INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies<
 
In Grote Lijnen
Samenvatting
De laatste jaren zijn er signalen dat het cocaïnegebruik toeneemt. Voor de gemeente Rotterdam is dit aanleiding geweest onderzoeks- en adviesbureau Intraval opdracht te geven tot een onderzoek naar aard, spreiding en omvang van het cocaïnegebruik in deze stad. In Barcelona en Turijn zijn, eveneens aan de hand van het onderzoeksvoorstel van Intraval, vergelijkbare studies verricht.
Onderzoeksopzet
De wijze van dataverzameling bestaat uit een combinatie van snowball sampling (sneeuwbalsteekproef) en targeted sampling (doelgerichte steekproef). In samenhang met de toegepaste vragenlijsten heeft dit geleid tot informatie over 1.161 individuen, bestaande uit 110 respondenten en 1.051 nominees (gebruikers waarover de respondenten informatie hebben gegeven). Tijdens de interviews is gebruik gemaakt van een vragenlijst bestaande uit twee delen. Het eerste deel, een itemlist, is gebruikt voor de analyse van de aard van het cocaïnegebruik. Met behulp van de minimale-maximale vergelijkingsmethode is een typologie van cocaïne-levensstijlen geconstrueerd. Het tweede deel, vragen met voorgecodeerde antwoordcategorieën, is gebruikt voor het bepalen van de spreiding en omvang van cocaïne. Door middel van onder meer persoonlijke netwerkanalyse en twee-niveau regressie-analyse is hierin inzicht verkregen. Voor de bepaling van de omvang zijn twee schatters ontwikkeld.
Achtergrondskenmerken gebruikers
Het gebruik van cocaïne komt in alle lagen van de bevolking voor. De maatschappelijke achtergrond van de gebruikers loopt sterk uiteen. Een derde heeft hoger onderwijs gevolgd en een vijfde onderwijs op LBO-niveau. Verder komt het gebruik voor onder zowel werkenden, werklozen, studenten/scholieren, als huisvrouwen. Ook de beroepssectoren waarin de gebruikers werkzaam zijn vertonen een grote variatie: van horeca, techniek, kunst en cultuur, vrije sector en criminele circuit tot sex-industrie.
De gemiddelde leeftijd van de respondenten is 29 jaar. De jongste is 18 jaar en de oudste respondent is 47 jaar. De onderzoekspopulatie bestaat voor ongeveer een kwart uit vrouwen. Het cocaïnegebruik in Rotterdam is duidelijk verspreid over de verschillen de leeftijdscategorieën, met als zwaartepunt de categorie van 20 tot 30 jaar. De leeftijd waarop de respondenten voor het eerst cocaïne gebruiken loopt sterk uiteen, van 13 tot 37 jaar. De gemiddelde leeftijd waarop men begint is ruim 20 jaar. De gebruiksduur laat een grote spreiding zien; van een paar maanden tot meer dan dertig jaar. De gemiddelde gebruiksduur bedraagt bijna acht jaar. Een derde gebruikt(e) naast cocaïne ook opiaten. De gebruiksduur van deze respondenten is gemiddeld langer dan die van de niet-opiaat gebruikers. Ten tijde van het interview zegt een derde van de respondenten geen cocaïne meer te gebruiken. Van de respondenten die tevens opiaten gebruikten, is 39% gestopt met het gebruik van opiaten, terwijl nog steeds cocaïne wordt gebruikt.
Cannabis is, afgezien van alcohol, bij het merendeel (87%) de eerste drug, waarmee men in contact komt. Het blijkt dat de meeste respondenten ook ervaring hebben met andere drugs, zoals cannabis, amfetaminen, hallucinogenen, tranquillizers of opiaten. Een betrekkelijk nieuwe drug waarmee ruim een derde ervaring heeft is XTC. Slechts 2% van de respondenten heeft alleen ervaring met cocaïne.
Gebruik
Cocaïne wordt op veel verschillende manieren gebruikt. Snuiven is de meest gangbare manier (50%), gevolgd door injecteren (15%), basen (5%), chinezen (3%) en roken (1%). Een kwart (26%) van de respondenten gebruikt cocaïne echter op meerdere wijzen. Snuiven wordt veelal gecombineerd met basen en roken. In de periode van het zwaarste gebruik is basen voor 12% en injecteren voor 16% de belangrijkste wijze waarop cocaïne wordt gebruikt.
