INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies<
 
In Grote Lijnen
Hoofdstuk 7    Conclusies en discussie
Cocaïne is een middel met duidelijk verschillende gezichten. Het is veel minder eenduidig dan bijvoorbeeld heroïne. Al langer is bekend dat het gebruik van cocaïne niet meer voorbehouden is aan een kleine elitegroep, voornamelijk afkomstig uit hogere sociaal-economische milieus. Ook opiaatverslaafden gebruiken al langere tijd cocaïne. Cocaïne heeft zogezegd haar glans enigszins verloren en wordt niet meer als de champagne of de kaviaar onder de drugs beschouwd. Ook in Rotterdam blijkt het cocaïnegebruik wijd verspreid te zijn. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste conclusies en aanbevelingen van ons onderzoek naar aard, omvang en spreiding van cocaïnege bruik in Rotterdam besproken. Allereerst komen enkele algemene conclusies aan de orde en wordt een aantal beleidsaanbevelingen gegeven. Vervolgens wordt aandacht besteed aan enige methodologische aspecten.
7.1    Conclusies en aanbevelingen
Geen middel kent een grotere diversiteit wat betreft gebruikswijzen dan cocaïne. Het wordt gesnoven, gerookt, gechineesd, gespoten, gebased, op tandvlees of genitaliën gesmeerd, of geslikt. Ook allerlei combinaties komen voor. Snuiven is de meest voorkomende wijze van gebruik. Voor meer dan de helft van de respondenten vormt snuiven de belangrijkste gebruikswijze, gevolgd door injecteren (15%), basen (5%) en chinezen (3%), terwijl een kwart van de respondenten cocaïne op meerdere wijzen gebruikt. De wijze van gebruik is in belangrijke mate bepalend voor de gevolgen die het middel heeft. Zo is er een sterke samenhang met de frequentie en de hoeveelheid. Men kan ruwweg twee categorieën onderscheiden. Enerzijds snuiven en roken, waarbij in het algemeen sprake is van milde effecten, sociaal en meestal sporadisch gebruik in kleine hoeveelheden. Anderzijds basen, chinezen, injecteren, waarbij meestal kortdurende heftige effecten optreden en men weer snel opnieuw wil gebruiken. Er wordt vaak dagelijks gebruikt in grote hoeveelheden. Vooral bij deze laatste gebruikswijzen is sprake van dwangmatig gebruik. Chinezen en injecteren komen vooral voor onder opiaatgebruikers. Basen wordt ook door niet-opiaatgebruikers gedaan. Alhoewel de effecten enigszins lijken op injecteren en chinezen, heeft het onder niet-opiaat gebruikers een positievere klank, waardoor zij er minder afwijzend tegenover staan. Zij zijn van mening dat wanneer je spuit je een zogenoemde junkie bent, terwijl dit bij basen niet het geval is.
Uit het voorgaande wordt duidelijk dat bij cocaïne sprake is van twee min of meer verschillende drugs, afhankelijk van de gebruikswijze. Snuiven blijkt vaak maatschappelijk geïntegreerd te kunnen plaatsvinden zonder al te veel persoonlijke en maatschappelijke overlast. Basen is een riskantere gebruikswijze. Het leidt veelal (snel) tot dwangmatig gebruik en de daarmee samenhangende problemen. De kans dat men verslaafd raakt is bij deze gebruikswijze vrij groot. Snuiven is overigens niet per definitie ongevaarlijk. Een aantal gebruikers die alleen snuiven ontwikkelen eveneens een dwangmatig gebruikspatroon.
Het blijkt dat cocaïne niet zo'n onschuldige drug is als sommigen beweren. De verslaving aan het middel hangt niet alleen samen met de duur van het gebruik, maar vooral met de gebruikswijze. Dwangmatig gebruik komt voor onder zowel opiaatgebruikers als niet-opiaatgebruikers. Vergeleken met heroïne lijkt er sprake te zijn van een ander soort verslaving. Men spreekt in dit verband vaak over een meer 'geestelijke' afhankelijkheid, terwijl bij heroïne eerder sprake is van een 'lichamelijke' verslaving. Uit ons onderzoek blijkt overigens dat een aantal dwangmatige gebruikers uit zichzelf stopt, wanneer het overmatige cocaïnegebruik tot te veel problemen leidt. Zaken als sociaal-economische status en maatschappelijke bindingen spelen hierbij een belangrijke rol.
