INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies<
 
In Grote Lijnen
Hoofdstuk 6    Spreiding, verspreiding en omvang
In dit hoofdstuk wordt de spreiding, verspreiding en omvang van het cocaïnegebruik in Rotterdam beschreven, waarbij gebruik wordt gemaakt van het kwantitatieve deel van de vragenlijst. Het gaat hierbij om informatie over respondenten en nominees, waarop onder meer netwerkanalyse, twee-niveau regressie-analyse en omvangsschattingen zijn toegepast.
6.1    Analyse persoonlijke netwerken
Hiervoor is reeds aangegeven dat het cocaïnegebruik in Rotterdam wijd verspreid is. Het komt voor onder alle leeftijdscategorieën, bij een grote verscheidenheid van beroepsbeoefenaren en op diverse plaatsen. In deze paragraaf wordt de verspreiding van het cocaïnegebruik beschreven met behulp van de door de respondent genoemde gebruikers (1). Allereerst worden de resultaten besproken op basis van de aantallen andere gebruikers die respondenten noemen, vervolgens op basis van het wederzijds bekend zijn van het gebruik en de mate waarin men cocaïnecontacten heeft. Tot slot worden de gegevens behandeld op grond van het verkrijgen van cocaïne.
Analyses op basis van aantallen genoemde gebruikers door respondenten.
Zoals reeds eerder vermeld, is de respondenten gevraagd namen van andere gebruikers te noemen. Om te voorkomen dat de respondenten alleen die personen noemen die zij of heel goed kennen of slechts zeer oppervlakkig, zijn er vooraf vijf circuits gedefinieerd, waarin de respondent de hem bekende gebruikers zelf moet indelen. De mate waarin een respondent andere gebruikers noemt in de diverse circuits, geeft een beeld van de spreiding van zijn contacten met andere cocaïnegebruikers. Bovendien moeten de genoemde gebruikers voldoen aan het vooraf gestelde insluitingscriterium (zie hoofdstuk twee). Van de 110 respondenten hebben er 95 andere gebruikers genoemd, die zij als volgt hebben ingedeeld: 472 gebruikers in de uitgaanswereld (38%), 209 gebruikers op de werkplek (17%), 310 gebruikers in het thuiscircuit (25%), 79 gebruikers in het hobby/sport circuit (6%) en 169 gebruikers in de harddrugsscene (14%). Tabel 6.1 geeft een beeld van het gemiddeld aantal genoemde gebruikers per circuit door de respondenten. Hierbij zijn ook de respondenten ingedeeld naar het circuit waarin zij voornamelijk gebruiken (2). Niet alle 95 geïnterviewde respondenten gebruiken nog op het moment van interviewen. Voor deze respondenten (totaal 38) is het belangrijkste circuit genomen, waarin men cocaïne gebruikte in de periode vlak voor het stoppen.
Tabel 6.1
Gemiddeld aantal genoemde gebruikers per circuit (tussen haakjes standaarddeviaties) (3)
Circuit nominees

  Uitgaans-
wereld
Werk-
plek
Thuis-
circuit
Hobby/
sport
Harddrugs-
scene

Circuitrespondent
Uitgaan n=34 6.0 (3.9) 2.0 (3.0) 4.1 (3.3) 0.8 (1.7) 0.9 (2.3)
Thuis n=34 4.0 (3.7) 2.2 (3.0) 4.1 (4.0) 0.9 (1.9) 0.9 (1.8)
Hardrugs n=22 3.0 (3.3) 2.2 (2.9) 1.8 (2.2) 0.6 (1.3) 4.4 (4.1)

