INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies<
 
Gebruik van de straat
Bestelinformatie
Deze publicatie is te bestellen door overmaking van
€ 11,35 + € 3,50 verzendkosten (bij bestelling van meerdere publicaties € 6,00) op rekening NL31 INGB 000 4 5997 84 ING-Bank ten name van Stichting INTRAVAL te Groningen, onder vermelding van de titel(s) en uw naam + adres.
5. Samenvatting en conclusies
In dit hoofdstuk komen allereerst de onderzoeksopzet en de onderzoeksactiviteiten aan bod. Vervolgens wordt kort ingegaan op de plaats die de gebruiksruimte ten tijde van de evaluatie inneemt in het aanbod van voorzieningen in Groningen. Dit is van belang om na te gaan welke effecten op korte termijn van een dergelijke voorziening kunnen worden verwacht. Tenslotte wordt nagegaan in hoeverre de opening van de gebruiksruimte voldoet aan deze verwachtingen.
5.1 Onderzoeksopzet
Met de gebruiksruimte beoogt de gemeente de volgende drie doelstellingen te realiseren:
  • een reductie van de drugsoverlast (met name de overlast die gepaard gaat met het gebruik op straat);
  • een verbetering van de gezondheid en leefsituatie van de verslaafden die de gebruiksruimte bezoeken;
  • het creëren van een vindplaats voor de drughulpverlening, waar in rust en geborgenheid kan worden gewerkt aan (een herstel van) hulpverleningscontacten.
De gemeente Groningen heeft het Amsterdam Institute for Addiction Research (AIAR) samen met onderzoeks- en adviesbureau INTRAVAL opdracht gegeven na te gaan in hoeverre de opening van de gebruiksruimte beantwoordt aan deze doelstellingen. Op basis van deze informatie kan de gemeenteraad bepalen of de exploitatie van één of meerdere gebruiksruimten dient te worden voortgezet. De evaluatie richt zich dan ook op de volgende drie vragen:
1. Leidt de instelling van een gebruiksruimte tot een reductie van de door de bewoners rondom het Noorderplantsoen ervaren drugsoverlast, zonder een toename van de drugsoverlast voor de bewoners in de directe omgeving van de gebruiksruimte?
2. Leidt de instelling van een gebruiksruimte tot een verbetering van de gezondheid en leefsituatie van de pashouders?
3. In welke mate wordt de gebruiksruimte door de hulpverleningsinstanties gezien en gebruikt als een vindplaats van problematische harddruggebruikers?
Het onderzoek bestaat uit drie deelonderzoeken, elk deelonderzoek richt zich op één van de drie onderzoeksvragen. Deelonderzoek één richt zich op de reductie van (ervaren) drugsoverlast, deelonderzoek twee op de verbetering van de gezondheid en leefsituatie van de pashouders en deelonderzoek drie op de gebruiksruimte als vindplaats van problematische harddrugsgebruikers. Gezien de relatief korte periode waarbinnen de gebruiksruimte geëvalueerd moet worden (vanwege de uitdrukkelijke wens van de opdrachtgever begin 2001 over het evaluatierapport te kunnen beschikken), is in dit onderzoek nagegaan welke effecten op korte termijn van de gebruiksruimte kunnen worden verwacht.
Voor de evaluatie is gebruik gemaakt van verschillende methoden en technieken en bronnen. Het gaat hierbij om: een herhaalde telefonische enquête onder buurtbewoners rondom het Noorderplantsoen en rondom de gebruiksruimte; herhaalde interviews onder pashouders van de gebruiksruimte; observaties door stadswachten; interviews met sleutelinformanten; en registraties van meldpunten overlast, politie en hulpverlening.
   
Primaire en secundaire effecten
Uit de voorgaande hoofdstukken blijkt dat de gebruiksruimte zich met name richt op het bestrijden van overlast door middel van stabilisatie van de gebruikers. Het gaat hierbij vooral om het verminderen van gebruik op straat, de reductie van de omvang van de 'straatscene' en de vermindering van de vervuiling van de omgeving. Het is niet te verwachten dat de straathandel en de verwervingscriminaliteit direct zal afnemen door het instellen van de gebruiksruimte, een en ander is (mede) afhankelijk van de inzet van de politie. Naast de primaire nadruk op overlastreductie probeert de gebruiksruimte ook om de gezondheid en leefsituatie van gebruikers te verbeteren.