Uit diverse onderzoeken is gebleken dat er een complexe relatie bestaat tussen het gebruik van drugs en criminaliteit. Dit geldt voor heroïne, maar in nog sterkere mate voor cocaïne. Voor een groot deel blijkt er geen relatie te bestaan tussen cocaïnegebruik en criminaliteit. Het gebruiken van cocaïne past voor sommigen echter binnen een reeds criminele levensstijl. Het gebruik is onderdeel van de normen en waarden die in deze criminele kringen worden aangehangen. Verder is er sprake van criminaliteit die samen hangt met het gebruik zelf. Hierbij zijn twee aspecten te onderscheiden.
a. Verwervingscriminaliteit om cocaïne te kunnen kopen is sterk afhankelijk van de wijze van gebruik en daarmee met de frequentie en hoeveelheid, en de primaire inkomstenbronnen. Alhoewel sommigen vermoeden dat onder invloed van cocaïne agressieve geweldsdelicten toenemen, treffen wij dit in ons onderzoek weinig aan.
b. Agressie en vandalisme onder invloed van cocaïne wordt aangetroffen, maar minder dan verwacht. Wanneer het zich voordoet, is bovendien moeilijk te bepalen wat de oorzaak is: cocaïne of alcohol of speed of een combinatie van deze middelen. Naast cocaïne worden vaak diverse andere middelen gebruikt, waarvan alcohol de belangrijkste is. Het gebruiken van cocaïne gaat nogal eens samen met het consumeren van grote hoeveelheden alcohol. Cocaïne neutraliseert enigszins de werking van alcohol, terwijl het tegelijkertijd dorstig maakt.
Een ander belangrijk onderwerp is de overlast in samenhang met cocaïne. Ook hierbij is een tweetal aspecten te onderscheiden, namelijk overlast van gebruik en overlast van handel.
a. Het gebruik van degenen die geen opiaten gebruiken leidt niet vaak tot overlast. Opiaatgebruikers, met name als zij basen en/of injecteren, lijken door het gebruiken van cocaïne enigszins agressiever te worden.
b. De handel op gebruikersniveau van alleen cocaïne geeft niet of nauwelijks overlast. Op plaatsen waar heroïne en cocaïne beide worden verkocht is hiervan meer sprake. Over de handel boven het gebruikersniveau valt weinig te zeggen, omdat dat niet tot de onderzoeksopdracht van dit onderzoek behoorde. Een (internationale) studie naar de aanbod zijde kan hierin meer inzicht geven.
Bovengenoemde aspecten kunnen niet zonder meer aan cocaïne worden toegeschreven. De cocaïne die de gebruiker koopt bestaat nooit louter en alleen uit cocaïne, maar is vaak versneden met andere middelen. De vraag is echter waarmee. Het lijkt er sterk op dat veel cocaïne is versneden met amfetaminen (speed). Het is daarom mogelijk dat eerder sprake is van de effecten en gevolgen van deze middelen dan van die van cocaïne. Hetzelfde geldt sinds enige tijd overigens voor XTC. Een onderzoek waarin zo aselect mogelijk monsters van cocaïne (en XTC) op gebruikersniveau worden verzameld, die vervolgens worden geanalyseerd, kan hierover meer uitsluitsel geven.