 
Wordt de eerste rij van tabel 6.1 als voorbeeld genomen, dan betekent dit dat het gemiddelde circuitprofiel van de 34 respondenten in de uitgaanswereld als volgt is opgebouwd. Men weet gemiddeld zes gebruikers uit het eigen circuit, twee gebruikers van het werk, vier gebruikers uit het thuiscircuit, één gebruiker uit het sport/hobby circuit en één gebruiker uit de harddrugsscene te noemen. De respondenten noemen dus voornamelijk gebruikers uit het eigen circuit en uit het thuiscircuit. Een eerste globale bestudering van tabel 6.1 toont aan dat de respondenten niet alleen gebruikers kennen uit hun eigen circuit, maar ook uit de andere circuits. Dit is een indicatie voor het open karakter van het cocaïnegebruik: het gebruik is verspreid over alle vijf circuits en er bestaat een redelijke mate van contact tussen gebruikers uit de verschillende circuits. Verder blijkt dat de respondenten uit de uitgaanswereld en het thuiscircuit ongeveer hetzelfde aantal gebruikers in de vijf circuits kennen (4) . Er is geen significant onderscheid voor respondenten uit deze twee circuits wat betreft het noemen van gebruikers in de verschillende circuits, indien naar het patroon over alle vijf circuits wordt gekeken. Wordt echter alleen gekeken naar het gemiddelde aantal genoemde gebruikers in de uitgaanswereld door respondenten uit dit circuit en het thuiscircuit, dan blijkt dat respon denten uit het thuiscircuit significant minder gebruikers noemen binnen de uitgaanswereld dan respondenten die zelf ook voornamelijk gebruiken in dit circuit (respectievelijk 4.1 en 6.0 gebruikers) (5). Opvallend is dat respondenten uit de uitgaanswereld evenveel gebruikers in het thuiscircuit noemen. Blijkbaar is het thuiscircuit voor respondenten uit de uitgaanswereld ook belangrijk, terwijl dit andersom relatief minder het geval is voor wat betreft de contacten die zij noemen.
Respondenten die voornamelijk gebruiken in de harddrugsscene noemen systematisch andere aantallen gebruikers in de vijf circuits dan de respondenten uit de uitgaanswereld en het thuiscircuit (6). Respondenten uit de harddrugsscene noemen voornamelijk gebruikers uit de harddrugsscene en in mindere mate uit de uitgaanswereld en het thuiscircuit. Uit het aantal gebruikers die de respondenten noemen in de vijf circuits blijkt dat wat betreft de relatiepatronen, dat wil zeggen de verdeling van cocaïnegebruikende kennissen over de verschillende circuits, de cocaïnegebruikers in Rotterdam kunnen worden ingedeeld in twee groepen: een circuit, bestaande uit de uitgaanswereld en het thuis circuit dat in het vervolg zal worden aangeduid als het 'uitgaans + thuiscircuit', en de harddrugsscene.
Uit verdere analyses van het aantal gebruikers dat de respondent noemt per circuit blijkt dat zowel voor respondenten uit het uitgaans + thuiscircuit als voor respondenten uit de harddrugsscene geldt dat in de relatiepatronen het aantal nominees uit het thuiscircuit een aparte plaats inneemt (7) . Het blijkt dat voor respondenten uit beide circuits geldt, dat het aantal andere gebruikers die men noemt in het thuiscircuit geen verband vertoont met het genoemde aantal gebruikers uit de uitgaanswereld, op het werk, in het hobby/sport circuit of in de harddrugsscene (8). Met andere woorden: de omvang van het thuiscircuit staat los van de overige circuits.
Analyses op basis van cocaïnecontacten en onderlinge bekendheid van gebruik
De mate van belang van cocaïne in relaties tussen respondenten en nominees geeft informatie over de wijze waarop met cocaïne wordt omgegaan. Voor het bepalen van de mate van belang van cocaïne in de relatie tussen respondent en nominee is een schaal geconstrueerd, gebaseerd op de volgende gedachte. Iedere respondent noemt andere gebruikers, waarvan hij weet dat zij cocaïne gebruiken (gebruikt hebben). Wanneer een respondent zegt dat het contact met degene die hij noemt nooit in verband met cocaïne is en de genoemde weet niet dat de respondent cocaïne gebruikt, dan is het gebruik van cocaïne niet van belang in deze relatie. Als daarentegen een respondent een gebruiker noemt die hij altijd ontmoet in verband met cocaïne en het gebruik is wederzijds bekend, dan heeft cocaïne een belangrijke plaats in deze relatie. In schema 6.1 staan de verschillende waarden van de schaal en hun betekenis (9).
Schema 6.1
Schaal 'mate van belang van cocaïne voor een relatie'

Mate van
belang
   Omschrijving schaalwaarde

0 Het contact vindt nooit plaats in een context van cocaïne en de nominee weet niet dat de respon dent ook cocaïne gebruikt (of gebruikt heeft).
1 Het contact vindt nooit plaats in een context van cocaïne, maar de nominee weet wel dat de respondent ook gebruikt (of gebruikt heeft).
2 Het contact vindt af en toe plaats in een context van cocaïne en de nominee weet dat de respon dent ook gebruikt (of gebruikt heeft).
3 Het contact vindt meestal plaats in een context van cocaïne en de nominee weet dat de respondent ook gebruikt (of gebruikt heeft).
4 Het contact vindt altijd plaats in een context van cocaïne en de nominee weet dat de respondent ook gebruikt (of gebruikt heeft).

 
Uit tabel 6.2 blijkt dat in de helft van alle contacten die de respondenten hebben genoemd, het contact slechts af en toe plaatsvindt in samenhang met cocaïne en dat men van elkaars gebruik op de hoogte is (waarde 2). Van alle 1.239 contacten vinden 799 (schaalwaarde 1 + 2 = 65%) nooit of soms plaats in samenhang met cocaïne, terwijl het gebruik wederzijds bekend is. Blijkbaar is de rol van cocaïne voor een groot deel binnen de genoemde contacten niet erg belangrijk. Het geeft overigens opnieuw een indicatie voor het open karakter van het gebruik binnen de steekproefpopulatie, omdat men van elkaar weet dat men gebruikt terwijl men elkaar nooit of soms in een context van cocaïne ontmoet. Opvallend in tabel 6.2 is, dat in de helft van de contacten genoemd door de respondenten die gestopt zijn, het gebruik van cocaïne een (redelijk) belangrijke plaats inneemt (schaalwaarde 3 + 4). Dit komt doordat verschillende respondenten in het Huis van Bewaring zijn geïnterviewd. Deze respondenten gebruiken op dat moment niet. Zij komen voornamelijk uit de harddrugsscene waar cocaïnegebruik in relaties een belangrijke plaats inneemt.
Tabel 6.2
Verdeling waarden van de schaal 'mate van belang van cocaïne in een relatie'

gebruikend gestopt totaal
n % n % n %

Schaalwaarde
0 40 5 19 5 59 5
1 113 14 43 11 156 13
2 513 62 130 32 643 52
3 88 11 81 20 169 14
4 70 8 127 32 197 16
onbekend 1 - 14 - 15 -

