INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies<
 
In Grote Lijnen
Hoofdstuk 4    Karakteristieke kenmerken (deel 4)
4.6    Problemen en hulpverleningscontacten
Uit de interviews blijkt dat ruim de helft (55%) van de respondenten problemen kent die samenhangen met het cocaïnegebruik. Dit varieert van katergevoelens de volgende ochtend tot abcessen in verband met spuiten. Een kwart van de respondenten geeft aan ernstige problemen te kennen in samenhang met cocaïne: zij geven aan zowel fysieke, psychische, relationele, als economische problemen te kennen, of noemen zichzelf cocaïneverslaafd. Van de overigen heeft het merendeel problemen van psychische aard. Zowel wat betreft het voorkomen van problemen als het soort problemen, is er geen verschil geconstateerd tussen mannen en vrouwen. Opiaatgebruikers kennen daarentegen vaker problemen die samenhangen met het cocaïnegebruik dan niet-opiaatgebruikers, respectievelijk 83% en 40%. Ze zijn ook vaker verslaafd aan cocaïne dan niet-opiaatgebruikers, respectievelijk 51% versus 11%.
Snuivers kennen beduidend minder vaak problemen met het gebruik dan respondenten die basen, injecteren of chinezen, 36% versus 92% in de periode van het zwaarste gebruik(13). Bovendien blijken snuivers minder vaak verslaafd dan de overige respondenten. Zij noemen daarentegen vaker psychische problemen (zie figuur 4.15). Zowel wat betreft het optreden van problemen als de soorten problemen is er geen verschil tussen opiaatgebruikers en niet-opiaatgebruikers die op een zelfde wijze gebruiken.
Figuur 4.15
Soorten problemen en wijze van gebruik in de periode van het zwaarste gebruik
Soorten problemen en wijze van gebruik in de periode van het zwaarste gebruik
 
Uit figuur 4.16 blijkt dat de grens voor het optreden van problemen tussen wekelijks en maandelijks gebruik ligt.
Figuur 4.16
Problemen en frequentie van gebruik in de periode van het zwaarste gebruik
Problemen en frequentie van gebruik in de periode van het zwaarste gebruik
 