Voor het realiseren van de vermindering van drugsoverlast op straat biedt de gebruiksruimte een tweetal ruimten die voor gebruik zijn ingericht en een organisatie en invulling die onbelemmerd gebruik waarborgt en daarmee een rustpunt voor de gebruikers creëert. Voor het verbeteren van de gezondheid van gebruikers staat bij de gebruiksruimte centraal: hygiëne; verantwoord middelengebruik; voorlichting; en het bieden van een mogelijkheid aan hulpverleners om met (anders moeilijk bereikbare) bezoekers in contact te komen (projectplan Stichting Try Out 2000). Naast deze faciliteiten om voor de gebruikers een veilige plaats om te gebruiken te bieden en als rustpunt te fungeren, biedt de gebruiksruimte in principe geen interventies.
Gezien bovenstaande doelstellingen, activiteiten en interventies van de gebruiksruimte, kunnen op korte termijn de volgende effecten worden verwacht van de opening van de gebruiksruimte. In de eerste plaats zal een vermindering van het gebruik op straat optreden van maximaal 30 drugsgebruikers (namelijk de pashouders). Als gevolg daarvan zal een afname van de vervuiling op straat plaatsvinden die in verband staat met dit verminderde gebruik op straat van 30 pashouders. De verwachting is dat de vervuiling op buurtniveau niet volledig verdwijnt, maar wel wordt gereduceerd. Eén en ander hangt onder andere samen met het aantal pashouders, en de mate waarin deze pashouders verantwoordelijk zijn voor de overlast op straat. In de tweede plaats zullen maximaal 30 pashouders veiliger, hygiënischer en rustiger drugs gaan gebruiken. Hierdoor kan de directe schade door het gebruik van drugs worden beperkt. Ook kan worden verwacht dat door de gebruikers minder drugs worden gebruikt, aangezien ze in minder hectische omstandigheden hoeven te gebruiken. Wellicht zal dit effect zich pas op (middel)lange termijn manifesteren.
Aangezien er naast acute hulp in principe geen interventies plaatsvinden in de gebruiksruimte zijn op korte termijn geen verdere verbeteringen te verwachten in de gezondheidssituatie van de gebruikers of de overlast op straat. Op middellange termijn kan echter het rustpunt dat wordt gecreëerd door de gebruiksruimte leiden tot minder opgefokt gedrag op straat. Tevens kunnen gebruikers door meer rust eerder openstaan voor het oplossen van ervaren problemen. Hierdoor kunnen gebruikers meer ontvankelijk raken voor contacten met hulpverlening en/of personen buiten de scene. Ook bestaat de mogelijkheid dat gebruikers stappen ondernemen om hun woon- en leefsituatie te verbeteren. Allereerst zal daarvoor echter de rust die van de gebruiksruimte dient uit te gaan door de pashouders moeten worden ervaren. Naast deze effecten op het niveau van de gebruikers kunnen ook effecten op buurtniveau optreden. Doordat de gebruiksruimte een onderdeel is van de gehele keten van de (sociale) verslavingszorg (zie nota Zorg in Beeld), hangt het effect ervan mede af van de interventies en doelstellingen van andere voorzieningen.
5.2 Overlast
Nagegaan is in hoeverre de opening van de gebruiksruimte in juli 2000 heeft geleid tot een afname van (ervaren) drugsoverlast in en rondom het Noorderplantsoen en/of een toename van (ervaren) drugsoverlast rondom de gebruiksruimte. Er zijn verschillende methoden en bronnen gebruikt om de (ervaren) drugsoverlast in kaart te brengen in een periode voorafgaande aan de opening van de gebruiksruimte en een periode na de opening van de gebruiksruimte. Het gaat hierbij om telefonisch enquêtes onder bewoners in beide buurten, interviews met pashouders van de gebruiksruimte, observaties door stadswachten, gesprekken met sleutelinformanten van politie en hulpverlening en registraties van politie, hulpverlening en meldpunten overlast.
Voor een goed begrip van eventuele veranderingen in (ervaren) overlast zijn enkele opmerkingen vooraf van belang. In de eerste plaats is volgens diverse informatiebronnen in Groningen sprake van circa 150 overlastveroorzakers in en rondom het Noorderplantsoen. De gebruiksruimte biedt plaats aan maximaal 30 pashouders. Dit wil zeggen dat niet aannemelijk is dat alle ervaren overlast op buurtniveau vermindert door het instellen van deze gebruiksruimte, ook al zou het overlastgevende gedrag op het niveau van de pashouders flink zijn gereduceerd.
