INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies
 
Onderzoek rellen Groningen-Sparta
Bestelinformatie
Deze publicatie is te bestellen door overmaking van
€ 10,20 + € 3,50 verzendkosten (bij bestelling van meerdere publicaties € 6,00) op rekening NL31 INGB 000 4 5997 84 ING-Bank ten name van Stichting INTRAVAL te Groningen, onder vermelding van de titel(s) en uw naam + adres.
Hoofdstuk 6    Conclusies
In dit hoofdstuk worden conclusies getrokken ten aanzien van de in de onderzoeksopdracht geformuleerde vragen. Centraal daarbij staat de vraag in hoeverre er bij de ordeverstoringen na de voetbalwedstrijd Groningen-Sparta sprake is geweest van voetbalgeweld [1] en/of uitgaansgeweld. In beide gevallen wordt primair aan geweld tegen personen gedacht, maar zowel bij voetbalvandalisme als bij uitgaansgeweld worden ook vernielingen gepleegd. Op voorhand valt daardoor niet te zeggen om welke vorm van geweld het gaat. Om de onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden, is informatie over de ordeverstoringen in de avond en nacht van 19 op 20 juni 1999 en de daarbij betrokken daders [2] vergeleken met gegevens uit de literatuur over recente ontwikkelingen op het gebied van voetbalgeweld en uitgaansgeweld. Op grond van literatuuronderzoek is een aantal veronderstellingen geformuleerd over voetbalgeweld en uitgaansgeweld.
Aan de hand van deze veronderstellingen ('hypothesen') worden in dit hoofdstuk de voornaamste onderzoeksbevindingen uit hoofdstuk 1 tot en met 4 samengevat. In de laatste paragraaf van hoofdstuk 5 is op basis van interviews met specialisten reeds aangegeven welke knelpunten zich voordoen bij de handhaving van de openbare orde en de preventie van voetbalgeweld en/of uitgaansgeweld. Op basis van de analyses in hoofdstuk 1 tot en met 4 wordt uitgemaakt in hoeverre er bij de ordeverstoringen na de voetbalwedstrijd Groningen-Sparta sprake is geweest van voetbalgeweld en/of uitgaansgeweld. Tevens wordt aangegeven op welke punten nog belangrijke informatie ontbreekt.
[1]   In plaats van voetbalgeweld worden in dit rapport ook wel de termen voetbalvandalisme, voetbalgerelateerd geweld en geweld van voetbalsupporters gebruikt.
[2]   Formeel is het juister om over verdachten te praten. Ongeveer de helft van de personen waarvan een proces verbaal is opgemaakt, is uiteindelijk ook veroordeeld.
Hypothese 1
De eerste aan de literatuur ontleende veronderstelling luidt dat geweld van voetbalsupporters zich in toenemende mate verplaatst van de stadions naar trein- en busstations en naar openbare gelegenheden met name in de stadscentra. Dit betekent dat voetbalgerelateerd geweld niet alleen binnen, maar ook buiten de directe omgeving van het stadion en buiten de tijdstippen direct voorafgaande en na de wedstrijden plaatsvindt.
Uit de reconstructie blijken de rellen in de avond en nacht van 19 op 20 juni te beginnen rondom het stadion direct na afloop van de voetbalwedstrijd Groningen-Sparta. Gezien het verloop van de ongeregeldheden en mede gelet op het belang van de wedstrijd wordt vastgesteld dat hier sprake is van een voetbalincident dat binnen het gebruikelijke patroon valt. Ook de vernielingen van en naar het centrum zijn wat dat betreft niet exceptioneel.
De ongeregeldheden in de binnenstad vallen echter niet binnen het gebruikelijke patroon. Het is daarom de vraag of het in de binnenstad om een verplaatsing van voetbalgerelateerd geweld gaat of dat de gebeurtenissen in de binnenstad vooral met de uitgaanssituatie te maken hadden. In het uitgaanscentrum waren vanwege het evenement 'Swinging Groningen' veel mensen aanwezig. Op deze vraag wordt later nog teruggekomen. Hier kan echter al wel worden vastgesteld dat er een duidelijke relatie is tussen de opeenvolgende gebeurtenissen en dat het voor een groot deel om dezelfde dadergroepen gaat.
