituatie in de horecaconcentratiegebieden. Een jaar later, in september 2000, is deze meting bij alle betrokkenen herhaald. Verder is inzicht gekregen in het aantal incidenten in het openbaar vervoer in de afgelopen periode door gegevens uit de incidentenregistratie van het Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam op te vragen. Tevens zijn gegevens uit de politieregistratie verzameld en geanalyseerd.
In aanvulling op de enquêtes zijn tevens interviews gehouden met medewerkers van politie en observaties uitgevoerd in de discotheken, de broodjeszaken en op straat rondom de horecaconcentratiegebieden. Bij deze observaties zijn onder meer de sluitingstijden, het aantal (aangeschoten of dronken) bezoekers vastgesteld en is een inschatting gemaakt in de mate waarin agressief en gewelddadig gedrag voorkomt.
   
2. Discotheken
Een belangrijk doel van de proef horecaconcentratiegebieden is het verhogen van het gevoel van veiligheid op straat door te bevorderen dat bezoekers van discotheken, cafés en overige nachtzaken in de concentratiegebieden meer gespreid en rustiger de horecagelegenheden verlaten.
Bewoners
De enquêtes in 1999 en 2000 onder alle ondervraagde bewoners laten een afname zien van het aantal bewoners dat in de eigen woonomgeving zogenoemde potentiële overlastgevende situaties waarneemt door bezoekers van discotheken (van 22% in 1999 naar 19% in 2000). Dat wil zeggen dat zich tussen 1999 en 2000 rondom discotheken in afnemende mate situaties of voorvallen hebben voorgedaan die tot overlast voor bewoners kunnen leiden. Zoals blijkt uit figuur 1, signaleren met name de bewoners rondom het Rembrandtplein in 2000 minder potentiële overlastgevende situaties in hun woonomgeving door bezoekers van discotheken (van 58% in 1999 naar 46% in 2000).
Figuur 1
Percentage van alle geënquêteerde bewoners dat zegt dat in de eigen woonomgeving potentiële overlastsituaties door discotheekbezoekers wel eens voorkomen
 
De potentiële overlastsituaties doen zich volgens de bewoners voornamelijk voor in de nacht tussen 24.00 uur en 04.00 uur. Daarnaast maken relatief veel bewoners rondom het Rembrandtplein melding van overlastsituaties door bezoekers van discotheken tussen 04.00 en 07.00 uur 's ochtends. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat het overgrote deel van de bewoners het exacte tijdstip niet weet te noemen.
Niet alle potentiële overlastsituaties leiden bij bewoners echter tot daadwerkelijke overlast in de vorm van het ervaren van hinder. De eerder genoemde afname in de mate waarin met name bewoners rond het Rembrandtplein potentiële overlastsituaties signaleren, leidt niet noodzakelijker tot het ervaren van minder hinder van discotheekbezoekers. Uit figuur 2 blijkt dat tussen 1999 en 2000 geen verandering is opgetreden in de hinder die bewoners ervaren van bezoekers van discotheken.
Figuur 2
Percentage van alle geënquêteerde bewoners dat aangeeft dat er in de woonomgeving discotheken zijn gevestigd, uitgesplitst naar bewoners die wel eens of geen hinder van een discotheek hebben ervaren, in 1999 en in 2000
 
Bezoekers
Uit de telefonische vragenlijst die onder de bezoekers van de discotheken is afgenomen, blijkt dat drie kwart wel eens ooggetuige is geweest van vandalisme, agressie of geweld tijdens het uitgaan. Tussen de tien en vijftien procent van de bezoekers is wel eens slachtoffer of zelf dader geweest van agressie en geweld tijdens het uitgaan op het Leidseplein of Rembrandtplein. Hierin hebben zich na de invoering van de aanpassingen in het horecabeleid geen veranderingen voorgedaan. Daarentegen blijkt dat de veiligheidsbeleving tussen 1999 en 2000 wel is verbeterd. Zo is het percentage bezoekers dat zich tijdens het uitgaan wel eens onveilig heeft gevoeld tussen 1999 en 2000 met vijf procent gedaald (van 22% in 1999 tot 17% in 2000).