   
De grens voor ernstige problemen (verslaving) ligt tussen dagelijks en wekelijks gebruik: van de dagelijks gebruikende respondenten met problemen is de helft (53%) verslaafd, tegenover geen enkele respondent die wekelijks gebruikt(14).
Ten aanzien van cocaïne heerst het idee dat problemen, in het bijzonder afhanke lijkheidsproblemen, pas na een lange gebruiksduur optreden. Het afhankelijkheidsaspect van cocaïne lijkt wat dit betreft meer overeenkomsten te vertonen met de alcoholversla ving dan met de heroïneverslaving. Er is echter geen (significant) verband aangetroffen tussen gebruiksduur en het optreden van problemen. Hetzelfde geldt voor gebruiksduur en het soort problemen. Pas wanneer opiaatgebruikers en niet-opiaatgebruikers worden onderscheiden, treedt er een significant verschil op. Tegen de verwachting in hebben niet-opiaatgebruikers die korter dan vijf jaar gebruiken significant vaker problemen dan niet-opiaatgebruikers met een langere gebruiksduur. Voor niet-opiaatgebruikers geldt eveneens dat er een verband bestaat tussen het optreden van problemen en het stoppen met het cocaïnegebruik: van degenen die zijn gestopt kende 79% problemen die samenhingen met het gebruik, van degenen die ten tijde van het interview nog steeds gebruiken slechts 27%. Dit wijst erop dat een groot deel van de niet-opiaatgebruiker bij het optreden van problemen overgaat tot abstinentie. Voor opiaatgebruikers is een dergelijke verband tussen het optreden van problemen en abstinentie niet aangetroffen(15).
Ruim een derde (38%) van de respondenten heeft in het kader van het drugsgebruik, in het bijzonder het cocaïnegebruik, contact (gehad) met de hulpverlening. Van degenen die aangeven problemen te kennen met het cocaïnegebruik heeft bijna twee derde (64%) de hulpverlening bezocht. Bij de respondenten die zowel fysieke, psychische, relationele als economische problemen kennen, of zichzelf als cocaïneverslaafd beschouwen, bedraagt dit percentage 85%. Het is niet verwonderlijk dat opiaatgebruikers (86%) vaker contact hebben met de hulpverlening dan niet-opiaatgebruikers (14%), gezien de grotere mate van problemen die zij ondervinden met hun cocaïnegebruik. Voor opiaatgebruikers bestaat het merendeel van de hulpverleningscontacten uit contact met methadonverstrekkende instanties (70%). Dit wijst erop dat de hulp die hen geboden wordt vaak in eerste instantie is gericht op heroïnegebruik. Van de tien niet-opiaatgebruikers met hulpverleningscontacten, hebben drie contact gehad met het CAD of de reclassering, twee met de geestelijke gezondheidszorg en eveneens twee met de eerstelijns gezondheidszorg.
Uit het voorgaande blijkt dat de helft van de respondenten aangeeft problemen te hebben met het cocaïnegebruik. Deze lopen uiteen van een kater de volgende dag tot heftige gevoelens van craving. Een kwart kent ernstige problemen: zij kunnen als cocaïneverslaafd worden beschouwd. Wat betreft het optreden van problemen ligt de grens tussen wekelijks en maandelijks gebruik. Voor het optreden van verslavingsproblemen ligt de grens tussen dagelijks en wekelijks gebruik. Opiaatgebruikers hebben in het algemeen vaker problemen en zijn vaker verslaafd dan niet-opiaatgebruikers. Hetzelfde geldt voor snuivers versus niet-snuivers. In tegenstelling tot de verwachting is het optreden van (verslavings)problemen in het algemeen onafhankelijk van de gebruiksduur. Niet-opiaatgebruikers met problemen kennen zelfs een kortere gebruiksduur dan degenen zonder problemen. Wanneer er problemen optreden, blijkt een groot deel van de niet-opiaatgebruikers te stoppen met het gebruik. Van alle respondenten die aangeven problemen te kennen met cocaïne, heeft twee derde contact (gehad) met de hulpverlening, van degenen met afhankelijkheidsproblemen 85%. Voor opiaatgebruikers die problemen kennen met het cocaïnegebruik geldt dat hen veelal hulp geboden wordt binnen methadonprogramma's, die gericht zijn op heroïneproblemen. De helft van de verslaafde respondenten die geen opiaten gebruiken en die contact hebben met de hulpverlening, is pas in het Huis van Bewaring in aanraking gekomen met de hulpverlening (het CAD of de reclassering).
4.7    Samenhang tussen enkele belangrijke variabelen
In de voorafgaande paragrafen zijn de samenhangen tussen kenmerken van de gebruikers onderzocht door steeds de onderlinge samenhang tussen twee variabelen te bestuderen. Een aantal variabelen blijkt met verschillende andere variabelen samen te hangen, bijvoorbeeld de wijze van gebruik met onder meer de frequentie van gebruik, criminaliteit en het hebben van problemen. Verder inzicht kan worden verkregen door meerdere variabelen in hun totale onderlinge samenhang te bestuderen. Dit kan worden uitgevoerd met de methode van loglineaire analyse (zie o.a. Wickens 1989). Deze methode laat zien dat er een aantal interessante samenhangen van meerdere variabelen met elkaar zijn, die in deze paragraaf worden gepresenteerd.
De intensiteit van gebruik is samengesteld uit diverse, sterk met elkaar samenhangende variabelen, namelijk: belangrijkste wijze van gebruik (snuiven versus andere wijzen), frequentie en hoeveelheid(16). Deze intensiteit van gebruik, het al dan niet gebruiken van opiaten, en de sexe zijn drie variabelen die veel van de andere variabelen in belangrijke mate bepalen. Van de diverse variabelen die de intensiteit van gebruik aangeven, blijkt de wijze van gebruik, ingedeeld volgens snuiven versus andere gebruikswijzen, een goede samenvatting. Wanneer de wijze van gebruik wordt opgenomen, verklaren de variabelen frequentie en hoeveelheid van gebruik in het algemeen weinig extra. De indeling snuiven versus niet-snuiven wordt in het onderstaande dan ook gebruikt als manier om de intensiteit van gebruik samen te vatten. Met 'niet snuiven' wordt kortweg aangegeven, dat de belangrijkste gebruikswijze in de periode van het zwaarste gebruik een andere dan snuiven is. De samenhang van enerzijds opiaatgebruik, sexe en het al dan niet snuiven met anderzijds criminaliteit (in de periode van het zwaarste gebruik), betrokkenheid bij de cocaïnehandel, het aanwezig zijn van problemen, verslavingsproblemen en van hulpverleningscontacten, wordt weergegeven in tabel 4.7.
Tabel 4.7
Cocaïnegebruikers ingedeeld in groepen middels opiaatgebruik, sexe en snuiven, gevolgd door het totaal aantal respondenten. Van deze het aantal: met criminele activiteiten (Crim); betrokken bij de cocaïnehandel (Handel); met cocaïneproblemen (Probl); cocaïneverslaaf den (Versl); met hulpverleningscontacten (Hulpv)
Opiaten Sexe Snuiven Totaal Crim Handel Probl Versl Hulpv