   
Hypothese 2
De tweede veronderstelling is dat voetbalgeweld primair is gericht op aanhangers van de tegenpartij. Uit de reconstructie blijkt dat dit inderdaad het geval is geweest. De ongeregeldheden beginnen met gewelddadigheden gericht op de supportersbussen van Sparta. Uit literatuuronderzoek blijkt dat voetbalsupporters in veel gevallen overgaan tot het plegen van vernielingen indien de supporters van de tegenpartij voor hen onbereikbaar zijn. De vernielde stadsbus in de Klaprooslaan kan dan als een plaatsvervangend doelwit worden begrepen voor de dan reeds vertrokken supportersbussen van Sparta.
Hypothese 3
De derde veronderstelling is dat het aantal daders dat daadwerkelijk bij voetbalvandalisme betrokken is, doorgaans beperkt blijft tot gemiddeld drie of vier personen per incident. Blijkens de reconstructie is dit bij de meeste incidenten in de avond en nacht van 19 op 20 juni inderdaad het geval. Er hebben zich echter ook enkele incidenten voorgedaan waarbij er feitelijk sprake is geweest van een groter aantal daders. In de eerste plaats is dat het geval bij het vernielen van de stadsbus aan de Klaprooslaan. De hierbij aangerichte vernielingen liggen weliswaar in het verlengde van het reguliere voetbalgeweld tegen supporters van de tegenpartij, maar de schaal van de vernielingen vallen buiten het gebruikelijke patroon van voetbalvandalisme.
Hetzelfde geldt voor de gewelddadigheden rondom het stadion die zijn gericht tegen manschappen en materieel van de Mobiele Eenheid. Het vechten met de ME na vertrek van de supportersbussen van de tegenpartij is een - ook bij wedstrijden van FC Groningen - vaker voorkomend verschijnsel, maar de schaal waarop dit na de wedstrijd tegen Sparta plaatsvindt, valt eveneens buiten het gebruikelijke patroon.
Tenslotte is ook bij vernielingen voor de sociëteit van studentenvereniging Vindicat atque Polit op de Grote Markt een grotere groep daders betrokken. Uit de processen verbaal is af te leiden dat studenten op de bewuste avond provocerende leuzen over FC Groningen hebben geroepen. In het verleden zijn er overigens vaker conflicten geweest tussen 'Vindicaters' en Z-siders. Afgezien van voornoemde incidenten zijn bij de overige incidenten steeds niet meer dan gemiddeld drie of vier daders betrokken.
Hypothese 4
Een vierde veronderstelling ten aanzien van geweld in het algemeen en voetbalvandalisme in het bijzonder is dat de geweldplegingen direct verband houden met overvloedig alcohol- en drugsgebruik door de daders. Uit de analyse van de informatie die uit de processen verbaal over de schaal en de ernst van de ongeregeldheden in Groningen beschikbaar is, blijkt geen directe samenhang tussen het alcohol- en drugsgebruik van de geweldplegers en het door hen gepleegde geweld tegen personen en zaken. Wel staat vast dat het grootste deel van de aangehouden verdachten op de bewuste avond onder invloed was. Maar dat geldt ook voor een groot aantal personen die niet bij de rellen betrokken zijn geweest. Bovendien waren aangeschoten en dronken verdachten niet bij meer en ook niet bij ernstigere incidenten betrokken dan verdachten die niet of nauwelijks alcohol hadden gebruikt.
