INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies
 
Monitor Veiligheid Rotterdam 1999
Bestelinformatie
Deze publicatie is te bestellen door overmaking van
€ 11,35 + € 3,50 verzendkosten (bij bestelling van meerdere publicaties € 6,00) op rekening NL31 INGB 000 4 5997 84 ING-Bank ten name van Stichting INTRAVAL te Groningen, onder vermelding van de titel(s) en uw naam + adres.
Hoofdstuk 6    Conclusies
Voor het beschrijven van de ontwikkelingen op het gebied van veiligheid en leefbaarheid in de gemeente Rotterdam en de deelgemeenten is gebruik gemaakt van gegevens uit bevolkingsenquêtes en van de door de politie geregistreerde criminaliteit. De bevolkingsenquêtes geven vaak een ander beeld dan de politiestatistieken. De enquêtes meten ook de criminaliteit waarvan geen aangifte wordt gedaan en voor de politie verborgen blijft (dark number). In tegenstelling tot voorgaande jaren (1994-1998) zijn de gegevens over 1999 consequent uitgesplitst naar alle deelgemeenten. Dit geldt zowel voor de gegevens uit de bevolkingsenquête als de politieregistraties.
6.1    Slachtofferschap en geregistreerde criminaliteit
De ontwikkeling in slachtofferschap van criminaliteit en de door de politie geregistreerde criminaliteit vertonen in de gemeente Rotterdam over de periode 1995-1999 een enigszins diffuus beeld. Tot 1998 laten diverse indicatoren op het gebied van veiligheid een positief beeld zien. Zo daalt het slachtofferschap van criminaliteit, met name het slachtofferschap van geweldsdelicten en dalen eveneens de aantallen aangiften van diefstal en inbraak. Rond 1998 doet zich echter een omslag voor. De criminaliteit lijkt in Rotterdam sindsdien te zijn toegenomen.
Volgens de gegevens uit de bevolkingsenquêtes stijgt het percentage bewoners van Rotterdam dat slachtoffers is geweest van een geweldsdelict. In 1999 blijkt 11% van de Rotterdammers hiervan het slachtoffer te zijn geweest tegenover 8% in 1998 en 7% in 1997. Overigens komt dit overeen met de landelijke ontwikkeling, waar het percentage slachtoffers van geweld eveneens toeneemt. In 1998 ligt dit met een slachtofferpercentage van 7,6% voor de totale bevolking op een vergelijkbaar niveau als in Rotterdam. Voor 1999 zijn landelijk nog geen vergelijkbare percentages beschikbaar.
De ontwikkeling in het slachtofferschap van vermogensdelicten in Rotterdam is onduidelijk. In 1999 is 25% van de Rotterdammers het slachtoffer geweest van een diefstal of inbraak. Over de voorgaande jaren zijn echter geen vergelijkbare cijfers beschikbaar. Wel zijn trends aan te geven voor enkele delicttypen (woninginbraak en zakkenrollen). Hieruit blijkt dat het percentage bewoners dat slachtoffer is geweest van woninginbraak in de afgelopen jaren (1996-1999) rond de 3-4% ligt, terwijl dit in 1995 nog 6% bedroeg. De diefstallen zonder geweld (zakkenrollen) zijn echter toegenomen. In 1999 is 8% van de bewoners hiervan het slachtoffer geweest tegenover 4% in 1998. Overigens is het Rotterdamse slachtofferpercentage voor vermogensdelicten aanzienlijk hoger dan landelijk, waar 15% van de bevolking hiervan het slachtoffer is geweest.
Het percentage Rotterdammers dat slachtoffer is geweest van een of ander misdrijf lijkt jaarlijks af te nemen. Werd in 1995 nog 59% van de Rotterdammers slachtoffer van een misdrijf, in 1999 is dit teruggelopen tot 49%. Bovendien komt eveneens het herhaald slachtofferschap (meerdere keren slachtoffer in een jaar) minder vaak voor. Dit betekent dat, ondanks een stijging van de slachtofferpercentages voor geweld, de slachtofferpercentages voor vermogensmisdrijven en vernielingen zijn afgenomen.