Totaal 825 100 414 100 1239 100

 
Tevens is gekeken naar verschillen tussen respondenten uit het uitgaans + thuiscircuit en de harddrugsscene wat betreft de mate van belang van cocaïne in hun contacten in de vijf circuits. Hierbij is weer onderscheid gemaakt tussen respondenten die op het moment van het interview gebruiken (tabel 6.3a) en zij die gestopt zijn (tabel 6.3b).
Tabel 6.3a
Gemiddelde waarden van de schaal 'mate van belang' voor respondenten uit uitgaans + thuiscircuit en harddrugsscene (gebruikers)

uitgaan werk thuis sport harddrugs

Uitgaans + thuiscircuit 2.1 2.1 1.9 1.8 1.6
Harddrugsscene 2.2 2.4 2.4 2.0 2.7

 
   
Zowel tabel 6.3a als 6.3b laat zien dat cocaïne in de contacten voor respondenten uit het uitgaans + thuiscircuit een minder belangrijke rol speelt dan in de contacten voor respondenten uit de harddrugsscene. In contacten van respondenten uit het uitgaans + thuiscircuit met gebruikers in de harddrugsscene is de rol van cocaïne het minst belangrijk, terwijl deze contacten voor respondenten uit de harddrugsscene juist het belangrijkste zijn. Opvallend in tabel 6.3b is dat de rol van cocaïne in de contacten in de harddrugsscene voor ex-gebruikers uit het uitgaans + thuiscircuit zeer belangrijk is. Wellicht gaat het hier in belangrijke mate om gebruikers die in hun zwaarste periode van gebruik in aanraking zijn gekomen met de harddrugsscene (zie ook hoofdstuk vier).
Tabel 6.3b
Gemiddelde waarden van de schaal 'mate van belang' voor respondenten uit uitgaan + thuiscircuit en harddrugsscene (ex-gebruikers)

uitgaan werk thuis sport harddrugs

Uitgaans + thuiscircuit 2.0 1.5 1.7 1.9 3.2
Harddrugsscene 3.2 2.7 2.9 2.0 3.6

 
Het is dus duidelijk dat de respondenten uit het uitgaans + thuiscircuit en de harddrugsscene niet alleen verschillen in het aantal contacten dat zij weten te noemen in de vijf circuits, maar ook wat betreft de mate van belangrijkheid van cocaïne in de contacten. Zowel in tabel 6.3a als 6.3b is er weinig spreiding in het belang van cocaïne voor de respondenten tussen relaties in de diverse circuits. Uit tabel 6.1 blijkt echter dat er bij het aantal gebruikers die men noemt een redelijke variatie is tussen de circuits. Blijkbaar geldt voor de respondent dat het belang van cocaïne in zijn relaties in de verschillende circuits gelijkmatiger verspreid is dan het aantal gebruikers dat hij kent.
De plaats van het verkrijgen van cocaïne in een relatie
Tot dusverre zijn de relaties van de respondent bekeken voor het aantal andere door hem genoemde gebruikers per circuit, het (on)bekend zijn van elkaars gebruik en de context waarin men elkaar ontmoet wat betreft cocaïne. Voor een nadere beschrijving van de verspreiding van cocaïne in Rotterdam is het interessant na te gaan in welke relaties het verkrijgen van cocaïne een meer dan wel minder belangrijke rol speelt. Er zijn diverse manieren waarop het verkrijgen van cocaïne plaats kan vinden in een relatie. Er kan sprake zijn van een symmetrische relatie wat betreft het verkrijgen van cocaïne, dat wil zeggen: de respondent en de nominee kopen of verkrijgen de cocaïne om en om of kopen het gezamenlijk van een derde persoon. In een relatie kan ook sprake zijn van een eenzijdig verkrijgen van cocaïne (asymmetrische relatie), hetgeen betekent dat de respondent de cocaïne koopt of verkrijgt van de nominee of andersom. Tenslotte is het natuurlijk mogelijk dat er in een relatie geen verband is bij het verkrijgen van cocaïne.
De mate waarin men elkaar ontmoet in een context van cocaïne en de manier waarop cocaïne verkregen wordt in een relatie, geeft informatie over in hoeverre een relatie in het teken van cocaïne staat. Vindt het contact bijvoorbeeld altijd of meestal plaats in een context van cocaïne en koopt of verkrijgt de respondent cocaïne van de nominee of andersom (a-symmetrische relatie), dan staat deze relatie in sterke mate in het teken van cocaïne. Indien het contact altijd plaatsvindt in een context van cocaïne, maar het verkrijgen of kopen van cocaïne om en om of gezamenlijk via een derde persoon gebeurt (symmetrische relatie), dan staat de relatie voor een groot deel in het teken van cocaïne. Dit heeft echter een minder instrumenteel karakter, omdat de relatie symmetrisch is.
In schema 6.2 staan de verschillende combinaties voor wat betreft de schaal 'mate waarin een relatie in het teken van cocaïne staat' (10). Aan elke combinatie is een waarde toegekend, waarin nul betekent dat de relatie totaal niet in het teken staat van het verkrijgen van cocaïne en zes dat de relatie zeer sterk in het teken staat van het verkrijgen van cocaïne.
Schema 6.2
Schaal 'mate waarin een relatie in het teken van cocaïne staat'