Uit de informatie in de processen verbaal blijkt dat de helft van de verdachten onder invloed van alcohol verkeren ten tijde van de rellen. Van de andere helft is geen informatie bekend of ze hebben niet gedronken. Deze informatie laat verschillende conclusies toe. Eén mogelijke conclusie is dat een aanzienlijk deel onder invloed verkeerde. Dat betekent echter nog niet automatisch dat er ook een oorzakelijke verband is met de rellen. Er kan namelijk tevens geconcludeerd worden dat een aanzienlijk deel van de daders niet onder invloed verkeerde. Hierbij gaan we ervan uit dat in het proces verbaal alcoholgebruik zou zijn vermeld indien dit een relevante factor was geweest. Afgezien van de evidente onvolledigheid van de informatie over alcoholgebruik doet zich ook de vraag voor hoe betrouwbaar (of valide) deze informatie is. Alcoholgebruik kan - zowel vooraf als achteraf - als excuus dienen om over te gaan tot gedrag dat in andere situaties afgekeurd wordt (Matza, 1964). Er zou dan sprake zijn van een overrapportage van alcoholgebruik. Het is echter ook mogelijk dat (overmatig) alcoholgebruik juist niet wordt gerapporteerd, uit gêne of omdat het op zichzelf een strafbaar feit oplevert (rijden onder invloed).
Al met al kan worden gezegd dat de beschikbare informatie toelaat om afhankelijk van persoonlijke opvattingen de rol van alcohol meer of minder zwaar aan te zetten. Over het (vermeende) drugsgebruik van de daders is in de processen verbaal vrijwel geen informatie te vinden. De veronderstelling dat de gewelddadigheden mede zijn veroorzaakt door overmatig drugsgebruik, kan op grond van de beschikbare bronnen noch worden bevestigd noch worden ontkend.
Hypothese 5
Een vijfde veronderstelling is dat geweldplegers zonder binding met het voetbal ordeverstoringen naar aanleiding van voetbalwedstrijden aangrijpen om geweld te plegen en vernielingen aan te richten. Voor zover daarover in de processen verbaal informatie is te vinden, kan worden gezegd dat ongeveer de helft van de daders niet tot de vaste supporters kan worden gerekend en dat ruwweg één op de drie daders niet bij de wedstrijd aanwezig was. Uit de processen verbaal wordt verder ook duidelijk dat enkele dadergroepen niet bij de wedstrijd waren, maar op de ongeregeldheden bij het stadion zijn afgekomen.
Nadere analyse van de antecedenten van de verdachten leert echter dat een aantal van hen wel degelijk tot de vaste supporters kan worden gerekend. Van de aangehouden daders zonder binding met de club (of waarvan onduidelijk is of ze supporter zijn) staat een relatief groot deel niet bekend als geweldplegers. Ze hadden voordien geen antecedenten. Van de niet-supporters die wel een verleden hebben als geweldpleger heeft een deel de wedstrijd aangegrepen om de geweld te plegen. Vermoedelijk bestaat maximaal een kwart van de actief bij de rellen betrokken daders uit niet-supporters die naar het stadion zijn gekomen om de orde te verstoren.
Hypothese 6
De laatste veronderstelling is dat voetbalvandalisme en uitgaansgeweld in toenemende mate worden vermengd. Deze veronderstelling kan op verschillende manieren worden onderzocht. Een eerste aanwijzing dat bij de ongeregeldheden in het centrum van Groningen sprake is geweest van een dergelijke vermenging van voetbalgeweld met uitgaansgeweld, zou kunnen zijn dat een belangrijk deel van de aangehouden verdachten zich in het verleden niet alleen schuldig heeft gemaakt aan geweldsdelicten in de directe context van het voetballen maar daarnaast ook in de uitgaanssfeer. Uit de analyses van processen verbaal en het antecedentenonderzoek blijkt dat niet. Slechts ongeveer één op de tien aangehouden verdachten heeft zich in het verleden al eens schuldig gemaakt aan uitgaansgeweld.