In de tweede plaats hebben de politieacties die voorafgaande en tijdens de evaluatie hebben plaatsgevonden eveneens invloed gehad. Het doel van de politieacties voorafgaande aan de opening van de gebruiksruimte was om ervoor te zorgen dat de overlast in en rondom het Noorderplantsoen vermindert, zonder dat de drugsgebruikers gaan rondzwermen door de stad of de buurt. Een van de mogelijke neveneffecten van deze acties is geweest dat zich mogelijkerwijs overlast heeft voorgedaan op nieuwe locaties rondom het Noorderplantsoen. Overlast wordt vaak als ernstiger ervaren wanneer buurtbewoners daar voor het eerst mee worden geconfronteerd, terwijl veranderingen in (ervaren) overlast minder groot zijn bij buurtbewoners die reeds bekend zijn met dit fenomeen. Hierdoor kan de mogelijke vermindering van de totale overlast teniet worden gedaan; niet alleen doordat een geringe afname van overlast plaatsvindt op locaties waar buurtbewoners reeds bekend zijn met overlast, maar ook omdat de overlast zich verplaatst naar locaties waar eerder niet of nauwelijks sprake was van drugsgerelateerde overlast. Hierbij kan bovendien worden opgemerkt dat de overlast voorafgaande aan de opening van de gebruiksruimte zich met name voordeed op locaties waar weinig mensen wonen (Bizon en Koepel in het Noorderplantsoen). Na de politieacties heeft de overlast zich verplaatst en lijkt meer zichtbaar te zijn geworden en daardoor ontvankelijker om opgemerkt te worden in een bewonersenquête naar ervaren overlast. Voor de politieacties tijdens of vlak voor de tweede meting begin oktober zou dit nog sterker kunnen gelden, aangezien het doel van deze acties tevens was om de groep overlastveroorzakers uit het Noorderplantsoen te verdrijven, waardoor ze in de woonbuurten zouden kunnen uitzwermen. In de praktijk blijkt dit niet of nauwelijks gebeurd te zijn, aangezien na de acties de overlastveroorzakers niet meer zijn te lokaliseren.
Uit bovenstaande beschouwingen blijkt dat het aannemelijk is dat een afname van overlast niet op korte termijn hoeft te leiden tot een duidelijke afname van door buurtbewoners ervaren overlast. Daarom is er in deze samenvatting en conclusies voor gekozen om ten aanzien van de reductie en toename van overlast allereerst vast te stellen in hoeverre de opening van de gebruiksruimte heeft geleid tot veranderingen in het (overlastgevend) gedrag van de 30 geïnterviewde pashouders. Daarnaast is nagegaan of zich onder de pashouders een verandering heeft voorgedaan op het gebied van een veilige plaats om te gebruiken en een rustpunt in hun leven. Deze veranderingen kunnen op (middel)lange termijn immers leiden tot minder opgefokt gedrag op straat en minder behoefte aan mateloos drugsgebruik, hetgeen weer consequenties heeft voor de door buurtbewoners ervaren drugsoverlast. Op basis van de veranderingen in het gedrag en de leefsituatie van de pashouders is nagegaan wat het effect is geweest op de drugsgerelateerde overlast in en rondom het Noorderplantsoen en rondom de gebruiksruimte. Vervolgens is vastgesteld in hoeverre dit geleid heeft tot veranderingen in de door bewoners in beide buurten ervaren overlast.
Situatie pashouders
Het bezoeken van de gebruiksruimte leidt tot een (geringe) afname in het gebruik van cocaïne en heroïne. Het poly-drugsgebruik lijkt echter niet af te nemen. Daarnaast is een toename te zien in het gebruik van medicijnen, die niet zijn verkregen op doktersrecept. Deze medicijnen worden gebruikt ter vervanging of intensivering van drugs. Het aantal pashouders dat intraveneus drugs gebruikt is (nog) niet afgenomen. Wel geeft een aantal pashouders aan veiliger of hygiënischer te gebruiken door de gebruiksruimte.
Verder blijken alle soorten overlastgevend gedrag minder voor te komen bij de pashouders sinds ze de gebruiksruimte bezoeken. Ze schelden minder gebruikers en niet-gebruikers op straat uit, uiten minder bedreigingen in het openbaar, en het drugsgebruik in het openbaar is afgenomen, evenals het aantal dagen dat illegale activiteiten worden gepleegd.