Mate van
belang
Omschrijving schaalwaarde

0 Het contact vindt nooit plaats in een context van cocaïne en er is geen connectie wat betreft het verkrijgen van de cocaïne de laatste zes maanden. De nominee weet echter wel dat de respondent gebruikt.
1 Het contact vindt af en toe plaats in een context van cocaïne, maar er is geen connectie de laatste zes maanden wat betreft het verkrijgen. De nominee weet dat de respondent gebruikt.
2 Het contact vindt altijd/meestal plaats in een context van cocaïne, maar er is geen sprake van een connectie wat betreft het verkrijgen. De nominee weet dat de respondent gebruikt.
3 Het contact vindt af en toe plaats in een context van cocaïne en de nominee weet dat de respondent gebruikt. Het verkrijgen gaat om en om of men koopt het gezamenlijk van een derde persoon.
4 Het contact vindt af en toe plaats in een context van cocaïne en de nominee weet dat de respondent gebruikt. In tegenstelling tot schaalwaarde 3 is het verkrijgen van cocaïne hier eenzijdig. Wanneer men contact met elkaar heeft in een context van cocaïne, dan levert ofwel de respondent ofwel de nominee de cocaïne in deze relaties.
5 Het contact vindt altijd/meestal plaats in een context van cocaïne en de nominee weet dat de respon dent gebruikt. Het verkrijgen gaat om en om of men koopt het gezamenlijk van een derde persoon.
6 Het contact vindt altijd/meestal plaats in een context van cocaïne en de nominee weet dat de respon dent gebruikt. Het verkrijgen is hier éénzijdig, zodat de positie van cocaïne een instrumenteel karakter heeft.

 
In tabel 6.4 staan de schaalwaarden van 259 contacten van 63 respondenten (11).
Tabel 6.4
Verdeling waarden van de schaal 'mate waarin een relatie in het teken van cocaïne staat'

schaalwaarde aantal relaties percentage

0 29 11
1 80 31
2 16 6
3 63 24
4 30 12
5 21 8
6 20 8

totaal 259 100

 
Het blijkt dat in bijna de helft van de contacten (schaalwaarde 0 + 1 + 2 = 48%) de laatste zes maanden de respondent en de nominee wat betreft het verkrijgen van cocaïne niets met elkaar te maken hebben, ongeacht of ze elkaar nooit, soms of altijd in een context van cocaïne ontmoeten. Men is echter wel van elkaars cocaïnegebruik op de hoogte. Dit is wederom een indicatie voor het open karakter van het cocaïnegebruik in de steekproefpopulatie. Bijna een kwart van de contacten vindt af en toe plaats in een context van cocaïne, waarin de cocaïne gezamenlijk van een derde persoon wordt verkregen of waarin het verkrijgen wisselt tussen respondent en nominee (schaalwaarde 3). Ruim een tiende van de contacten vindt net als schaalwaarde 3 af en toe plaats in een context van cocaïne. Het verschil is echter dat de cocaïne in deze relaties door één persoon wordt geleverd (schaalwaarde 4). Tenslotte bestaat een zesde deel van de contacten uit contacten die altijd plaatsvinden in een context van cocaïne en waarin het verkrijgen van cocaïne òf gezamenlijk via een derde persoon of om en om gebeurt (schaalwaarde 5) òf waarin één van beide aan de ander cocaïne levert (schaalwaarde 6).
   
Met behulp van een twee niveau regressie-analyse is op een exploratieve manier gekeken welke factoren een belangrijke invloed hebben op de rol van cocaïne in de relaties(12). De reden om een twee niveau regressie-analyse te gebruiken, is dat in de analyse variabelen van twee geneste niveaus worden opgenomen: er worden gegevens van de respondent en gegevens van de relatie tussen respondent en nominee gebruikt. Op het niveau van de respondent blijken de volgende factoren van invloed op de rol van cocaïne in een relatie:
 
- Leeftijdscategorie -0,29 (0,10)
- Respondent gebruikt voornamelijk in werkcircuit 1,59 (0,51)
- Respondent gebruikt voornamelijk in harddrugsscene 1,51 (0,42)
 
Uit bovenstaande regressie-coëfficiënten (tussen haakjes de standaardfouten) blijkt dat de leeftijd van de respondenten een verzwakkend effect heeft op de rol van cocaïne in de relaties. Dit betekent dat de relaties van oudere respondenten minder in het teken staan van cocaïne, dan die van jongere respondenten. Voor relaties van respondenten, die hebben opgegeven dat zij voornamelijk op het werk gebruiken, blijkt dat cocaïne een belangrijke rol speelt. Het betreft hier vier respondenten die allen werken in de horeca. De gemiddelde schaalwaarde voor de relaties van deze respondenten is 3,7 (het algemeen gemiddelde voor alle relaties is 2,2). Voor relaties van respondenten die voornamelijk cocaïne in de harddrugsscene gebruiken, is cocaïne ook zeer belangrijk in hun relaties. De gemiddelde schaalwaarde voor de relaties van de respondenten uit de harddrugsscene is 3,9.
Op het niveau van de relaties blijken de volgende factoren van invloed op de rol van cocaïne in een relatie:
 