Een tweede mogelijkheid is dat er een samenhang is tussen voetbalgeweldplegers in het algemeen en uitgaansgeweldplegers in Groningen in het algemeen. Op basis van de analyses van de registraties van het CIV en het onderzoek naar antecedenten blijkt ook deze stelling niet houdbaar. Van de vóór Groningen-Sparta geregistreerde supporters komt ongeveer 8% in het BPS voor als verdachte van uitgaansgeweld. Van de verdachten van uitgaansgeweld komt ongeveer 7% voor in de CIV registratie. [3]
[3]   Daarbij moet echter wel worden opgemerkt dat een groot deel van de naar aanleiding van Groningen-Sparta aangehouden verdachten nieuw was voor de Groningse politie.
Overige uitkomsten
Verder is nog een aantal aspecten van voetbalvandalisme onderzocht waarover op basis van het literatuuronderzoek geen duidelijke hypothesen konden worden geformuleerd. Een belangrijke vraag daarbij is in hoeverre er sprake is van nieuwe groepen hooligans. Door sommige sleutelinformanten wordt verondersteld dat zich in Groningen een groep zeer jonge hooligans aan het formeren is, waarvan ook relatief meer jongeren van allochtone afkomst deel uitmaken [4]. Omdat over de etnische afkomst op basis van de ons ter beschikking staande gegevens slechts gespeculeerd kan worden, hebben we ons beperkt tot een nader onderzoek van de leeftijd van de aangehouden verdachten en ons vooral geconcentreerd op de groep jongere daders.
Gebleken is dat, in vergelijking met het totale bestand van bij het CIV geregistreerde FC-Groningen supporters, bij de rellen op 19 juni relatief veel jongeren zijn betrokken. Mogelijk heeft deze groep zich éénmalig laten meeslepen, maar het kan ook zijn dat de ongeregeldheden na afloop van Groningen-Sparta het begin van een carrière als hooligan inluidden. Uit de analyses op basis van de ons ter beschikking staande gegevens kan de conclusie worden getrokken dat de beduchtheid voor een nieuwe aanwas van jonge, zeer actieve hooligans op dit moment niet met harde gegevens kan worden onderbouwd. Er was weliswaar bij Groningen-Sparta een grote groep (jongere) nieuwkomers, maar deze hebben geen opvallend rijk verleden aan gewelddadig gedrag. Bovendien hebben de jongere daders in het algemeen geen groter aandeel gehad in de rellen en zijn ze voor een relatief groter deel te vinden onder de niet-supporters. Verder kan uit de leeftijdsverdeling van de aangehouden supporters bij de ongeregeldheden rond Groningen-Sparta en Veendam-Den Bosch geen grote betrokkenheid van 'oudere hooligans' (30-plus) worden afgeleid. Ook onder de CIV geregistreerde FC Groningen supporters in het algemeen zijn slechts enkele ouderen.
Een interessante aanvullende bevinding betreft nog de herkomst van de jongere hooligans. Waar bij de oudere hooligans een duidelijke oververtegenwoordiging van Oosterparkwijkbewoners bestaat, lijkt die bij de jongere groep niet meer aanwezig. Van de oudere jaargangen is ruim één op de zeven geregistreerden afkomstig uit het (postcode-)gebied rond het stadion. Van de jongere groep bij het CIV geregistreerde hooligans is dat slechts één op de vijftien. Van de 23 naar aanleiding van Groningen-Sparta aangehouden jongeren van 18 jaar en jonger is er slechts één uit de Oosterparkwijk afkomstig.
In het algemeen is het beeld van de politie en de club op de bij het voetbalvandalisme betrokken personen en groepen fragmentarisch. Dit is deels een gevolg van de werkverdeling tussen de politie en de club. Waarschijnlijk heeft de minder goede informatiepositie voor een deel ook te maken met het feit dat er soms teveel wordt geregistreerd en dat het opschonen van bestanden te weinig aandacht krijgt. Het zicht op de harde kern van voetbalhooligans wordt daardoor vertroebeld. Een goede registratie en informatie-uitwisseling tussen politie en club is ook noodzakelijk om toe te zien op de naleving van het relatief grote aantal stadionverboden. Om de informatiepositie van specialisten te verbeteren is betere samenwerking tussen politie en club wenselijk.