Ja Man - 23 22 8 21 13 21
+ 5 1 2 2 0 2
Vrouw - 5 4 1 5 4 5
+ 1 1 1 1 1 1
Nee Man - 8 7 5 7 5 6
+ 52 15 18 19 3 4
Vrouw - 2 0 0 1 0 0
+ 12 1 0 3 0 0

 
Tabel 4.7 dient als volgt te worden gelezen: er zijn 23 mannelijke opiaatgebruikers die niet snuiven (te vinden in de kolom Totaal). Van deze 23 mannen zijn er 22 crimineel actief (kolom Crim); van de 23 zijn er 8 betrokken bij de handel (kolom Handel); van de 23 hebben er 13 verslavingsproblemen (kolom Versl) etcetera. Uit tabel 4.7 blijkt het volgende:
  • Kolom Totaal: opiaatgebruik gaat samen met niet snuiven; deze samenhang geldt voor mannen en vrouwen.
  • Kolom Crim: mannen die niet snuiven plegen vrijwel allen criminele activiteiten; voor vrouwen die niet snuiven geldt dit alleen voor de opiaatgebruiksters onder hen.
  • Kolom Handel: van de mannen is bijna 40% bij de cocaïnehandel betrokken, van de vrouwen slechts 10%; het gaat hier alleen om opiaatgebruikende vrouwen (20%).
  • Kolom Probl: problemen hebben dezelfde samenhang met snuiven, opiaatgebruik en sexe als criminaliteit: mannen die niet snuiven hebben vrijwel allen problemen met het cocaïnegebruik; voor vrouwen die niet snuiven geldt dit alleen voor de opiaatgebruik sters onder hen;
  • Kolom Versl: niet-opiaatgebruikers zijn minder vaak cocaïneverslaafd dan opiaatgebruikers; 63% van de mannelijke niet-opiaatgebruikers die niet snuiven is echter verslaafd.
  • Kolom Hulpv: van degenen die problemen hebben met het cocaïnegebruik hebben vrijwel allen contacten met de hulpverlening, behalve vrouwen die geen opiaten gebruiken, en de meeste mannen die geen opiaten gebruiken en snuiven. In totaal hebben meer personen contacten met de hulpverlening dan er personen met verslavingsproblemen zijn, met name bij de opiaatgebruikers (hetgeen waarschijnlijk wordt veroorzaakt door hun contacten met de reclassering in het Huis van Bewaring).
Van de grootste groep, mannen die vooral snuiven en geen opiaten gebruiken, vertoont de nadere uitsplitsing naar frequentie van gebruik interessante bevindingen (zie tabel 4.8).
Tabel 4.8
Opiaten Sexe Snuiven Freq* Totaal Crim Handel Probl Versl Hulpv

Nee Man + 1 17 8 11 12 3 4
2 19 6 4 7 0 0
3 16 1 3 0 0 0

* Categorieën van frequentie zijn: 1. dagelijks; 2. wekelijks; 3. minder dan wekelijks
   