De door de politie geregistreerde criminaliteit is met 72.703 misdrijven in 1999 het hoogst sinds 1994 (77.746 misdrijven). In 1998 bedraagt gaat het om 64.112 misdrijven, hetgeen betekent dat in 1999 sprake is van een stijging van 12%. De afzonderlijke typen misdrijven laten overigens verschillende trends zien. De geregistreerde vermogens-misdrijven die evenals landelijk in 1994 het hoogste aantal bereikten (66.070 misdrijven) nemen de volgende jaren gestaag af tot 45.429 misdrijven in 1998. In 1999 stijgt het aantal aangiften van vermogensdelicten echter tot 50.297, een toename van 11% in een jaar tijd. De geweldsmisdrijven vernielingen en misdrijven tegen de openbare orde vertonen sinds 1994 alle een forse stijging. Opvallend is de geringe stijging in 1998. In dat jaar neemt het aantal door de politie geregistreerde geweldsmisdrijven licht toe, terwijl het aantal vernielingen en misdrijven tegen de openbare orde zelfs afnemen. In 1999 zijn ze echter wederom fors toegenomen. Vooral de categorie geweld (mishandeling en bedreiging) neemt in de geregistreerde criminaliteit flink toe. Ook de diefstallen met geweld zijn toegenomen, zij het minder fors.
   
6.2    Leefbaarheid
De bevolkingsenquête geeft eveneens inzicht in de ervaringen van de bewoners van Rotterdam en de deelgemeenten met het voorkomen van hinderlijke of vervelende voorvallen in hun directe woonomgeving. Hierbij gaat het om voorvallen die bij bewoners tot overlast kunnen leiden of tot onveilige situaties. Voorbeelden hiervan zijn: rondhangende jongeren op straat; openlijke gebruik van drugs; dronken personen op straat; handel in drugs; of berovingen en overige geweldsdelicten. Deze voorvallen zijn ingedeeld in de volgende vier categorieën van buurtproblemen: buurtverloedering, buurtdreiging, vermogensdelicten en drugsoverlast.
Voorvallen die bijdragen aan de verloedering van de buurt (rommel op straat, vernieling en bekladding) worden door de jaren heen gerekend tot de meest voorkomende voorvallen. Tot 1997 worden deze voorvallen echter steeds minder waargenomen. Sindsdien daalt de verloedering niet verder. Ten opzichte van de overige deelgemeenten, blijken voorvallen van buurtverloedering met name door de bewoners van Delfshaven, het Centrum en Feijenoord te zijn waargenomen.
Vermogenscriminaliteit als inbraken en diefstallen, door de jaren heen eveneens als veel voorkomende voorvallen genoemd, worden in de periode 1994-1999 steeds minder als een probleem in de eigen buurt ervaren. Echt bedreigende voorvallen (dronken mensen op straat, het lastig vallen en bedreigen van mensen en geweldsdelicten) doen zich volgens de bewoners in hun buurt minder vaak voor. Sinds 1996 is in de frequentie waarin deze voorvallen zich voordoen geen verandering opgetreden. In vergelijking met de overige deelgemeenten is de dreiging die uitgaat van de buurt het hoogst in Delfshaven en het Centrum.
Het buurtprobleem drugsoverlast, waarbij het gaat om het gebruik van drugs op straat, straatprostitutie en de handel in drugs op straat en vanuit panden, scoort voor heel Rotterdam relatief laag. In enkele deelgemeenten is volgens de bewoners echter sprake van een hogere score. Dit geldt met name voor Delfshaven en het Centrum en in mindere mate voor Feijenoord, Charlois en Noord. De afgelopen jaren heeft zich hierin weinig verandering voorgedaan. In deelgemeente Noord is volgens de bewoners het gebruik van drugs op straat en de handel op straat en vanuit woningen afgenomen.