Horeca-exploitanten
Uit de interviews met de exploitanten van de discotheken blijkt dat drie kwart van de discotheken is ingegaan op de uitnodiging van de gemeente Amsterdam om deel te nemen aan de proef horecaconcentratiegebieden. De observaties laten zien dat na de invoering van de aanpassingen de bezoekers de discotheken meer gespreid verlaten. Van een afname van rondhangend uitgaanspubliek op straat voor de discotheken lijkt echter minder sprake te zijn. Ook volgens de geïnterviewde exploitanten is na de invoering van de aanpassingen de overlast van bezoekers van discotheken niet verminderd, hoewel volgens hen agressie en geweld in hun zaken in het weekeinde wel is afgenomen (van 92% in 1999 naar 63% in 2000).
Observaties
Uit de observaties blijkt dat het aankondigen van de sluitingstijd in de meeste discotheken plaatsvindt door de verlichting tegen sluitingstijd op te voeren en de muziek zachter te zetten. In zes discotheken (23% van alle geobserveerde discotheken) die na 05.00 uur de horecagelegenheid nog exploiteerden, is door de observanten gelet op naleving van de alcoholvrije afkoelperiode, namelijk of nieuwe bezoekers de toegang wordt geweigerd en of de alcoholverkoop is beëindigd. Hierbij is door de observanten niet geconstateerd dat tijdens de afkoelperiode nog alcohol wordt geschonken of nieuwe bezoekers worden toegelaten tot de discotheek.
Verder komt uit de observaties naar voren dat in 2000 minder vaak dan in 1999 alcohol wordt geschonken tot aan de sluitingstijd (van 58% in 1999 naar 40% in 2000). In 2000 vindt in drie kwart van de discotheken een meer gespreide leegloop plaats, terwijl dit in 1999 bij de helft van de discotheken het geval was. Uit figuur 3 blijkt dat dit met name in de discotheken rond het Rembrandtplein het geval is. Hiermee lijkt een belangrijke doelstelling van de proef, namelijk het bevorderen van een meer gespreid (en rustiger) verlaten van de horecagelegenheden, te worden gerealiseerd.
Figuur 3
Percentage bezoekers dat de discotheek gelijktijdig verlaat
 
De verruimde openingstijden van broodjeszaken, met als belangrijk oogmerk het voorkomen van rondhangend uitgaanspubliek op straat voor discotheken, lijkt niet het gewenste effect te hebben gehad. De observaties wijzen uit dat in 2000 bij meer discotheken bezoekers op straat blijven hangen dan in 1999 (van 56% in 1999 naar 76% in 2000). Uit figuur 4 komt naar voren dat dit in 2000 vooral lijkt plaats te vinden bij de discotheken rond het Leidseplein.
Figuur 4
Percentage discotheken waar bezoekers na sluitingstijd voor de uitgang blijft hangen
 
Overige horecagelegenheden
Naast de overlast van discotheken en broodjeszaken, kunnen bewoners ook overlast ervaren van overige horecagelegenheden zoals cafés, restaurants en hotels. Zowel in 1999 als in 2000 ervaart ongeveer twee vijfde van de geënquêteerde bewoners van de Amsterdamse binnenstad wel eens hinder van dergelijke horecagelegenheden. De overlast concentreert zich voornamelijk in de nacht tussen 24.00 uur en 04.00 uur, waarbij wel moet worden opgemerkt dat de meeste bewoners geen exact tijdstip weten te noemen.
3. Broodjeszaken
Door het verruimen van de openingstijden van broodjeszaken wordt de discotheekbezoeker na het verlaten van de discotheken de gelegenheid geboden snackbars, fastfood- en shoarmazaken te bezoeken. De verwachting is dat hierdoor minder bezoekers op straat rondhangen, waardoor de overlast voor de bewoners van de Binnenstad afneemt.