In ons onderzoek zijn acht typen cocaïne-levensstijlen onderscheiden. Zij vallen ruwweg in drie groepen uiteen, afhankelijk van de rol van cocaine in de levensstijl. Bij de eerste groep, bestaande uit het Bourgondische type, het ervarings-type en het situationele type, heeft cocaïne een beperkt belang. Cocaïne speelt voor hen geen overheersende rol, men kent geen problemen met het middel, en de gebruikswijze blijft voornamelijk beperkt tot snuiven. Slechts bij het ervarings-type wordt een aantal aangetroffen dat, om ook dit uit te proberen, enkele malen based. Bij de tweede groep, het distinctieve type, het hedonistische en het routineuze type, speelt cocaïne een belangrijkere rol. Er wordt vaker gebruikt en in grotere hoeveelheden. Het cocaïnegebruik levert in meerdere opzichten problemen op, die in eerste instantie vaak worden ontkend. Men lost deze soms op door een periode minder te gebruiken om na enige tijd de draad weer op te pakken. Deze drie typen vormen een risicogroep, waaraan aandacht dient te worden geschonken. Het gevaar bestaat dat met name de hedonisten basen aantrekkelijk kunnen gaan vinden, met alle mogelijke gevolgen van dien. De derde groep, bestaande uit het polydrugs-type en de cocaïnisten, kennen een levensstijl die gecentreerd is rondom cocaïne. Hier is sprake van een hoge gebruiksfrequentie (dagelijks) in veelal grote hoeveelheden. Met name de cocaïnisten zijn naar aanleiding van problemen cocaïne gaan gebruiken. Het polydrugs-type consumeert tevens heroïne. Door het gebruiken van cocaïne lijken problemen een ander en ernstiger karakter te krijgen. Er is vaak sprake van opgefokt gedrag, agressie en paranoia. Sommigen zijn om deze negatieve effecten van cocaïne te beperken, begonnen met heroïne.
Spreiding, verspreiding en omvang
Er is duidelijk sprake van een zekere democratisering van cocaïnegebruik: het komt in alle lagen van de bevolking voor. Het gebruiken van cocaïne komt overigens, zoals bij de meeste drugs het geval is, meer bij mannen voor dan bij vrouwen. Het middel wordt gebruikt door jong en oud, met als zwaartepunt de leeftijdscategorie van 20 tot 30 jaar. Ruim een tiende van de respondenten is van niet-Nederlandse herkomst. De maatschappelijke achtergrond van de gebruikers loopt sterk uiteen. Zo heeft een derde hoger onderwijs gevolgd en een vijfde onderwijs op LBO-niveau. Verder komt het gebruik voor onder zowel werkenden, werklozen, studenten/scholieren als huisvrouwen. Ook de beroepssectoren waarin de gebruikers werkzaam zijn vertonen een grote variatie: van horeca, techniek, kunst en cultuur, vrije sector, criminele circuit tot sex-industrie.
In ons onderzoek worden vijf circuits onderscheiden waar cocaïnegebruik kan plaatsvinden, te weten: uitgaanswereld, werkplek, thuiscircuit, hobby/sport en hard drugsscene. De belangrijkste plaats van gebruik is het thuiscircuit (bijna de helft van de respondenten en de door hen genoemde gebruikers gebruikt in dit circuit), gevolgd door de uitgaanswereld (27%). In de periode van het zwaarste gebruik wordt de harddrugsscene echter bijna even belangrijk als de twee voorgaande circuits. De respondenten kennen niet alleen gebruikers uit hun eigen circuit, maar ook uit de overige. Alhoewel men van elkaars gebruik op de hoogte is, blijkt cocaïne voor de meesten binnen hun relaties met andere cocaïnegebruikers een beperkte rol te spelen. Dit geldt met name voor de oudere gebruikers. Deze bevindingen maken het open karakter van het cocaïnegebruik duidelijk. In Rotterdam zijn in grote lijnen twee groepen gebruikers te onderscheiden: de harddrugsscene die redelijk gescheiden is van de overige vier circuits, die meer onderlinge samenhang vertonen.
Het blijkt dat cocaïne en uitgaan nog steeds sterk met elkaar zijn verstrengeld. In de horeca is echter sprake van steeds strengere controle op het gebruiken van cocaïne. Mede daardoor heeft het gebruik zich verplaatst naar buiten in auto's, telefooncellen, parken en dergelijke, en (bij goede vrienden) thuis.