- Nominees in sport/hobby circuit -0,91 (0,38)
- Duur gebruik nominee 0,13 (0,05)
 
Het blijkt dat cocaïne in relaties van de respondenten met nominees uit het sport/hobby circuit een onbelangrijke rol speelt, wat betreft het verkrijgen van cocaïne. De gemiddel de schaalwaarde in deze relaties is 2,1. De duur van het gebruik van cocaïne in relaties van door de respondent genoemde gebruikers heeft een versterkend effect op de rol van cocaïne in de relaties. Dit betekent dat naarmate een nominee langer gebruikt, de rol van cocaïne in die relaties belangrijker is dan in relaties waarin de nominee minder lang gebruikt.
Verder zijn er significante effecten gevonden tussen kenmerken van de respondent in interactie met kenmerken van de relaties. Deze zijn:
 
- Opleidingsniveau respondent WO/HBO, nominees in het werkcircuit -0,81 (0,38)
- Geslacht respondent man en geslacht nominee vrouw -0,78 (0,24)
 
Wanneer een respondent een opleiding heeft gevolgd op WO- of HBO-niveau en hij noemt een nominee uit het werkcircuit, dan blijkt de rol van cocaïne in deze relaties weinig betekenis te hebben. De gemiddelde schaalwaarde voor deze relaties is 1,6. Blijkbaar weet men in deze werksituaties wel van elkaar dat men gebruikt, maar is de cocaïne slechts bijzaak in de relaties. In relaties waarin de respondenten mannen zijn en de nominees vrouwen, blijkt dat de rol van cocaïne minder belangrijk is.
6.2    Omvangsschattingen
Het aantal cocaïnegebruikers in Rotterdam wordt geschat met behulp van twee schatters(13). Beide schatters maken gebruik van data verkregen uit een sneeuwbal steekproef van de populatie. De schatters gaan uit van een aselecte 'one-wave' steek proef. De aselect getrokken respondenten vormen de initiële steekproef. Het aantal initiële respondenten wordt genoteerd met n. De respondenten noemen vervolgens andere personen van de populatie die voldoen aan het insluitingscriterium. Deze verzameling nieuw genoemde gebruikers vormen de zogenoemde eerste 'snowball wave'. In het onderzoek van Rotterdam vormen de respondenten die oorspronkelijk benaderd zijn de initiële steekproef. De andere cocaïnegebruikers die zij noemen moeten voldoen aan het volgende insluitingscriterium: men moet in totaal minimaal 25 keer cocaïne hebben gebruikt en/of minimaal vijf keer de laatste zes maanden. Bovendien moeten de genoemde gebruikers in Rotterdam wonen. De nominees die door de oorspronkelijk benaderde respondenten zijn genoemd, vormen de eerste 'snowball wave'.
De eerste schatter v1 is gedefinieerd als:
 
schatter v1
 
 
waarin T01 het aantal nieuw genoemde gebruikers door de initiële respondenten, dus als een gebruiker meerdere malen genoemd wordt dan wordt hij ook meerdere malen meegeteld,
T00 het aantal malen dat respondenten andere respondenten noemt, de zoge naamde respondent-verwijzingen.
 
De tweede schatter v2 is gedefinieerd als:
 
schatter v1
 
 
waarin M het aantal nieuw genoemde gebruikers door de initiële respondenten, als een gebruiker meerdere malen genoemd wordt dan wordt hij eenmaal meegeteld,
M00 het aantal respondent-verwijzingen waarbij meerdere malen genoemde respondenten eenmaal meegeteld worden.
 
Beide schatters kunnen worden begrepen in termen van de capture-recapture gedach te waarin capture wordt geïnterpreteerd als 'getrokken' in de initiële steekproef en recap ture als genoemd worden door gebruikers uit de initiële steekproef, met andere woorden de respondent-verwijzingen(14). Zoals reeds geschreven gaan beide schatters uit van een aselect getrokken steekproef. Dit is een belangrijke assumptie, die in het onderzoek van Rotterdam niet kan worden vervuld. Cocaïnegebruikers vormen immers een moeilijk toegankelijke groep (hidden population), terwijl er bovendien geen steekproefkader aanwezig is. Daarom is in het onderzoek geprobeerd via verschillende 'targets' zo ge varieerd mogelijk afzonderlijk van elkaar initiële respondenten te vinden. In hoeverre deze variatie, in principe bedoeld als een benadering van een aselecte steekproef, gelukt is, is in grote mate afhankelijk van de onafhankelijkheid in het vinden van de verschillen de respondenten door de veldwerkers. Als bijvoorbeeld twee respondenten in dezelfde uitgaansgelegenheid zijn gevonden op dezelfde avond of als deze gelegenheid voor beiden hun stamkroeg blijkt te zijn, dan is de kans groot dat zij elkaar kennen en noemen. Deze kans is kleiner wanneer twee respondenten worden gevonden in verschillende, geografisch ver uit elkaar gelegen, uitgaansgelegenheden.
In Rotterdam zijn in totaal 110 respondenten geïnterviewd. Van deze 110 respon denten vormen 84 de initiële steekproef (de overige 26 zijn verlengingen). Van deze 84 beginrespondenten werken 9 niet mee bij het noemen van andere gebruikers. Hiervan zijn drie wel genoemd door andere beginrespondenten; deze drie worden opgevat als nominees. Hetzelfde geldt voor vijf andere respondenten die wel meegewerkt hebben aan het noemen van andere gebruikers, maar selectief zijn gevonden (bijvoorbeeld via kennis sen van veldwerkers). Zo blijven er n=70 respondenten en M=824 nominees over voor de eerste schattingen.
 