Bewoners
Tussen 1999 en 2000 zijn geen verschillen geconstateerd in de mate waarin de bewoners van de binnenstad potentiële overlastgevende situaties rondom de broodjeszaken waarnemen. Uit figuur 5 blijkt dat in de horecaconcentratiegebieden rond het Leidseplein en Rembrandtplein eveneens geen veranderingen optreden wanneer naar de verschillende buurten wordt gekeken. Daarentegen vinden in enkele andere buurten tussen 1999 en 2000 wel veranderingen plaats. Zo is er volgens de bewoners van de Nieuwmarkt en Lastage rondom broodjeszaken in 2000 sprake van een toename van situaties of voorvallen die volgens de bewoners tot overlast kunnen leiden (van 19% in 1999 naar 30% in 2000), terwijl in Burgwallen volgens de bewoners juist een afname optreedt (van 24% in 1999 naar 14% in 2000). De verbetering in de Burgwallen zou verband kunnen houden met de politie-acties waarbij verslaafden door middel van 'dijkverboden' voor een bepaalde tijd van de Amsterdamse Wallen worden geweerd. Hierdoor kunnen de resultaten in de Burgwallen en daarmee ook de resultaten van alle buurten tezamen zijn beïnvloed. Uit nadere analyses blijkt echter dat de totaalcijfers voor de binnenstad exclusief de Burgwallen niet noemenswaardig verschillen van de totaalcijfers inclusief de Burgwallen.
Figuur 5
Percentage van alle geënquêteerde bewoners dat zegt dat in de eigen woonomgeving potentiële overlastsituaties met bezoekers van broodjeszaken wel eens voorkomt
 
De overlast van broodjeszaken treedt voornamelijk overdag en in de avonduren tussen 07.00 uur en 24.00 uur op. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat het overgrote deel van de bewoners geen exact tijdstip weet te noemen.
Zoals reeds eerder is opgemerkt, leiden potentiële overlastsituatie niet in alle gevallen tot hinder voor bewoners: een situatie die door de ene persoon als hinderlijk wordt ervaren, behoeft voor een andere persoon in het geheel geen hinder op te leveren. Aan de bewoners die menen dat er broodjeszaken zijn gevestigd in hun woonomgeving is gevraagd in hoeverre zij van bezoekers van broodjeszaken daadwerkelijk hinder ondervinden. Uit figuur 6 blijkt dat in 2000 ongeveer een kwart van de Amsterdamse binnenstadbewoners wel eens hinder van broodjeszaken heeft ervaren, nagenoeg even veel als in 1999. Van de bewoners in de horecaconcentratiegebieden rapporteren met name de bewoners van het Rembrandtplein in 2000 meer hinder dan in 1999 (van 25% in 1999 naar 41% in 2000). De bewoners van de Nieuwmarkt en Lastage ervaren in 2000 eveneens meer hinder dan in het voorgaande jaar (van 18% in 1999 naar 45% in 2000). In de Burgwallen tenslotte, waar ook relatief veel broodjeszaken zijn gevestigd, maken de bewoners in 2000 minder melding van hinder van broodjeszaken dan in 1999 (van 40% in 1999 naar 22% in 2000).
Figuur 6
Percentage van alle geënquêteerde bewoners dat aangeeft dat er in de woonomgeving broodjeszaken zijn gevestigd, uitgesplitst naar bewoners die wel eens of geen hinder van een broodjeszaak hebben ervaren, in 1999 en in 2000
 
Horeca-exploitanten
Tijdens de interviews zegt een derde van de exploitanten van de broodjeszaken mee te werken aan de proef met de verruimde openingstijden. Het aantal exploitanten van broodjeszaken rondom het Rembrandtplein dat veronderstelt dat hun bezoekers regelmatig tot altijd overlast veroorzaakt, is tussen 1999 en 2000 afgenomen (van 25% in 1999 naar 10% in 2000). Zowel in 1999 als in 2000 meent de helft van de exploitanten van broodjeszaken rondom het Leidseplein dat de bezoekers van hun zaak regelmatig tot altijd overlast veroorzaken. Volgens exploitanten van broodjeszaken elders in de Amsterdamse binnenstad (dus niet rond het Leidseplein of Rembrandtplein) is de overlast het afgelopen jaar toegenomen (van 11% in 1999 tot 18% in 2000).