Tabel 4.8 laat zien dat binnen de groep mannelijke gebruikers die vooral snuiven en geen opiaten gebruiken, er een grote spreiding is in frequentie van gebruik. In deze groep hangt zowel criminaliteit, betrokkenheid bij de cocaïnehandel, het hebben van problemen, als verslavingsproblemen, sterk samen met de frequentie van gebruik. De groep die minder dan dagelijks gebruikt en problemen heeft, heeft geen hulpverleningscontacten. De frequentie van gebruik hangt uiteraard sterk samen met de hoeveelheid gebruikte cocaïne per maand. De samenhang met de gebruikte hoeveelheid is soortgelijk als de hierboven aangegeven samenhang met frequentie.
Uit het voorgaande blijkt dat de wijze van gebruik (snuiven versus niet-snuiven), opiaatgebruik en sexe, drie onderling sterk samenhangende variabelen zijn, die de volgende variabelen in belangrijke mate bepalen: criminaliteit, betrokkenheid bij de cocaïnehandel, problemen met gebruik, verslavingsproblemen en hulpverleningscontacten. Door het bestuderen van de drie variabelen in hun totale onderlinge samenhang, is aanvullende informatie verkregen. Zo blijken bijna alle mannen die niet snuiven crimineel actief te zijn en tevens problemen te kennen. Onder niet-snuivende vrouwen is dit slechts bij opiaatgebruikers het geval. Wanneer naast de wijze van gebruik ook gekeken wordt naar de frequentie van gebruik, blijkt dat binnen de groep mannelijke gebruikers die vooral snuiven en geen opiaten gebruiken, de dagelijks gebruikende mannen vaker crimineel actief zijn, vaker betrokken zijn bij de handel, en vaker (verslavings)problemen en hulpverleningscontacten hebben dan de mannen die minder dan dagelijks gebruiken.
Noten
1. Bijna een kwart (72%) van de niet-opiaatgebruikers die zijn gestopt met het cocaïnegebruik kennen een gebruiksduur korter dan vijf jaar, tegenover 22% van de niet-opiaatgebruikers die nog steeds gebruiken.
2. In tegenstelling tot niet-opiaatgebruikers is de gebruiksduur bij hen onafhankelijk van het feit of ze wel of niet zijn gestopt.
3. De helft van deze personen gebruikt momenteel of tijdens periode van laatste gebruik alleen nog cocaïne, de helft naast cocaïne ook andere soorten drugs, echter geen opiaten.
4. Wat dit betreft is er weinig verschil tussen opiaatgebruikers en niet-opiaatgebruikers.
5. Onder niet-opiaatgebruikers komt injecteren niet voor en is chinezen slechts voor twee personen de belangrijkste gebruikswijze. Er zijn dan ook geen verschillen aan te geven tussen opiaatgebruiker en niet-opiaatgebruikers die injecteren of chinezen.
6. Niet iedere respondent heeft de berekende hoeveelheid daadwerkelijk in één maand gebruikt; in een aantal gevallen duurde de periode van het zwaarste gebruik korter dan een maand.
7. Zie noot 5.
8. Ook voor de overige periodes van gebruik is een dergelijk verband aangetroffen.
9. Zie noot 8.
10. Het percentage dat in periode van zwaarste gebruik een illegaal inkomen verwerft (43%) komt nagenoeg overeen met het percentage dat in deze periode crimineel actief is (48%). Dit is te verklaren uit het feit dat de belangrijkste criminele activitei ten bestaan uit activiteiten waardoor direct of indirect een inkomen wordt verworven; geweldsdelicten en vandalisme blijken van ondergeschikt belang bij vermogensdelicten en activiteiten in de drugshandel.
11. De respondenten zijn in de eerste periode jonger. Zoals bekend vindt een belangrijk deel van de criminaliteit in de jeugdjaren plaats. Bij het ouder worden houdt de criminaliteit bij velen op (zie o.a. Junger-Tas en Kruissink 1990).
12. Zie noot 8.
13. Zie noot 8.
14. De gegevens met betrekking tot de frequentie van gebruik hebben betrekking op de frequentie in de periode van het zwaarste gebruik.
15. Er is geen relatie tussen stoppen met gebruik en het soort probleem.
16. In de berekeningen is uitgegaan van de wijze, de frequentie en de hoeveelheid van gebruik in de periode van het zwaarste gebruik.
vorige   volgende
Colofon en inhoudsopgave
Hoofdstuk 1    Inleiding en probleemstelling
Hoofdstuk 2    Verkooppunten
Hoofdstuk 3    Algemene impressies
Hoofdstuk 4    Karakteristieke kenmerken
Hoofdstuk 5    Typologie
Hoofdstuk 6    Spreiding, verspreiding en omvang
Hoofdstuk 7    Conclusies en discussie
Samenvatting
Literatuur
Bijlage A    Verklarende woordenlijst
Bijlage B    Beroepsclassificatie naar soorten
Bijlage C    Patronen van gebruik
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.