schatter schatting (standaardfout)
v1 2.278 (505)
v2 2.777 (629)
 
Deze schattingen zijn laag ten opzichte van schattingen uit andere bronnen (Intraval 1989, Toet en Geurs 1992). Bij nadere analyse blijkt dit te worden veroorzaakt door het hoge aantal respondent-verwijzingen tussen de respondenten. Dit is een indicatie dat de beginrespondenten, ondanks alle voorzorgsmaatregelen, niet allemaal onafhankelijk van elkaar zijn gevonden. Schema 6.3 geeft een beeld van de initiële steekproef, nadat het hoge aantal respondent-verwijzingen nader is geanalyseerd.
Schema 6.3
Onderverdeling respondent-verwijzingen over de ingangen in de steekproef
Onderverdeling respondent-verwijzingen over de ingangen in de steekproef
 
Het blijkt dat er twee gescheiden ingangen zijn. Respondenten gevonden in de uitgaanswereld noemen alleen andere respondenten die ook gevonden zijn in de uitgaans wereld. Respondenten die via de hulpverlening of in het Huis van Bewaring zijn gevonden, vormen met de respondenten die via advertenties of via het veldwerk gevonden zijn, één gezamenlijke ingang, omdat twee respondenten uit de ingang advertentie/veldwerk twee andere respondenten uit de ingang hulpverlening/Huis van Bewaring noemen.
Om tot betrouwbaardere schattingen te komen is het noodzakelijk na te gaan welke respondenten in de initiële steekproef niet onafhankelijk van elkaar zijn gevonden. Indien bijvoorbeeld een respondent tegen een veldwerker heeft gezegd 'je moet daar eens kijken' en er wordt inderdaad een nieuwe respondent gevonden, dan kan deze nieuwe respondent niet als onafhankelijk gevonden worden beschouwd, maar als een selectieve verlenging. Een andere vorm van niet onafhankelijk gevonden respondenten is dat twee respondenten of samen voor een interview komen of samen zijn gevonden in het veld. Er blijken 24 respondenten niet onafhankelijk van elkaar gevonden te zijn. Om in redelijke mate aan de assumptie van een aselecte beginsteekproef tegemoet te komen, moet uit elke groep 'tegelijk' gevonden respondenten door loting één worden uitgekozen. Voor de op deze wijze beperkte dataset kunnen dan de schatters worden uitgerekend. Op deze manier is er tien maal geschat met tien populaties waarin de respondenten die niet onafhankelijk van elkaar zijn gevonden aselect zijn weggelaten. Als twee respondenten A en B niet onafhankelijk van elkaar gevonden zijn, dan wordt in de eerste schattingspopulatie bijvoorbeeld respondent A verwijderd, in de tweede schattingspopulatie respondent B, in de derde respondent B enzovoort. Dit gebeurt met alle groepen niet onafhankelijk gevonden respondenten.
De gemiddelden voor de schatters zijn:
   
 
schatter schatting (standaardfout)
v1' 8.675 (4754)
v2' 8.545 (4620)
 
Een andere manier om het aantal gebruikers te schatten, is het schatten per ingang. Uit schema 6.3 blijkt dat er sprake is van twee gescheiden ingangen. Zo blijken van de 23 respondenten uit het uitgaansleven tien respondenten niet onafhankelijk van elkaar te zijn gevonden. Er wordt tien maal geschat voor deze ingang, waarbij de respondenten die niet onafhankelijk van elkaar zijn gevonden aselect om en om worden verwijderd. Het zelfde is gedaan voor de respondenten die gevonden zijn via de andere ingang (hulpverle ning en Huis van Bewaring met advertenties en veldwerk). Zo blijken van de 47 respondenten uit deze ingang 14 respondenten niet onafhankelijk van elkaar te zijn gevonden. De gemiddelden voor de schatters wanneer beide ingangen bij elkaar zijn opgeteld, luiden:
 
schatter schatting (standaardfout)
v1'' 8.833 (3596)
v2'' 8.701 (3320)
 