Er zijn verschillende gebruikersmarkten te onderscheiden:
a. Op straat: bijvoorbeeld rondom het Centraal Station. Soms wordt hier ook 'gekookte coke' verkocht. Er is sprake van een duidelijke overlap met de heroïnemarkt.
b. In heroïne-dealpanden: deze liggen verspreid over Rotterdam. Er is een sterke verstrengeling met de heroïnehandel. Deze panden worden overwegend bezocht door polydrugsgebruikers.
c. In cocaïne-dealpanden: deze worden overal in Rotterdam aangetroffen. In deze panden wordt alleen cocaïne verkocht. Ze bezorgen meestal geen overlast en zijn daardoor niet of nauwelijks bekend bij de politie.
d. Via portiers of huisdealers: in diverse horeca-gelegenheden in de stad. Er lijkt hier sprake van een specifieke markt gescheiden van die van heroïne. Eventueel zijn hasj, speed of XTC te verkrijgen.
e. Thuis bezorgen: het gaat om enkele verkopers verspreid over de stad. Voor zover bekend leveren deze dealers alleen cocaïne en eventueel hasj. Dit betekent dat deze markt gescheiden is van die van de heroïne.
Voor het bepalen van het aantal cocaïnegebruikers zijn enkele nieuwe schatters ontwikkeld. Met de nodige voorzichtigheid kan men stellen dat de best mogelijke schatting van het aantal Rotterdammers dat minimaal 25 keer en/of 5 keer de afgelopen zes maanden cocaïne heeft gebruikt rond de 12.000 zal liggen (2% van alle inwoners). Een niet onaanzienlijk aantal wanneer men bedenkt dat Rotterdam volgens de laatste schattingen rond de 2.500 opiaatverslaafden kent. Dit betekent dat er ongeveer 9.000 Rotterdammers zijn die, met een zekere regelmaat, enkel cocaïne gebruik(t)en. In het voorgaande is reeds aangegeven dat een aantal van hen in de komende jaren met problemen bij de hulpverlening zal aankloppen.
Preventie en interventie
Aan het gebruik van cocaïne zijn in het kader van een preventie- en interventie-beleid twee aspecten te onderscheiden.
a. Gezondheid/verslaving
De verwachting is dat het aantal cocaïnegebruikers met afhankelijkheidsproblemen zal toenemen, zowel onder polydrugsgebruikers als onder hen die enkel en alleen cocaïne consumeren. Hierdoor zal een toenemend aantal gebruikers een beroep doen op de hulp verlening. Gezien de effecten van cocaïne is het raadzaam onder meer aandacht te schenken aan nieuwe behandelingsmethoden, die een meer therapeutisch karakter hebben. In de Verenigde Staten wordt bijvoorbeeld veel gebruik gemaakt van gedragstherapie in combinatie met het verstrekken van anti-depressiva. Verder bieden aspecten van het draagkracht-draaglast model waarvan sommige hulpverleners uitgaan wellicht mogelijkheden voor een gerichte interventie. Voor een goed bereik van de hulpverlening is het belangrijk het aanbod van voorzieningen voor de maatschappelijk meer geïntegreerde cocaïneverslaafden duidelijk te scheiden van dat voor de polydrugsgebruikers. Eerstgenoemden willen immers niet worden geassocieerd met heroïneverslaafden.
Naast goede interventie-programma's dient er eerlijke en duidelijke voorlichting te worden gegeven over de diverse facetten van cocaïne, gedifferentieerd naar de verschillende risicogroepen. Hierbij kan worden opgemerkt dat een goed preventiebeleid geen eenvoudige zaak is gezien de verschillende wijzen waarop cocaïne kan worden gebruikt en de verschillende effecten die het middel dan heeft. Zo kan snuiven jarenlang zonder enige problemen plaatsvinden. Basen leidt echter vaak (en soms al heel snel) tot afhankelijkheidsproblemen (en eventueel criminaliteit). Het is zeer belangrijk dit verschil goed te benadrukken en duidelijk te maken. Verder kan cocaïne (en XTC) in relatie tot aids een extra risicofactor vormen bij degenen die injecteren. Bovendien kan er een interactie ontstaan met riskant sexueel gedrag, oftewel onveilige sex.