Daarnaast is van belang in hoeverre de gebruiksruimte fungeert als rustpunt voor de overlastveroorzakers, aangezien dit op de (middel)lange termijn tot minder opgefokt gedrag kan leiden en daardoor de omvang van het gebruik kan beperken. Uit de analyses blijkt dat de tevredenheid over het algemeen welzijn groeit onder de pashouders. Daarnaast geeft een aanzienlijk deel van degenen die de gebruiksruimte regelmatig blijven bezoeken aan dat zij meer regelmaat in hun leven hebben gekregen.
Overigens kan worden opgemerkt dat er in het begin sprake is geweest van enige aanloopproblemen om de meest overlast gevende harddrugsgebruikers in de gebruiksruimte te krijgen. Na verloop van tijd is dit steeds beter gelukt en lijkt de harde kern van de harddrugs gebruikende overlastveroorzakers beter te worden bereikt.
Overlast op straat
Uit bovenstaande resultaten blijkt dat voor (een deel van) de gebruikers geldt dat het aantal potentieel overlastgevende gedragingen afneemt, ze veiliger gebruiken, minder gebruiken en ze meer regelmaat in hun leven krijgen. Vervolgens is nagegaan wat dit betekent voor de overlast die op straat is aangetroffen.
Uit de observaties door de stadswachten blijkt dat rondom de gebruiksruimte geen toename is gesignaleerd van aantallen gebruikers en dealers en dat er evenmin sprake is van een toename van rommel en vervuiling op straat. Integendeel, er blijken hier niet of nauwelijks gebruikers en dealers rond te hangen of rommel en vervuiling op straat voor te komen. In en rondom het Noorderplantsoen zijn hierin wel fluctuaties waargenomen, maar deze hangen waarschijnlijk samen met de uitgevoerde politieacties. Een verband met de opening van de gebruiksruimte kan niet worden aangetoond. Er zijn geen verschillen geconstateerd tussen overlast tijdens en buiten de openingstijden van de gebruiksruimte.
Door de sleutelinformanten wordt aangegeven dat er geen toename van drugsgerelateerde overlast is geconstateerd rondom de gebruiksruimte. Wel is een afname van overlast geconstateerd rondom het Noorderplantsoen, doch deze afname wordt voornamelijk in verband gebracht met politieacties en minder met de opening van de gebruiksruimte. De registraties van de meldpunten overlast en de politie laten zien dat er geen sprake is van een toename van overlastmeldingen rondom de gebruiksruimte, wel van een afname van de overlastmeldingen rondom het Noorderplantsoen. Gezien de mening van de sleutelinformanten kan uit de bevindingen van de registraties niet eenduidig worden geconcludeerd dat de afname direct in verband staat met de opening van de gebruiksruimte.
Ervaren overlast: Noorderplantsoen en omgeving
Uit de herhaalde enquête onder de bewoners rondom het Noorderplantsoen kan worden geconcludeerd dat de ervaren overlast onder de bewoners rondom het Noorderplantsoen niet is afgenomen in de periode drie maanden na opening van de gebruiksruimte ten opzichte van de periode voorafgaande aan de opening van de gebruiksruimte. Dit geldt zowel voor de ervaren drugsoverlast, het slachtofferschap, de onveiligheidsbeleving als het voorkomen van buurtproblemen.
Andere bronnen lijken er daarentegen op te wijzen dat de overlast in en rondom het Noorderplantsoen wel is afgenomen. Zo daalt tussen beide periodes het aantal meldingen bij het meldpunt overlast en bij de politie. De observaties van de stadswachten laten eveneens een daling zien van bijna alle overlastgevende gedragingen waarop is gelet. Verder is er volgens eigen zeggen een afname van bijna alle potentieel overlastgevende gedragingen van pashouders en ex-pashouders. Tenslotte zijn ook de sleutelinformanten duidelijk van mening dat de overlast in dit gebied is afgenomen.
Doordat met uitzondering van de bewonersenquêtes alle gebruikte bronnen leiden tot dezelfde resultaten, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat de overlast rondom het Noorderplantsoen is afgenomen. Door de politieacties voorafgaande aan en tijdens de evaluatie is echter niet na te gaan in hoeverre de opening van de gebruiksruimte hiervoor mede verantwoordelijk is. Wel is opvallend dat - ondanks de politieacties - de door buurtbewoners ervaren overlast niet is afgenomen. De verklaring moet mogelijk worden gezocht in de aard van de politieacties, zie hiervoor de opmerkingen vooraf in deze paragraaf. Wellicht speelt ook de omvang van het aantal pashouders mee, plus de opmerking dat er sprake was van enige aanloopproblemen om de harde kern van overlastveroorzakers in de gebruiksruimte te krijgen, in combinatie met de relatief korte evaluatieperiode.