Het blijkt dat beide benaderingen, dat wil zeggen voor alle onafhankelijk gevonden beginrespondenten en voor de twee aparte ingangen tot schattingen van rond de 8.700 gebruikers komen. De hoge standaardfouten van de schatters geven de mate van onnauwkeurigheid van de schattingen aan. Er zijn enkele redenen waardoor kan worden verondersteld dat de schattingen onderschattingen zijn. De eerste is dat de beginrespondenten te veel in het centrum van het netwerk zijn gevonden. Dit komt, omdat respondenten in het centrum van een netwerk een hogere kans hebben om gevonden te worden aangezien zij meer mensen kennen en door meer mensen gekend worden. Dit zal leiden tot een groot aantal respondent-verwijzingen. De tweede reden is dat het insluitingscriterium onder andere '25 maal cocaïne gebruikt of meer' bevat. Hierdoor zijn gebruikers die wel aan dit criterium voldoen, maar in een grijs verleden cocaïne hebben gebruikt en reeds enige tijd zijn gestopt, naar alle waarschijnlijkheid voor een groot deel niet gevonden en niet genoemd.
Daarnaast bestaat in de statistiek een vuistregel dat een geschatte grootheid gewoonlijk binnen twee maal de standaardfout van de schatter ligt. Daar er redenen zijn om te veronderstellen dat bovenstaande schattingen onderschattingen zijn, kan men stellen dat er minimaal 5000 cocaïnegebruikers in Rotterdam zijn, die voldoen aan het insluitingscriterium. Het maximale aantal gebruikers zal volgens de vuistregel binnen twee standaardfouten van de schattingen liggen. Het is echter onbekend in hoeverre er sprake is van een onderschatting, zodat het maximale aantal gebruikers 20.000 kan zijn. Er van uitgaande dat de steekproef van een behoorlijk goede kwaliteit is, waarbij voldoende aandacht is besteed aan de spreiding van de initiële respondenten en dat de ex-gebruikers uit een ver verleden slechts een kleine groep vormen, kan men stellen dat de best mogelijke schatting van het aantal cocaïnegebruikers dat voldoet aan het insluitingscriterium rond de 12.000 zal liggen(15). Dit is overigens 2% van de totale Rotterdamse bevolking.
Noten
1. Deze benadering wordt verder uitgewerkt in het nog te publiceren artikel 'Analysing the role of cocaine in relationships: two approaches of personal network analysis' van T.A.B. Snijders, M. Spreen en R. Zwaagstra.
2. Het circuit waarin een respondent wordt ingedeeld is het circuit waarin men zelf voornamelijk gebruikt. Dit is een ander indelingscriterium dan het relationele inde lingscriterium dat de respondent hanteert voor het noemen van andere gebruikers. De respondent deelt andere hem bekende gebruikers in, in het circuit waarvan hij de nominee kent.
3. Er zijn slechts vier respondenten in het werkcircuit en één in het sport/hobby circuit die deze circuits als voornaamste circuit van gebruik hebben opgegeven. Deze zijn derhalve niet in de tabel opgenomen. Dit betekent echter niet dat er bijna geen gebruikers zijn in deze circuits. Zoals reeds beschreven zijn er 209 personen in het werkcircuit en 79 personen in het hobby/sport circuit door de 95 respondenten inge deeld.
4. De aantallen gebruikers in de vijf circuits die de respondenten uit het uitgaansleven en het thuiscircuit noemen, zijn tegelijkertijd (simultaan) met elkaar getoetst. Het blijkt dat de vijf gemiddelden in de circuits van respondenten uit het uitgaansleven niet significant verschillen met de vijf gemiddelden van respondenten uit het thuiscircuit (p > 0.05).
5. Dit is getoetst met een t-toets voor gemiddelden (p < 0.05)
6. De aantallen gebruikers in de vijf circuits die de respondenten noemen uit enerzijds het thuiscircuit en de uitgaanswereld en anderzijds de harddrugsscene, zijn tegelijker tijd (simultaan) met elkaar getoetst. Het blijkt dat de vijf gemiddelden in de circuits van respondenten uit het uitgaansleven en het thuiscircuit (gecombineerd) significant verschillen met de vijf gemiddelden van respondenten uit de harddrugsscene (p < 0.01).
7. De relatiepatronen van de persoonlijke netwerken zijn geanalyseerd met een principale componenten analyse. Daar er echter weinig respondenten zijn voor een betrouwbare analyse, worden de resultaten gebruikt om een indruk te krijgen welke circuits onge correleerd ten opzichte van elkaar zijn en welke circuits onderling hoog gecorreleerd zijn.
De eerste principale component voor de relatiepatronen van respondenten uit het uitgaans + thuiscircuit is (73 respondenten):
uitgaanswereld    .75
werkcircuit    .49
thuiscircuit    -.15
hobby/sport circuit   .41
harddrugsscene    .72
De eerste principale component voor de relatiepatronen van respondenten uit de harddrugsscene is (22 respondenten):
uitgaanswereld    .79
werkcircuit    .77
thuiscircuit    .25
hobby/sport circuit    .73
harddrugsscene    .66
8. Zo zijn er respondenten die alleen gebruikers in het thuiscircuit noemen, respondenten die weinig (veel) gebruikers in het thuiscircuit noemen en weinig (veel) gebruikers in de overige vier circuits en respondenten die weinig (veel) gebruikers in het thuiscircuit noemen maar veel (weinig) gebruikers uit de overige vier circuits.