De frequentie van gebruik varieert sterk: van dagelijks tot enkele keren per jaar. In de periode van het zwaarste gebruik wordt door de helft (54%) dagelijks gebruikt. Ruim een kwart (28%) gebruikt gedurende deze periode wekelijks, 13% maandelijks en 5% maximaal tien keer per jaar. Opiaatgebruikers consumeren in het algemeen vaker en grotere hoeveelheden cocaïne dan degenen die geen opiaten gebruiken. De onderlinge verschillen zijn bij laatstgenoemden echter groter. Hetzelfde geldt voor de verschillende gebruikswijzen: zij die basen, injecteren of chinezen, gebruiken grotere hoeveelheden en frequenter cocaïne dan zij die snuiven. Onder de snuivers lopen de frequentie en hoeveelheid echter ver uiteen. De wijze, de frequentie en de hoeveelheid van gebruik blijken onderling een sterke samenhang te vertonen.
   
Problemen
Cocaïne is niet zo'n onschuldige drug als wel eens wordt beweerd. Uit onze interviews blijkt dat meer dan de helft (55%) van de respondenten problemen kent die, naar eigen zeggen, samenhangen met het cocaïnegebruik. Het betreft hier een breed scala aan problemen variërend in ernst: van een kater de volgende dag (zowel psychisch als fysiek) en geldtekort, tot heftige gevoelens van craving (hunkeren naar het middel). Een kwart van de respondenten heeft ernstige problemen als gevolg van het cocaïnegebruik: zij noemen zichzelf cocaïneverslaafd, of geven aan met zowel fysieke, psychische, sociale, als economische problemen te kampen. Respondenten die niet verslaafd zijn, hebben vaak psychische problemen. Deze lopen uiteen van schuldgevoelens de volgende dag, tot verschijnselen van paranoia. In mindere mate worden sociale of economische problemen genoemd. Van de niet-opiaatgebruikers heeft 11% ernstige problemen; dit zijn de pure cocaïneverslaafden.
Er is een samenhang tussen gebruiksfrequentie en het voorkomen van problemen. Bij minder ernstige problemen ligt de grens tussen maandelijks en wekelijks gebruik. Wat betreft het optreden van verslavingsproblemen ligt de grens tussen wekelijks en dagelijks gebruik. Dit geldt zowel voor opiaatgebruikers als niet-opiaatgebruikers. Opiaatgebruikers hebben in het algemeen vaker problemen en zijn vaker verslaafd dan niet-opiaatgebruikers. Mannen die basen en injecteren hebben bijna allen problemen met het gebruik. In tegenstelling tot de verwachting is het optreden van (verslavings)problemen in het algemeen onafhankelijk van de gebruiksduur. Wanneer er problemen optreden, blijkt een groot deel van de niet-opiaatgebruikers te stoppen met het gebruik.
Van alle respondenten die aangeven problemen te hebben, heeft twee derde contact (gehad) met de hulpverlening, van degenen met verslavingsproblemen 85%. Zij die geen opiaten gebruiken en de cocaïne meestal snuiven komen niet of nauwelijks met de hulpverlening in contact. Zij kennen overigens ook weinig afhankelijkheidsproblemen. Opiaatgebruikers die problemen hebben met het cocaïnegebruik krijgen vaak hulp binnen methadonprogramma's. De helft van de verslaafde respondenten die geen opiaten gebruiken en contact hebben met de hulpverlening, is hiermee pas in het Huis van Bewaring in aanraking gekomen.
Criminaliteit
Cocaïnegebruik gaat niet per definitie gepaard met crimineel gedrag. Voor een groot deel van de respondenten blijkt er geen relatie te zijn tussen cocaïne en criminaliteit. In de periode van het zwaarste gebruik is echter de helft van de respondenten op enigerlei wijze crimineel actief. De criminaliteit bestaat grotendeels uit vermogensdelicten en in mindere mate uit activiteiten binnen de drugshandel. Slechts enkele respondenten (4%) geven aan dat geweldsdelicten de belangrijkste criminele activiteiten vormen in de periode van het zwaarste gebruik. In deze gevallen is het echter de vraag in hoeverre de delicten aan cocaïne, alcohol, speed of aan een combinatie van deze middelen zijn toe te schrijven. De criminaliteit is, kortom, overwegend gericht op het verwerven van inkomsten.