Bijna drie kwart van de exploitanten zegt dat de meeste overlast plaatsvindt in het weekeinde. Daarnaast constateren de exploitanten in 2000 minder agressie en geweld van bezoekers dan in 1999, waarbij met name de exploitanten van broodjeszaken rondom het Rembrandtplein opmerken dat de agressie en het geweld van bezoekers van hun broodjeszaken zou zijn afgenomen (van 63% in 1999 naar 40% in 2000). Hierbij blijkt overigens verbale agressie in beide jaren het meeste door de exploitanten te worden waargenomen.
Observaties
Uit de observaties in 2000 blijkt dat bijna een kwart van de broodjeszaken na 04.00 uur nog geopend is, terwijl de overige broodjeszaken reeds een uur of langer gesloten zijn. Het aantal bezoekers dat aangeschoten of dronken in de broodjeszaken wordt gesignaleerd, is gering. In 2000 is tijdens alle observaties eenmaal sprake van een bezoeker die in de broodjeszaak agressief gedrag vertoont.
Uit de observaties blijkt voorts dat in 2000 in zeven broodjeszaken (13%) alcohol kan worden gekocht. Wanneer ook naar de voorgaande metingen wordt gekeken (naast de nulmeting en de eindmeting zijn tussen september 1999 en september 2000 elke drie maanden observaties uitgevoerd), dan blijkt dat in 20 van 73 onderzochte broodjeszaken (27%) alcoholverkoop is geobserveerd.
4. Politie
In de registraties van de politie blijkt het aantal geweldsincidenten op en rondom het Leidseplein in 2000 niet lager te zijn dan in 1999. In 2000 zijn 100 ernstige geweldsdelicten (moord en doodslag; schiet- en steekpartijen; zware mishandeling en bedreiging) geregistreerd tegenover 99 in 1999. Het aantal minder ernstige geregistreerde geweldsincidenten (vechtpartij; ruzie/twist; eenvoudige mishandeling) is met 6% gestegen (van 335 in 1999 naar 355 in 2000). Indien uitsluitend wordt gekeken naar de incidenten op de uitgaansavonden (vrijdag- en zaterdagnacht tussen 23.00 uur en 07.00), dan blijkt het aantal ernstige geregistreerde geweldsdelicten evenmin te zijn gewijzigd (38 in 1999 tegenover 41 in 2000), terwijl het aantal minder ernstige geweldsincidenten met 18% is toegenomen (van 209 in 1999 tot 247 in 2000). Op de overige dagen van de week is het aantal geregistreerde geweldsincidenten licht gedaald (van 186 in 1999 tot 167 in 2000).
Op het Rembrandtplein is het aantal geregistreerde geweldsincidenten toegenomen. De ernstige geweldsdelicten zijn met 39% gestegen (van 108 in 1999 tot 150 in 2000) en de minder ernstige met 18% (van 321 in 1999 tot 378 in 2000). Het aantal geregistreerde ernstige geweldsdelicten is zowel op de uitgaansavonden als in rest van de week toegenomen, terwijl de minder ernstige geweldsincidenten met name in de nacht van zaterdag op zondag worden geregistreerd.
Sleutelinformanten
Uit gesprekken met de sleutelinformanten van de Regiopolitie Amsterdam blijkt dat zij van mening zijn dat de problematiek rond het uitgaan het afgelopen jaar is verminderd, met name agressie en geweldsincidenten zouden minder vaak voorkomen. In de voorgaande jaren heeft met name in de weekeinden een toename van overlast en geweld plaatsgevonden in de horecaconcentratiegebieden, waardoor in het kader van de proef de openingstijden van discotheken in het weekeinde zijn verruimd.