De situatie in bijvoorbeeld de Verenigde Staten en Groot-Brittannië laat zien dat crack tot grote maatschappelijke problemen leidt, met name voor sociaal-economische achterstandsgroepen. Dit hangt samen met de sterk compulsieve werking van crack en de veelal gewelddadige wijze waarop handel en gebruik plaatsvinden. Er moet dan ook met alle macht worden voorkomen dat crack in Nederland voet aan de grond krijgt.
b. Overlast/criminaliteit
Verwervingscriminaliteit is vooral te verwachten bij de compulsieve gebruikers. Het blijkt dat zij in de periode van het zwaarste gebruik ook bij een aantal niet-opiaatverslaafden voorkomt. De ontremmende werking van cocaïne kan wellicht leiden tot het sneller plegen van vermogensdelicten. Agressie en vandalisme onder invloed van cocaïne lijken overigens mee te vallen. Wanneer het voorkomt is het bovendien de vraag waardoor dit wordt veroorzaakt: cocaïne, alcohol, speed of een combinatie van deze middelen. Wellicht is het zo dat een aantal opiaatverslaafden zich onder invloed van cocaïne agressiever (zijn) gaan gedragen. Toekomstig onderzoek kan hierin meer inzicht verschaffen.
Bij de handel in enkel en alleen cocaïne is nauwelijks sprake van overlast. Visuele en openbare orde overlast lijkt vooral voor te komen wanneer er (ook) sprake is van heroïne. Wel bestaat het idee dat de (grotere) handel in cocaïne, mede door haar georganiseerde karakter, vrij agressief en gewelddadig is. Verder lijkt er bij cocaïne een steeds grotere vermenging te zijn tussen de zogenoemde boven- en onderwereld.
7.2    Methodologische aspecten
Bij sociaal-wetenschappelijk onderzoek naar drugsgebruik wordt in Nederland regelmatig gebruik gemaakt van zogenoemd kwalitatief onderzoek. In onze studie bestaat het onderzoeksontwerp echter uit een combinatie van kwalitatieve en kwantitatieve methoden. Op deze wijze is getracht de generaliseerbaarheid van de resultaten te vergroten en tevens meerdere analyses op de verzamelde gegevens mogelijk te maken. Het toepassen van sneeuwbalsteekproeven niet alleen voor het verkrijgen van respondenten, maar ook voor het verzamelen van relationele gegevens, is een mogelijkheid die tot dusverre weinig is toegepast. Het gebruik van de gegevens uit de sneeuwbalsteekproef om de omvang van de groep cocaïnegebruikers in Rotterdam te schatten, berust op een nieuwe en in het kader van dit onderzoek ontwikkelde methode. De contacten van Intraval met de Vakgroep Statistiek en Meettheorie van de Rijksuniversiteit Groningen hebben geleid tot de ontwikkeling van deze methode (zie Frank en Snijders 1992). Bovendien heeft deze samenwerking geresulteerd in verder methodologisch onderzoek, gericht op de onderbouwing van steekproeftrekking met de sneeuwbal- en verwante methoden.