Buiten de periode van het zwaarste gebruik verkrijgt de helft van de respondenten het inkomen uitsluitend op legale wijze, een kwart op semi-legale wijze (prostitutie of zwart werk) en een kwart op illegale wijze (criminele activiteiten). In de periode van het zwaarste gebruik loopt het laatste percentage op tot 43%. Mannen verkrijgen hun inkomen vaker dan vrouwen op illegale wijze. Hetzelfde geldt voor opiaatgebruikers versus niet-opiaatgebruikers en basers en spuiters versus snuivers.
Een derde van de respondenten is betrokken (geweest) bij de cocaïnehandel, mannen vaker dan vrouwen. Niet-opiaatgebruikers verkopen vaak kleine hoeveelheden cocaïne aan goede vrienden. In het algemeen zijn respondenten die basen vaker bij de handel betrokken dan respondenten die cocaïne op een andere wijze gebruiken. Wat betreft het verkrijgen van cocaïne is er sprake van twee gescheiden circuits: opiaatgebruikers kopen vooral bij huisdealers die tevens opiaten verkopen, niet-opiaatgebruikers kopen vooral van vrienden en huisdealers die geen opiaten verkopen. Alleen de snuivers maken gebruik van het aanbod in de uitgaanswereld. Vrouwen verkrijgen cocaïne regelmatig via vrienden.
Gebruikspatronen
Gelet op frequentie en hoeveelheid kunnen verschillende gebruikspatronen worden onderscheiden. De meest voorkomende zijn het patroon waarbij het niveau van gebruik geleidelijk oploopt (oplopend) en het patroon waarbij na een stijging een daling volgt (piek). Verder komen het patroon waarbij het niveau varieert en meerdere pieken kent en het patroon dat gekenmerkt wordt door een gelijkblijvend niveau, regelmatig voor. Niet-opiaatgebruikende respondenten die zijn gestopt met cocaïnegebruik, vertonen vaker een oplopend patroon, niet opiaatgebruikende respondenten die nog steeds gebruiken vertonen vaker een piek patroon.
De gebruikscarrière van de respondenten is ingedeeld in de eerste periode van gebruik, de periode van het huidige/laatste gebruik en de periode van het zwaarste gebruik. Voor 4% valt de periode van het zwaarste gebruik samen met de eerste periode, voor 34% met de laatste/huidige periode van gebruik. Voor de helft geldt dat de periode van het zwaarste gebruik een tussenperiode vormt; 12% blijft gedurende de hele gebruikscarrière op een gelijk niveau van gebruik.
In de eerste en laatste periode van gebruik zijn de uitgaanswereld en het thuiscircuit de belangrijkste locaties waar het cocaïnegebruik plaatsvindt; in de periode van het zwaarste gebruik wordt de harddrugsscene belangrijker. Opiaatgebruikers gebruiken voornamelijk in de harddrugsscene, niet-opiaatgebruikers in het thuiscircuit en de uitgaanswereld. Aanvankelijk vindt het gebruik vooral in het thuiscircuit plaats, in de laatste periode en de periode van het zwaarste gebruik neemt het belang van de uitgaans wereld toe.
Typologie
Naast de bovengenoemde verschillen in onder andere wijze, frequentie en hoeveelheid van gebruik, zijn er grote verschillen in plaats, functie en betekenis van cocaïne. Op basis van deze verschillen zijn acht typen gebruikers met verschillende cocaïne-levensstijlen onderscheiden. Ze kenmerken zich door een specifieke combinatie van centraliteit van cocaïne in levensstijlen en betekenis van cocaïne.
Het Bourgondische type.
Binnen de levensstijl van dit type speelt cocaïne slechts een kleine rol van betekenis. Het vormt onderdeel van een overwegend luxe stijl van leven. Cocaïne wordt gezien als een exclusieve gezelschapsdrug en het gebruik wordt bewust beperkt om dit exclusieve karakter niet te verliezen. Het circuit van goede vrienden speelt, zowel wat betreft gebruik als wat betreft verkrijgen van cocaïne, een cruciale rol.
Het ervarings-type.
Cocaïne is voor dit type van beperkt belang en staat niet echt centraal. Belangrijk is het zelf opdoen van ervaringen. Cocaïne wordt gezien als een middel dat de eigen ervaringwereld kan verrijken. In alle fasen van het gebruik worden de positieve en negatieve effecten tegen elkaar afgezet. Er is sprake van een calculerend gebruik.
Het situationele type.
Voor dit type speelt cocaïne slechts een perifere rol binnen de levensstijl. Het wordt gezien als een (sociale) gelegenheidsdrug. Kenmerkend is het incidentele karakter waarbij gebruik van cocaïne overwegend gekoppeld is aan speciale gelegenheden zoals Kerstmis en oud en nieuw. Meer of minder bewust wordt het gebruik beperkt gehouden.