Naast het feit of zich potentiële overlast of onveilige situaties voordoen in hun woonomgeving is de bewoners tevens gevraagd of zij ook persoonlijk hinder ondervinden van vormen van drugsoverlast en overlast van jongeren. In de deelgemeenten Delfshaven, Centrum, Feijenoord en Charlois waar handel in en gebruik van drugs veel voorkomt, ondervindt een relatief hoog percentage bewoners hiervan ook daadwerkelijk hinder. Overlast van jongeren wordt behalve in Charlois eveneens met name ervaren in Delfshaven, Centrum en Feijenoord. Bewoners ondervinden vooral hinder van samenscholingen van jongeren en onderlinge ruzies. Dat bewoners persoonlijk hinder ondervinden van vechtpartijen tussen jongeren en buurtbewoners komt minder vaak voor.
6.3    Beleving van onveiligheid
Het percentage Rotterdammer dat zich wel eens onveilig voelt is, na een aanvankelijke afname in de periode 1995-1998, in 1999 toegenomen. Zo voelde in 1995 de helft (50%) van de Rotterdammers zich wel eens onveilig, terwijl dit in 1998 is afgenomen tot 43% en in 1999 weer is gestegen tot 49%. Vergeleken met het al enige jaren stabiele landelijke percentage van 31% is dit hoog (Politiemonitor 1999). De beleving van onveiligheid is in grote gemeenten echter hoger dan het landelijk gemiddelde. Ook de inwoners in de drie overige grote steden voelen zich echter veiliger dan die in Rotterdam. In Amsterdam en Den Haag voelt 39% van de bevolking zich wel eens onveilig en in Utrecht 41%. Overigens voelen de bewoners van Rotterdam zich wel veiliger wanneer wordt gerefereerd aan de directe woonomgeving: 63% voelt zich nooit onveilig in de eigen buurt.
Naast cijfers over de beleving van veiligheid zijn tevens gegevens beschikbaar over de waardering van diverse aspecten van veiligheid uitgedrukt in een rapportcijfer. Hierbij is gebruik gemaakt van de omnibusenquête van het Rotterdamse Centrum voor Onderzoek en Statistiek (COS). Hierin zijn enkele vragen opgenomen waarmee het in het Collegeprogramma Met Raad en Daad geformuleerde baken 'rapportcijfer veiligheidsbeleving' jaarlijks wordt gemeten. Om een consistente tijdreeks te waarborgen heeft de Projectgroep Veilig besloten deze vragen over veiligheid in de omnibusenquête te continueren. Desondanks is volgens de Rekenkamer Rotterdam (2000) een eenduidig algemeen rapportcijfer voor de veiligheid in Rotterdam niet beschikbaar. Uit de wel beschikbare gegevens blijkt dat de Rotterdammers de veiligheid in de eigen buurt, het stadscentrum en het openbaar vervoer enigszins positiever zijn gaan waarderen. Dit geldt met name voor het stadscentrum waar de veiligheid voor zowel overdag als 's avonds en 's nachts het sterkst is verbeterd.
6.4    Verdachten
Het aantal door de politie aangehouden verdachten van strafbare feiten is in de periode 1994-1998 redelijk stabiel. Jaarlijks ontvangen tussen de 11.000 en 12.000 personen een proces-verbaal. Hiervan is een ruime meerderheid (87%) man. Bijna de helft is tussen de 25 en 39 jaar oud, een kwart is tussen de 16 en 24 jaar oud, terwijl 5% jonger is dan 15 jaar. Van alle verdachten is 53% van Nederlandse afkomst, hetgeen lager is dan het percentage bewoners van 12 jaar en ouder in Rotterdam (61%). Het grootste verschil doet zich voor bij de Antillianen. Van de verdachten is 8% van Antilliaanse afkomst tegenover 2% van de Rotterdamse bevolking.
Een algemene trend is dat de politie steeds meer minderjarigen hoort, vooral voor geweldsdelicten. Ook gegevens uit het HKS, het herkenningssysteem van de politie, vertonen een toename van het aantal minderjarige verdachten in Rotterdam. In de afgelopen jaren is het aantal jongeren onder de 16 jaar dat een proces-verbaal heeft gekregen het sterkst toegenomen (van 370 personen in 1994 tot 636 in 1998), terwijl het aantal 25-39 jarigen enigszins is gedaald (van 5537 personen in 1994 tot 5224 in 1998).