[4]   Zie hiervoor ook de door de Regiopolitie Groningen uitgebrachte notitie naar aanleiding van de incidenten bij de wedstrijden Veendam-Den Bosch en Groningen-Sparta (Timmerman, 2000).
Resumé
In de onderzoeksliteratuur zijn duidelijke aanwijzingen gevonden dat voetbalgeweld in toenemende mate vermengd raakt met uitgaansgeweld. Er is reden om te veronderstellen dat dit ook in Groningen het geval zou kunnen zijn. Na de voetbalwedstrijd Groningen-Sparta vonden er namelijk niet alleen ongeregeldheden rondom het stadion plaats, maar was ook de binnenstad van Groningen het toneel van gewelddadigheden, vernielingen en verstoringen van de openbare orde. De centrale vraag is of daarbij ook niet-voetbalsupporters van de gelegenheid gebruik hebben gemaakt om in de binnenstad geweld te plegen en vernielingen aan te richten.
Om deze vraag te beantwoorden zijn in eerste instantie de aard, omvang en ernst van de incidenten op de bewuste avond vergeleken met die van andere incidenten bij eerdere wedstrijden van FC Groningen. Uit de analyse blijkt dat een groot deel van de incidenten rondom het stadion als normaal, dat wil zeggen niet ongebruikelijk, voetbalgeweld moet worden beschouwd. Zowel de aard (primair gericht op Sparta supporters), de ernst (relatief weinig gewonden) als de omvang (vooral kleine groepen daders), wijken niet of nauwelijks af van ongeregeldheden die normaliter na voetbalwedstrijden plaatsvinden. Uitzonderlijk is alleen het vernielen van de stadsbus, waarbij naar verhouding veel daders betrokken waren en relatief veel schade is aangericht.
De vernielingen voor of na de wedstrijd in de wijdere omgeving van het stadion zijn niet ongewoon bij wedstrijden van FC Groningen. Wel ongebruikelijk is dat de ongeregeldheden zich daarna naar de binnenstad hebben verplaatst. Onderweg daar naartoe hebben vernielingen plaatsgevonden, maar de aard en omvang van de (glas)schade (ruim 6.000 gulden) geven geen aanleiding om hierbij van uitzonderlijke ongeregeldheden te spreken.
De ordeverstoringen in de binnenstad van Groningen zijn zeker wel uitzonderlijk te noemen. Niet alleen zijn er bij enkele incidenten grotere aantallen daders betrokken, ook is daarbij relatief veel schade aangericht, al met al circa 50.000 gulden. Omdat hierbij sprake zou kunnen zijn van een gemengde dadergroep daders van voetbalsupporters en niet-voetbalsupporters, is de groep aangehouden verdachten nader onderzocht.
Opmerkelijk is dat zich onder de verdachten een relatief groot aantal nieuwe daders (first offenders) bevinden. Zij behoren niet tot de bekende supportersgroepen die geregeld bij voetbalrellen worden aangetroffen en hebben evenmin antecedenten voor (uitgaans-)geweld. Dit sterkt het vermoeden dat bij de ongeregeldheden in het centrum inderdaad een vermenging is opgetreden van voetbalgeweld en uitgaansgeweld en dat een deel van het uitgaanspubliek betrokken is geraakt bij de ongeregeldheden naar aanleiding van het voetbal. Nadere analyse leert echter dat een belangrijk deel van de aangehouden verdachten eerder die avond in het stadion de wedstrijd heeft bijgewoond. Van degenen die niet bij de wedstrijd zelf aanwezig waren, was het grootste gedeelte wel betrokken bij de ongeregeldheden rond het stadion.