Het distinctieve type.
Cocaïne speelt een zekere rol binnen de levensstijl en wordt gezien als een subcultureel onderscheidingsmiddel. Het gebruik ligt ingebed in een subcultuur waarvan men (tijdelijk) deel uitmaakt. Men behoort tot een 'selecte' groep van gebruikers. Het gebruik is in vele opzichten (initiatie, verloop en eventuele abstinentie) dan ook sterk aan die groep gebonden.
Het hedonistische type.
Sex en drugs en rock & roll geldt als motto voor dit type. Het ongebreideld genieten staat centraal. Er wordt ruim geput uit het gehele arsenaal van genotsmiddelen dat in onze moderne samenleving beschikbaar is. Cocaïne is een van die middelen en wordt gezien als het genotsmiddel bij uitstek. Als het gebruik in fysieke, of financiële zin problemen oplevert en het genieten belemmert, wordt het een tijdlang beperkt.
Het routineuze type.
Het gebruik van cocaïne speelt een zekere rol in de levensstijl. Cocaïne wordt niet gezien als een luxe of exclusief middel, maar gewoon als een van de vele genotsmiddelen die men kan gebruiken. Het gebruik is een vertrouwd en min of meer geïntegreerd deel van het leven geworden. Het is, met andere woorden, routine geworden.
Het polydrugs-type.
Kenmerkend voor dit type is dat cocaïne, naast opiaten, centraal staat binnen de levensstijl. Het polydrugsgebruik vormt de spil waarom alles draait. Het leven speelt zich grotendeels af binnen de subculturele setting van de harddrugsscene. Er is sprake van een compulsief gebruik dat zich kenmerkt door een breed scala van problemen (fysiek, financieel en psychisch). Daarnaast is er vaak sprake van een (tijdelijke) criminele levensstijl, waardoor ook contacten met politie en justitie niet uitblijven. Het overgrote deel heeft ruime ervaring met verschillende hulpverleningsinstellingen.
De cocaïnisten.
De cocaïne speelt een centrale en overheersende rol. Kenmerkend voor dit type is een dwangmatig gebruik van cocaïne terwijl, in tegenstelling tot het voorgaande type, het gebruik van heroïne uitgesloten is. Er zijn geen of nauwelijks contacten met de harddrugsscene. Problemen worden relatief vaak aangegeven als reden om te beginnen. Het compulsieve gebruik krijgt na verloop van tijd een problematisch karakter. Er is regelmatig sprake van betrokkenheid bij de cocaïnehandel en in verband hiermee zijn politie- en justitiecontacten niet uitgesloten.
Verspreiding
Het blijkt dat het cocaïnegebruik in Rotterdam een open karakter heeft binnen de gebruikerspopulatie. De respondenten noemen gemiddeld ruim 13 andere hen bekende cocaïnegebruikers. De respondenten weten gebruikers te noemen uit zowel uitgaanswereld, werkplek, thuiscircuit, hobby/sport en harddrugsscene. Er blijkt een redelijke mate van contact tussen gebruikers uit de verschillende circuits te bestaan. Uit verdere analyses blijkt dat er twee min of meer gescheiden gebruikerscicuits in Rotterdam zijn te onderscheiden. Enerzijds het zogenoemde uitgaans + thuiscircuit en anderzijds de harddrugsscene. Een andere indicatie voor het open karakter van het cocaïnegebruik binnen de gebruikersgroep is het feit dat de meeste (65%) van de genoemde 1.239 relaties niet in direct verband met cocaïne plaatsvinden, terwijl het gebruik wel wederzijds bekend is. In de harddrugsscene bekleedt cocaïne een belangrijkere plaats in de contacten dan in het uitgaans + thuiscircuit.
Relaties van respondenten uit de oudere leeftijdscategorieën staan minder in het teken van cocaïne dan die van respondenten uit de jongere leeftijdscategorieën. Voor respondenten uit de harddrugsscene heeft cocaïne een zeer belangrijke plaats in hun relaties. In relaties waarin de respondent andere gebruikers noemt die relatief lang gebruiken, blijkt de rol van cocaïne belangrijker te zijn, dan in relaties waarin andere gebruikers relatief minder lang gebruiken. Indien respondenten een universitaire of hogere beroepsopleiding hebben gevolgd en andere gebruikers op het werk noemen, dan blijkt cocaïne een ondergeschikte rol te spelen in deze relaties. Tenslotte blijkt het geslacht van belang in cocaïne-relaties. In relaties waarin respondenten mannen zijn en de nominees vrouwen, blijkt de rol van cocaïne in deze relaties van ondergeschikt belang.