Jeugdige verdachten krijgen met name een proces-verbaal voor inbraken en diefstallen (44%), en voor vandalisme (30%). Een kwart (26%) is echter aangehouden voor het plegen van een geweldsdelict, terwijl dit voor 19% van alle aangehouden personen geldt. Dit houdt in dat jongeren relatief vaker voor een geweldsdelict zijn aangehouden. Verder blijkt ruim de helft van de jeugdige daders van Nederlandse afkomst te zijn, 18% van Marokkaanse, 10% van Antilliaanse, 5% van Turkse en 4% van Surinaamse afkomst. Ten opzichte van de Rotterdamse bevolking van 12-24 jaar is het percentage verdachten van Marokkaanse afkomst relatief hoog. Van de Rotterdamse jongeren is 8% van Marokkaanse afkomst. Vanwege het feit dat niet bekend is in welke deelgemeente de verdachte woonachtig is, kan geen uitsplitsing naar de etnische achtergrond van de verdachten naar deelgemeente worden gemaakt.
6.5 Veiligheid in deelgemeenten
Naar de oorzaken en gevolgen van onveiligheid(sbeleving) is uitgebreid landelijk onderzoek gedaan (onder andere in de Integrale Veiligheid Rapportages van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties). De belangrijkste bevindingen zijn dat bij een kwart van de bevolking de onveiligheidsbeleving een sterk structureel karakter heeft en dat de onveiligheidsbeleving in belangrijke mate verband houdt met geslacht, slachtofferschap van geweldscriminaliteit en de dreiging die uitgaat van de woonbuurt door onder andere de aanwezigheid van onoverzichtelijke lokaties of de hinderlijke aanwezigheid van drugsverslaafden, dronken personen en jongeren. De verschillen die zich tussen de deelgemeenten op het gebied van veiligheid en leefbaarheid voordoen worden voor een belangrijk deel hierdoor verklaard.
De Rotterdamse deelgemeenten kunnen voor wat betreft veiligheid en leefbaarheid in drie categorieën worden ingedeeld:
I. hoge onveiligheid en slechte tot matige leefbaarheid
   Delfshaven, Charlois, Centrum, Noord en Feijenoord;
II. gemiddelde veiligheid en leefbaarheid
   Kralingen, IJsselmonde en Overschie;
III. hoge veiligheid en leefbaarheid
   Hillegersberg-Schiebroek, Hoogvliet, Prins Alexander en Hoek van Holland.
De deelgemeenten in categorie I. Hoge onveiligheid en slechte tot matige leefbaarheid scoren op het gebied van veiligheid en leefbaarheid slechter dan de overige deelgemeenten. Zo zijn de bewoners van deze deelgemeenten in hun directe woonomgeving relatief vaak het slachtoffer van gewelds- en vermogensdelicten, ervaren de bewoners veel buurtproblemen (verloedering, bedreigende voorvallen, vermogensdelicten), terwijl tevens sprake is van relatief veel overlast van drugsverslaafden en jongeren.
Charlois heeft twee positieve uitzonderingen: de overlast van jongeren is er gemiddeld en het slachtofferschap van vermogensdelicten relatief laag, met name de fietsendiefstallen en diefstallen uit auto. Opvallend in Noord is de, in vergelijking met de overige deelgemeenten in deze categorie, relatief geringe overlast van drugsverslaafden en jongeren. Voor Feijenoord geldt dat het slachtofferschap van vermogensdelicten gemiddeld is. Het Centrum en met name Delfshaven scoren daarentegen op alle veiligheids- en leefbaarheidsaspecten het meest negatief. Delfshaven scoort vooral hoog op: buurtproblematiek (verloedering, bedreigende voorvallen, vermogenscriminaliteit en drugsoverlast); onveiligheidsbeleving (50% van de bewoners voelt zich in de directe woonomgeving wel eens onveilig); overlast van drugsverslaafden; overlast van jongeren; overlast van coffeeshops; overlast van dealpanden; slachtofferschap van gewelds- en vermogensdelicten; en het aantal jongeren dat voor het plegen van misdrijven in Delfshaven is aangehouden. Het Centrum scoort met name hoog op: buurtproblematiek (verloedering, bedreigende voorvallen, vermogenscriminaliteit en drugsoverlast); onveiligheidsbeleving (45% van de bewoners voelt zich in de directe woonomgeving wel eens onveilig); overlast van drugsverslaafden; overlast van jongeren; slachtofferschap van gewelds- en vermogensdelicten; en het aantal jongeren dat voor het plegen van misdrijven in het Centrum is aangehouden.