9. De volgende combinaties is ook de waarde nul toegekend:
- altijd in een context van cocaïne en de nominee weet niet van de respondent dat deze ook gebruikt (1 relatie);
- meestal in een context van cocaïne en de nominee weet niet van de respondent dat deze ook gebruikt (2 relaties);
soms in een context van cocaïne en de nominee weet niet van de respondent dat deze ook gebruikt (7 relaties).
In deze combinaties is in feite geen sprake van een relatie, zodat cocaïne in deze 'relaties' geen rol speelt.
10. Op basis van de volgende vragen is de schaal geconstrueerd:
a) Vindt het contact met de nominee plaats in een context van cocaïne?
1. Altijd; 2. Meestal; 3. Af en toe; 4. Nooit
b) Weet de nominee van u dat u cocaïne gebruikt?
1. Ja; 2. Nee; 3. Onbekend
c) Heeft het verkrijgen van cocaïne van u en van de nominee iets met elkaar te maken de laatste zes maanden?
1. Ja, ik krijg/koop cocaïne van nominee; 2. Ja, nominee krijgt/koopt cocaïne van mij; 3. Ja, het verkrijgen of kopen gaat om en om; 4. Ja, we krijgen/kopen het van een derde; 5. Nee, er is geen connectie tussen ons, maar we hebben wel dezelfde dealer; 6. Nee, er is geen enkele connectie tussen ons.
11. De 95 respondenten noemen in totaal 439 relaties. Op het moment van interviewen gebruiken 32 respondenten geen cocaïne. Deze respondenten zijn niet in de analyses opgenomen omdat hier geen sprake is van een cocaïnerelatie. De overgebleven 63 respondenten noemen in totaal 309 relaties. In deze relaties blijkt in 14 relaties dat de nominee niet weet dat de respondent gebruikt. Ook deze relaties zijn buiten de analyses gehouden. De onderzochte relaties zijn hier al die relaties, waarbij ook de nominee weet dat de respondent cocaïne gebruikt: het zijn dus wederzijdse relaties wat betreft de kennis van elkaars cocaïnegebruik. In totaal blijven 259 relaties van 63 respondenten over.
12. De verschillende relaties die eenzelfde respondent heeft, zijn niet onafhankelijk van elkaar. Daarom kan een gewone regressie-analyse niet worden uitgevoerd. Deze gaat immers uit van de onafhankelijkheid tussen relaties van een respondent. Het relatie-niveau is genest in het respondent-niveau. Voor een inleiding in de multi- niveau analyse zie bijvoorbeeld: Goldstein, H. (1987). Multilevel Models in Educational and Social Research. Oxford University Press, New York.
13. Voor een uitvoerigere beschrijving van deze twee schatters, zie het nog te publiceren artikel 'Estimation of hidden populations by using snowball sampling' van O. Frank (Universiteit van Stockholm) en T.A.B. Snijders (Universiteit van Groningen). In dit artikel worden meerdere schatters besproken.
15. De eerste en de tweede schatter zijn nauw met elkaar verbonden. Wanneer het gemiddelde aantal keren dat een persoon in de initiële steekproef wordt genoemd door anderen in de initiële steekproef gelijk is aan het gemiddelde aantal malen dat een individu buiten de initiële steekproef wordt genoemd door personen in de initiële steekproef, dan is T00/T01 gelijk aan M00/M en hebben beide schatters dezelfde uitkomst. Respondenten hebben om verschillende redenen moeite namen van andere gebruikers te noemen. Daarom is in het onderzoek gevraagd naar de eerste twee letters van de voor- en achternaam, eventuele bijnaam, leeftijdscategorie en het beroep. Uit de combinatie van deze kenmerken worden vervolgens de personen in de first wave onderscheiden. Dit is geen eenvoudige zaak, hetgeen blijkt uit het feit dat bij de 1041 nieuw genoemde namen van de 85 initiële respondenten sprake is van de volgende percentages missing data: letters voornaam 2%; letters achternaam 32%; sexe 0,4%; leeftijd 0,4%; beroep 9%. Het blijkt dat bij bijna een derde de eerste twee letters van de achternaam ontbreekt en bij bijna een tiende het beroep. Deze twee zijn, samen met de letters van de voornaam, de beste onderscheiders. Vandaar dat schatter v1 betrouwbaarder is dan v2, omdat in deze schatter alleen de respondenten geïdentificeerd moeten worden. Over de respondenten zijn meer gegevens beschikbaar.
14. Er dient te worden opgemerkt dat deze grenzen (5.000 tot 20.000) aangeven wat over het aantal cocaïnegebruikers kan worden geconcludeerd op basis van alleen de statistische analyse van deze sneeuwbalsteekproef. Voor zover betrouwbare andere informatie beschikbaar komt, kan deze worden gebruikt om de hier verkregen schatting bij te stellen en nauwkeuriger te maken.
vorige   volgende
Colofon en inhoudsopgave
Hoofdstuk 1    Inleiding en probleemstelling
Hoofdstuk 2    Verkooppunten
Hoofdstuk 3    Algemene impressies
Hoofdstuk 4    Karakteristieke kenmerken
Hoofdstuk 5    Typologie
Hoofdstuk 6    Spreiding, verspreiding en omvang
Hoofdstuk 7    Conclusies en discussie
Samenvatting
Literatuur
Bijlage A    Verklarende woordenlijst
Bijlage B    Beroepsclassificatie naar soorten
Bijlage C    Patronen van gebruik
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.