Ervaren overlast: Gebruiksruimte en omgeving
Uit de herhaalde enquête onder de bewoners rondom de gebruiksruimte aan de Herebinnensingel blijkt dat er nauwelijks verschillen zijn in ervaren drugsoverlast, slachtofferschap en onveiligheidsbeleving tussen de periode voorafgaande aan de opening van de gebruiksruimte en de periode na de opening van de gebruiksruimte. De bewoners rondom de gebruiksruimte ervaren in de periode na de opening van de gebruiksruimte juist in mindere mate overlast van de annexatie van de openbare ruimte en de vervuiling van de openbare ruimte dan in de periode voor de opening van de gebruiksruimte. De door bewoners ervaren drugsoverlast is met andere woorden rondom de gebruiksruimte niet toegenomen, er lijkt eerder sprake van een afname.
Dit beeld wordt ondersteund door de observaties van de stadswachten, de interviews met de sleutelinformanten, en de registratiegegevens van de politie en de meldpunten overlast. Deze laten alle geen toename van overlast zien. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat de opening van de gebruiksruimte niet heeft geleid tot een toename van (drugsgerelateerde) overlast rondom de gebruiksruimte.
5.3 Gezondheid en leefsituatie pashouders
Nagegaan is tevens in hoeverre de opening van de gebruiksruimte in juli 2000 heeft geleid tot een verbetering van de gezondheid en de leefsituatie van de pashouders. Hiervoor is gebruik gemaakt van de interviews met de pashouders, aangevuld met informatie uit gesprekken met overige betrokkenen. Allereerst worden de primaire effecten van de gebruiksruimte beschreven, gevolgd door de secundaire effecten.
Primaire effecten
Het bezoeken van de gebruiksruimte hangt samen met een afname van alle potentieel overlastgevende gedragingen, te weten scheldpartijen in het openbaar, het uiten van bedreigingen, vechtpartijen op straat, slapen in portieken en vuile spuiten laten liggen in het openbaar. Verder gebruiken de pashouders aanzienlijk minder vaak drugs in de open lucht. Dit laatste lijken nagenoeg alle pashouders zeer belangrijk te vinden, aangezien dit door bijna allen wordt genoemd als één van de redenen om in de gebruiksruimte te komen.
Het bezoeken van de gebruiksruimte gaat ook samen met een verbetering in het middelengebruik. Zo is er sprake van een afname in het gebruik van heroïne en cocaïne. Bovendien geeft een kwart van de pashouders aan onder invloed van de gebruiksruimte veiliger of hygiënischer te zijn gaan gebruiken. In het aantal pashouders dat intraveneus drugs gebruikt is overigens (nog) geen verandering geconstateerd. Wel is bij de bezoekers van de gebruiksruimte een toename van het gebruik van medicijnen te constateren. Navraag leert dat het hierbij met name gaat om medicijnen die door de pashouders worden gebruikt ter vervanging of intensivering van drugs. In het algemeen verkrijgen de pashouders de medicijnen niet op doktersrecept. Tenslotte blijkt dat het bezoeken van de gebruiksruimte (nog) niet samengaat met een afname in het poly-drugsgebruik.
De directe effecten, de effecten op het potentieel overlastgevend gedrag en het (onveilige) middelengebruik, laten al met al een verbetering zien bij de pashouders. Hierbij neemt het potentieel overlastgevend gedrag af onder zowel degenen die blijven komen als onder de ex-pashouders. Het (onveilig) middelengebruik verandert echter met name in positieve zin bij degenen die blijven komen, hetgeen kan duiden op een samenhang tussen het bezoeken van de gebruiksruimte en een veiliger gebruik en een gematigder middelengebruik.
Secundaire effecten
Het criminele gedrag van de pashouders is afgenomen. Ook lijkt de woonsituatie van de pashouders enigszins te zijn gestabiliseerd, hetgeen zich uit in een grotere tevredenheid met de woonsituatie. Verder is de tevredenheid over het algemeen welzijn, over de uiterlijke verzorging, over de regelmaat in het leven en over de inkomsten voor de gehele groep pashouders toegenomen. Vaak is dit echter vooral het geval bij de ex-pashouders. Het bezoeken van de gebruiksruimte lijkt (nog) niet te hebben geleid tot een verbetering in de lichamelijke gezondheid van de pashouders. Wel is de zelfredzaamheid van de pashouders licht toegenomen, hoofdzakelijk te wijten aan een toename in de mobiliteit onder de ex-pashouders.