In de interviews zijn, behalve uitgebreide informatie over de respondent zelf, ook gegevens verzameld over zijn vrienden en kennissen die cocaïne gebruiken. Door deze netwerkgegevens is meer inzicht verkregen in relatiepatronen tussen cocaïnegebruikers en in contacten tussen verschillende circuits waarbinnen wordt gebruikt. Zij vormen een goede aanvulling op de informatie uit de diepte-interviews (die vooral een goede indruk geven van de aard van het individuele cocaïnegebruik). Er zijn bij de analyse van de onderzoeksgegevens, naast de kwalitatieve minimale-maximale vergelijkingsmethode, diverse kwantitatieve methoden toegepast: loglineaire analyse, principale componenten- analyse, en bij de verwerking van de netwerkgegevens ook de recentelijk ontwikkelde methode van multi-niveau analyse. Deze analysetechnieken zijn vooral gebruikt om bepaalde statistische samenhangen in de data duidelijk te maken. Deze zijn vervolgens op een niet formeel-statistische manier gerapporteerd. Bij de toepassing van deze technieken op de in ons onderzoek verzamelde gegevens doet zich het probleem voor dat de beginsteekproef van de respondenten niet aselect is, terwijl de gebruikte technieken wel van deze veronderstelling uitgaan. Door een zo zorgvuldig en gespreid mogelijke trekking van de beginsteekproef is getracht haar op belangrijke aspecten niet te sterk te laten afwijken van die van een aselecte steekproef. Zekerheid hierover kan niet worden geboden. Dit is echter onontkoombaar bij een onderzoek naar een verborgen populatie zoals cocaïnegebruikers. Op basis van de ervaringen die tijdens ons onderzoek zijn opgedaan kunnen voor toekomstig onderzoek de volgende conclusies worden getrokken en aanbevelingen worden gedaan.
   
  • Gebruik van sneeuwbalsteekproeven voor onderzoek onder populaties van drugsgebruikers, en een combinatie van kwalitatieve met kwantitatieve onderzoeksmethoden, is zeer goed mogelijk. Hierbij is het van belang dat de beginsteekproef zoveel mogelijk aselect is. Dit is voor moeilijk toegankelijke populaties niet volledig te realiseren, maar kan worden benaderd door een zorgvuldige en zoveel mogelijk onafhankelijke steek proeftrekking.
  • Kwalitatieve analyse waarbij het gebruik van drugs wordt geplaatst binnen het concept van levensstijlen biedt bij uitstek mogelijkheden voor onderzoek naar een diffuus fenomeen als cocaïnegebruik.
  • In toekomstig onderzoek moet worden getracht de zogenoemde kwalitatieve en kwantitatieve gegevens nog meer met elkaar in verband te brengen.
  • Omvangsschatting van populaties van drugsgebruikers op grond van 'one-wave' sneeuwbalsteekproeven is mogelijk, mits de beginsteekproef voldoende groot is ten op zichte van de geschatte populatie en de personen in de beginsteekproef onafhankelijk van elkaar zijn bereikt. Verder methodologisch/statistisch onderzoek is nodig om beter rekening te houden met het bereiken van de beginsteekproef via verschillende circuits, settings of sociale milieus. Overigens is een dergelijke beginsteekproef eerder als een benadering van een gestratificeerd aselecte dan van een enkelvoudig aselecte steekproef te beschouwen.
  • Bij de analyse van netwerkgegevens in dit soort onderzoek is de benadering via totale netwerken minder zinvol dan via persoonlijke netwerken. Multi-niveau analyse is hier voor een geschikte methode.
  • Het analyseren van relatiepatronen, ofwel sociale netwerken, van drugsgebruikers of andere relevante populaties is een belangrijke aanvulling op de tot dusver meer gebruikelijke onderzoeksmethoden. Het leidt tot resultaten die zowel wetenschappelijk als beleidsmatig van belang zijn. Hierbij moet overigens wel worden opgemerkt dat voor het beantwoorden van de relatievragen vertrouwen tussen respondent en interviewer onontbeerlijk is. Door het uitgebreide interview ontstaat een band, waardoor de relatie vragen sneller zullen worden beantwoord.
vorige   volgende
Colofon en inhoudsopgave
Hoofdstuk 1    Inleiding en probleemstelling
Hoofdstuk 2    Verkooppunten
Hoofdstuk 3    Algemene impressies
Hoofdstuk 4    Karakteristieke kenmerken
Hoofdstuk 5    Typologie
Hoofdstuk 6    Spreiding, verspreiding en omvang
Hoofdstuk 7    Conclusies en discussie
Samenvatting
Literatuur
Bijlage A    Verklarende woordenlijst
Bijlage B    Beroepsclassificatie naar soorten
Bijlage C    Patronen van gebruik
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.