De veronderstelling dat geweldplegers zonder affiniteit met het voetballen of betrokkenheid bij rellen rondom het voetbal, zich hebben laten meeslepen in de ongeregeldheden op de Grote Markt, blijkt niet houdbaar. Er hebben bovendien geen massale confrontaties met de ME plaatsgevonden en de schaal van de overige ongeregeldheden was - afgezien van het incident bij Vindicat - niet bijzonder groot. Bij deelname van een belangrijk aantal toevallige bezoekers van het uitgaanscentrum zou dat wel het geval zijn geweest. Er lijkt dan ook geen sprake te zijn geweest van een noemenswaardig aantal bezoekers van 'Swinging Groningen' dat zich in de opwinding heeft laten verleiden tot actieve deelname aan ongeregeldheden. Hoogstwaarschijnlijk heeft de risicowedstrijd en de te verwachten ongeregeldheden daarentegen wèl een aantal personen aangetrokken die de gelegenheid zochten de orde te verstoren.
Of de nieuwelingen (first offenders) in deze groep als een nieuwe aanwas van voetbalgeweldplegers moet worden beschouwd, waarmee in de toekomst rekening moet worden gehouden, is dan vanzelfsprekend een belangrijke vraag. Om op deze vraag een antwoord te geven is nader onderzocht of de groep jongere verdachten reeds in andere opzichten opvallend naar voren is gekomen. Dat blijkt niet zo te zijn. Van de jongere verdachten bij Groningen-Sparta is slechts een enkeling bekend bij het CIV en ook het aantal jongere daders dat in BPS voorkomt naar aanleiding van geweld, is gering. De jongere groep is bovendien niet actiever geweest dan de oudere groep. Uiteraard valt niet uit te sluiten dat die jongere groep zich alsnog ontwikkelt tot een nieuwe harde kern, maar vooralsnog zijn daarvoor geen concrete aanwijzingen. Wel is uit de analyses gebleken dat de aangehoudenen die bij de rellen circa 19-20 jaar waren, relatief veel antecedenten hadden, waaronder ook relatief veel geweldsantecedenten, en ook na de rellen relatief vaak recidiveerden. Vooral deze leeftijdscategorie verdient bijzondere aandacht, zoals door enkele informanten ook is aangegeven.
Over het alcohol- en drugsgebruik van de daders valt op grond van de beschikbare bronnen weinig tot niets te zeggen. Uit een analyse van de processen verbaal blijkt in elk geval geen direct verband tussen overmatig alcoholgebruik en de mate van betrokkenheid bij de ongeregeldheden. De conclusie luidt daarom dat het alcohol- en drugsgebruik van de daders geen overtuigende verklaring kunnen geven voor de aard en omvang van de ordeverstoringen op de bewuste avond. Gelet op de uitslag van de wedstrijd en de uitlatingen van een aantal verdachten daarover kunnen de ongeregeldheden na afloop beter worden gezien als het met geweld afreageren van spanningen en frustraties.
Alles bij elkaar genomen is er op de avond en nacht van 19 op 20 juni geen substantiële vermenging van voetbalgeweld en uitgaansgeweld geweest. De ongeregeldheden in de binnenstad van Groningen moeten worden gezien als een ongewone incidentele voortzetting van ongeregeldheden die gewoonlijk rond (risico)wedstrijden plaatsvinden. Het uitzonderlijke karakter van de wedstrijd van die avond en de te verwachten ongeregeldheden heeft een aantal personen aangetrokken dat de gelegenheid zocht de orde te verstoren. Gelet op de uitslag van de wedstrijd werd elke gelegenheid aangegrepen om alle spanningen en frustraties af te reageren. Na confrontaties met de supporters van de tegenpartij en de ME die de orde in en om het stadion moest handhaven, werd gezocht naar andere mogelijkheden om zich te manifesteren. Het evenement op de Grote Markt bood daartoe een alternatieve gelegenheid.
Op basis van het onderzochte materiaal zijn diverse analyses uitgevoerd. In deze voorstudie zijn slechts analyses uitgevoerd die primair van belang zijn voor het beantwoorden van de onderzoeksvraag. Om de informatiepositie, in het bijzonder ten aanzien van de nieuwe aanwas van voetbalsupporters, op peil te brengen en te houden, is een diepgaander onderzoek noodzakelijk, dat bij voorkeur wordt uitgevoerd in het kader van een breder opgezet landelijk onderzoek.
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.