Al met al lijkt er een redelijk aantal verbeteringen te zijn opgetreden in de gezondheid en leefsituatie van de pashouders. Daarnaast zijn er echter ook gebieden waarop (nog) geen verbeteringen te zien zijn, of zelfs verslechteringen. Overigens kan hierbij worden opgemerkt dat effecten hier zich naar verwachting pas op de (middel) lange termijn zullen voordoen. Verder lijkt het er op dat de groep die nog steeds komt in zijn totaal minder verbetering laat zien in de secundaire (meer indirecte) effecten. Hiervoor zijn echter ook andere interventies noodzakelijk die niet plaatsvinden in de gebruiksruimte.
5.4 Vindplaatsen
Nagegaan is verder in hoeverre hulpverleningsinstanties de gebruiksruimte beschouwen dan wel gebruiken als vindplaats voor (problematische) harddrugsgebruikers. Hiervoor is aan de pashouders zelf gevraagd met welke instellingen ze contact hebben, zowel in de periode voorafgaande aan de opening van de gebruiksruimte als in de periode na de opening ervan. Tevens is aan medewerkers van vijf hulpverleningsinstellingen gevraagd in hoeverre ze de gebruiksruimte als vindplaats beschouwen dan wel gebruiken. Daarnaast is nagegaan, door middel van de registraties van deze hulpverleningsinstellingen, met welke pashouders ze contacten hebben gehad in beide periodes en wat de aard en de omvang van deze contacten is geweest. Overigens is dit alleen mogelijk geweest voor de pashouders die toestemming hebben gegeven voor het overleggen van hun persoonsgegevens aan de instellingen.
De informatie afkomstig uit de interviews met de pashouders geeft geen aanwijzingen dat de gebruiksruimte door de hulpverlening is gebruikt als vindplaats. In het algemeen bezoeken voorafgaande aan de opening van de gebruiksruimte evenveel pashouders de instellingen als in de periode na de opening van de gebruiksruimte. Ook op basis van de gesprekken met vertegenwoordigers van de instellingen (Kostersgang, Stichting Huis, 12e Huis, Open Hof en AVG) blijkt dat de gebruiksruimte niet als vindplaats is gebruikt. Hieraan is overigens momenteel bij hen ook geen behoefte, aangezien bijna alle pashouders bekend zijn bij de instellingen. Wanneer er meer pashouders (of meer gebruiksruimten) zouden zijn, kan de behoefte hieraan toenemen.
De registratiegegevens geven evenmin aanwijzingen dat de gebruiksruimte door de hulpverleningsinstellingen als vindplaats is gebruikt. Er zijn niet of nauwelijks verschillen in de aard en omvang van de contacten van de pashouders met de instellingen in de periode voorafgaande aan de opening van de gebruiksruimte en de periode na de opening van de gebruiksruimte.
5.5 Tenslotte
Deze evaluatie van de gebruiksruimte heeft betrekking op de eerste drie maanden dat de gebruiksruimte in gebruik is genomen. Dit betekent dat door deze relatief korte evaluatieperiode vooral gekeken is naar de korte termijn effecten. Effecten op middellange en lange termijn kunnen door vervolgmetingen worden vastgesteld. Gezien de effecten die op korte termijn reeds zijn geconstateerd, zijn er aanwijzingen dat sommige aspecten op langere termijn (verder) in positieve zin kunnen veranderen.
In het kort samengevat laat het onderzoek de volgende belangrijkste conclusies zien.
  • Er is een afname geconstateerd van potentiële overlastsituaties in en rondom het Noorderplantsoen. Onduidelijk is welke invloed de politieacties en de gebruiksruimte hebben gehad. De door bewoners ervaren overlast is (nog) niet afgenomen. Een eventuele vervolgmeting kan duidelijkheid verschaffen over de ervaren overlast op lange(re) termijn.
  • De overlast rondom de gebruiksruimte is niet toegenomen, op sommige punten zelfs afgenomen.
  • De gezondheid en leefsituatie van de pashouders is op een aantal punten verbeterd, met name voor wat betreft de primaire effecten.
  • De harde kern van de overlastveroorzakers lijkt in de loop van de tijd steeds beter te worden bereikt door de gebruiksruimte.
  • De gebruiksruimte is niet gebruikt als vindplaats voor de hulpverlening. Hieraan is momenteel ook geen behoefte, gezien het relatief kleine aantal pashouders, die bovendien vrijwel allen reeds bekend zijn bij de instellingen.
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.