Op basis van de in het kader van dit onderzoek ontwikkelde schattingsmethoden kan het aantal cocaïnegebruikers in Rotterdam worden geschat op ongeveer 12.000. Dit is circa 2% van de Rotterdamse bevolking. Het betreft hier gebruikers die minimaal 25 keer cocaïne hebben gebruikt en/of vijf keer de afgelopen zes maanden.
Conclusies
Cocaïne is niet per definitie een verslavend middel. Het blijkt een drug met een minder eenduidig karakter dan bijvoorbeeld heroïne. Gerelateerd aan de wijze waarop het gebruikt wordt, kent het middel verschillende, duidelijk te onderscheiden effecten. Er kan worden gesproken van twee verschillende drugs. Enerzijds blijkt snuiven vaak zonder al te veel persoonlijke en maatschappelijke overlast te kunnen plaatsvinden. Basen, chinezen en spuiten daarentegen zijn riskantere gebruikswijzen, die veelal (snel) leiden tot dwangmatig gebruik en de daarmee samenhangende problemen. Met name basen komt ook voor onder niet-opiaatgebruikers. Cocaïne is derhalve niet een geheel onschuldige drug, zoals sommigen wel eens beweren. De verwachting is dat een toenemend aantal cocaïnegebruikers, zowel polydrugsgebruikers als zij die enkel cocaïne consumeren, een beroep zal doen op hulpverlening. Hierbij kan onder meer aandacht worden besteed aan nieuwe behandelingsmethoden met een meer therapeutisch karakter, al dan niet in combinatie met bijvoorbeeld anti-depressiva. Bovendien moet het aanbod voor de maatschappelijk meer geïntegreerde cocaïneverslaafden duidelijk worden gescheiden van dat voor de polydrugsverslaafden.
Tot op heden lijkt het met de overlast en de criminaliteit door cocaïnegebruik mee te vallen. Bovendien is het de vraag waardoor zij worden veroorzaakt: cocaïne, alcohol, heroïne, speed of een combinatie van deze middelen. De kans is echter groot dat bij een toename van het basen er eveneens sprake zal zijn van grotere overlast, hogere verwervingscriminaliteit en meer geweldsdelicten. Verder bestaat er nog het gevaar van crack. Deze variant van cocaïne heeft een sterk dwangmatige werking. Gebruik en handel hebben in de Verenigde Staten (en Groot-Brittannië) reeds tot grote persoonlijke en maatschappelijke problemen geleid. Het is daarom van het grootste belang dat voorkomen wordt dat deze variant (evenals basen) in Nederland voet aan de grond krijgt.
Gebruik van snowball sampling en een combinatie van kwalitatieve met kwantitatieve onderzoeksmethoden blijkt zeer goed mogelijk voor onderzoek onder drugsgebruikers. Bovendien leidt het tot resultaten die zowel beleidsmatig als wetenschappelijk van belang zijn. Belangrijk is dat de beginsteekproef zo aselect mogelijk is. Het benaderen van respondenten via zogenoemde circuits, settings of sociale milieus biedt hiervoor goede mogelijkheden. Omvangsschattingen op grond van 'one wave snowballsampling' zijn mogelijk mits de beginsteekproef voldoende groot is ten opzichte van de geschatte populatie en de respondenten zo onafhankelijk mogelijk van elkaar zijn bereikt. Kwalitatieve analyse waarbij het gebruik van drugs wordt geplaatst binnen het concept van levensstijlen biedt bij uitstek mogelijkheden voor onderzoek naar een diffuus fenomeen als cocaïnegebruik.
vorige   volgende
Colofon en inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 Inleiding en probleemstelling
Hoofdstuk 2 Verkooppunten
Hoofdstuk 3 Algemene impressies
Hoofdstuk 4 Karakteristieke kenmerken
Hoofdstuk 5 Typologie
Hoofdstuk 6 Spreiding, verspreiding en omvang
Hoofdstuk 7 Conclusies en discussie
Samenvatting
Literatuur
Bijlage A Verklarende woordenlijst
Bijlage B Beroepsclassificatie naar soorten
Bijlage C Patronen van gebruik
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.