De deelgemeenten in categorie II. Gemiddelde veiligheid en leefbaarheid scoren met name minder goed op buurtproblematiek, beleving van onveiligheid en/of slachtofferschap van vermogensdelicten. De bewoners van Kralingen ervaren de vermogenscriminaliteit als een probleem, vooral fietsendiefstal kom in hun buurt vaak voor, terwijl ook bedreigende voorvallen als bedreigingen en dronken mensen op straat relatief vaak voorkomen. Verder zijn de bewoners van Kralingen in 1999 relatief vaak het slachtoffer geweest van fietsendiefstal en woninginbraak en is de beleving van onveiligheid gemiddeld. In IJsselmonde ervaren de bewoners de verloedering als een probleem voor de buurt. Met name vernielingen komen vaak voor. De beleving van onveiligheid is gemiddeld, hetgeen laag is in verhouding tot de inbreuken op de veiligheid die er daadwerkelijk worden gepleegd. De bewoners van Overschie ervaren de buurt vaker als verloederd, vooral lawaai en rommel op straat komt meer dan gemiddeld voor. De overige veiligheidsaspecten scoren hoger dan gemiddeld in Rotterdam.
De deelgemeenten in categorie III. Hoge veiligheid en leefbaarheid scoren op alle veiligheid- en leefbaarheidsindicatoren goed tot zeer goed. Dit geldt nog het meest voor Hoek van Holland.
6.6 Activiteiten
De meeste deelgemeenten ontplooien diverse activiteiten ter verbetering van de veiligheid en leefbaarheid. Enkele deelgemeenten die relatief hoog scoren op de indicatoren voor veiligheid, zoals IJsselmonde, Hoogvliet en Hillegersberg-Schiebroek, hebben verhoudingsgewijs een groot aantal activiteiten ontwikkeld. IJsselmonde is met name actief op het gebied van leefbaarheid, terwijl Hoogvliet en Hillegersberg-Schiebroek veel doen aan het verbeteren van de veiligheidsbeleving.
Door de deelgemeenten Delfshaven en Feijenoord, waar diverse problemen op het gebied van veiligheid en leefbaarheid spelen, worden daarentegen slechts een beperkt aantal activiteiten ondernomen. Met name activiteiten gericht op het verbeteren van de veiligheidsbeleving, de leefbaarheid (Feijenoord) en een dader gerichte aanpak (Delfshaven) ontbreken. In het Centrum waar eveneens sprake is van hoge scores op de veiligheidsindicatoren, wordt door de gemeente Rotterdam op diverse terreinen (door verbeteren van leefbaarheid, aanpakken van drugsoverlast, verbeteren van veiligheidsbeleving en een dadergerichte aanpak) actie ondernomen. Van de deelgemeente Charlois is helaas geen informatie ontvangen.
In januari 2001 vind een volgende meting naar de veiligheid en leefbaarheid onder de Rotterdamse bevolking plaats. In deze meting zal meer aandacht zijn voor de beleving van veiligheid onder allochtonen. Momenteel vindt een voorstudie plaats naar de wijze waarop de veiligheid en leefbaarheid onder de allochtone bewoners van Rotterdam op correcte wijze kan worden gemeten. De veiligheidsmonitor zal aan de resultaten van deze voorstudie worden aangepast, waardoor nog betere informatie over ontwikkelingen beschikbaar komt. Tevens zal worden nagegaan of de gegevens over de verdachten van misdrijven niet alleen beschikbaar zijn naar de pleegplaats, zoals tot nu toe het geval is, maar tevens naar de woonbuurt van de verdachte. In het kader van preventie-activiteiten is het van belang te weten waar de delictplegers woonachtig zijn. Om uitspraken te kunnen doen over de activiteiten van deelgemeenten in relatie tot de ontwikkelingen in veiligheid en leefbaarheid dient overigens meer en betere informatie op deelgemeenteniveau beschikbaar te komen dan momenteel het geval is.
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.