5. Woon- en leefklimaat
Uit de resultaten van de herhaalde enquête onder de bewoners van de Amsterdamse binnenstad komt geen eenduidig beeld naar voren. Op enkele punten is een verbetering in het woon- en leefklimaat opgetreden, terwijl er op andere punten eerder sprake is van een verslechtering.
Veiligheidsbeleving en slachtofferschap
Onder alle geënquêteerde bewoners tezamen is de veiligheidsbeleving in 2000 ten opzichte van 1999 niet veranderd. Ook de bewoners rond het Leidsplein en Rembrandtplein voelen zich in 2000 niet veiliger of onveiliger dan in 1999. In de buurt Burgwallen daarentegen is het aantal bewoners dat zich in 2000 onveilig voelt in de eigen woonbuurt lager dan in 1999 (van 44% in 1999 naar 18% in 2000), terwijl een relatief groot aantal bewoners van de buurten Nieuwmarkt en Lastage zich in de eigen buurt wel eens onveilig voelt.
Op de veiligheidsbeleving is onder meer de kans om slachtoffer te worden van een delict van invloed. Hierbij kan worden gedacht aan diefstal van de portemonnee of tasje, bedreiging met geweld en mishandeling (zogenoemde persoonsgebonden criminaliteit). Uit de enquêtes blijkt dat in beide jaren minder dan tien procent van de bewoners het slachtoffer is geweest van persoonsgebonden criminaliteit. Het slachtofferschap onder alle geënquêteerde bewoners is na invoering van het aangepaste horecabeleid niet afgenomen. Wel is in de Burgwallen in 2000 het slachtofferschap van persoonsgebonden criminaliteit lager dan in 1999 (15% in 1999 naar 8% in 2000), terwijl in de Nieuwmarkt en Lastage het slachtofferschap in de eigen woonbuurt in 2000 hoger is (van 9% in 1999 naar 17% in 2000).
Interviews taxichauffeurs
Uit de interviews met de taxichauffeurs komt in het algemeen geen duidelijke vermindering van de overlast en de onveiligheidsbeleving naar voren. In het jaar na de invoering van de aanpassingen in het horecabeleid ervaren de chauffeurs nagenoeg evenveel overlast en hinder van het uitgaanspubliek als in het jaar voor de invoering. Wel is het gemiddeld aantal keren dat taxichauffeurs hinderlijk zijn bejegend door reizigers of personen rondom de taxi verminderd (van gemiddeld 2,8 in 1999 naar 2,1 keer in 2000).
Incidentenregistratie Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam
Uit de incidentenregistratie van het Gemeentevervoerbedrijf (GVB) Amsterdam blijkt dat na de invoering van de proef geen vermindering optreedt van de overlast en de veiligheid in het Amsterdamse openbaar vervoer in de nachtelijke uren. De meeste incidenten in het openbaar vervoer van het GVB doen zich overdag voor tussen 12.00 en 20.00 uur. Op de tijdstippen waarop de proef horecaconcentratiegebieden zich voornamelijk richt, biedt het Gemeentevervoerbedrijf (GVB) Amsterdam in zeer beperkte mate openbaar vervoer mogelijkheden aan. Op deze tijdstippen zijn er weinig incidenten geregistreerd. Wanneer wordt gekeken naar het aantal incidenten dat plaatsvindt in de periode waarop de proef horecaconcentratiegebieden de meeste betrekking heeft, namelijk tussen 04.00 en 08.00 uur, dan blijkt dat er geen verandering is opgetreden tussen 1999 en 2000. Wel hebben er in 2000 tussen 24.00 en 04.00 uur meer incidenten plaatsgevonden dan in 1999.
6. Conclusies
Het doel van de proef horecaconcentratiegebieden is het experimenteren met een verruiming van de openingstijden van horecagelegenheden in de concentratiegebieden van de Amsterdamse binnenstad. Hiermee zou worden bevorderd dat horecabezoekers de etablissementen in de horecaconcentratiegebieden meer gespreid en rustiger verlaten. Het beoogde resultaat is een verbetering van zowel het woon- en leefklimaat als het gevoel van veiligheid op straat.
In de evaluatie van de proef is nagegaan welke veranderingen zich na één jaar hebben voorgedaan. Hierbij is met name gekeken naar de overlast van discotheken in de horecaconcentratiegebieden Leidseplein en Rembrandtplein, de overlast van broodjeszaken en de veiligheid(sbeleving) in de binnenstad.
Uit de evaluatie van de proef horecaconcentratiegebieden blijkt dat in het proefjaar van de aanpassingen in het horecabeleid een groot aantal van de beoogde veranderingen niet zijn opgetreden. De observaties laten zien dat de meeste discotheken weliswaar meedoen aan de proef, maar dat slechts een beperkt aantal discotheken gebruik maakt van de verruimde openingstijden. Meestal stopt tegen vijf uur de muziek, gaan de lichten aan en worden de bezoekers gesommeerd het pand te verlaten. De exploitanten hebben in het algemeen geen speciale invulling gegeven aan de periode tussen vijf en zeven uur 's ochtends. In de praktijk blijken de laatste bezoekers tussen 04.30 uur en 05.30 uur de discotheken te verlaten, waarbij rond kwart over vijf de meeste bezoekers de gelegenheden hebben verlaten. Hoewel de verruiming van de openingstijd met twee uur maar ten dele wordt benut, blijkt door de verruimde openingstijden toch een meer gespreide uitstroom van bezoekers plaats te vinden.
De hinder die de geënquêteerde bewoners ervaren van discotheekbezoekers is tussen 1999 en 2000 niet veranderd, hoewel de bewoners in 2000 wel minder situaties signaleren waarin bezoekers van discotheken volgens hen overlast zouden kunnen veroorzaken, met name in de buurt rond het Rembrandtplein. Daar staat tegenover dat de bewoners van het Rembrandtplein in 2000 meer hinder van broodjeszaken rapporteren dan in 1999, terwijl ze in 2000 even veel potentiële overlastsituaties rondom de broodjeszaken waarnemen. Blijkbaar spelen bij het daadwerkelijk hinder ondervinden van potentiële overlastsituaties overige factoren zoals individuele verschillen en tolerantie een rol. Daarnaast is de veiligheidsbeleving van de bewoners van de horecaconcentratiegebieden niet toegenomen.
In het proefjaar zijn enkele verbeteringen in het woon- en leefklimaat van de Amsterdamse binnenstad opgetreden. Volgens de geïnterviewde discotheekexploitanten is de verbale en fysieke agressie met name in het weekeinde afgenomen. Ook de exploitanten van broodjeszaken rondom het Rembrandtplein nemen minder agressie en geweld waar. Daarnaast blijkt uit observaties dat er een meer gespreide leegloop van de discotheken plaatsvindt. Uit de enquête onder de bezoekers van discotheken blijkt onder hen echter geen daling van het percentage slachtoffers van geweldsincidenten te hebben plaatsgevonden. Een significante daling van het slachtofferpercentage is echter bij incidenteel voorkomende geweldsvoorvallen lastig aan te tonen. Wel zeggen taxichauffeurs die regelmatig werkzaam zijn op het Leidseplein en Rembrandtplein minder vaak te zijn bedreigd.
Ondanks het feit dat de veranderingen meestal gering zijn en de veranderingen met name onder de bewoners niet altijd een verbetering laten zien, geven de exploitanten van de discotheken en de broodjeszaken, de taxichauffeurs en de sleutelinformanten van de politie aan dat zij in het algemeen positief zijn over de proef.
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.