INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies<
 
In Grote Lijnen
Hoofdstuk 4    Karakteristieke kenmerken (deel 2)
Zoals bekend is snuiven de meest voorkomende wijze waarop cocaïne wordt gebruikt. Dit geldt voor de Rotterdamse respondenten voor iedere gebruiksperiode. In de periode van het zwaarste gebruik wordt cocaïne echter vaak op meerdere wijzen geconsumeerd. Voor de meerderheid van de respondenten blijft snuiven echter de belangrijkste gebruikswijze (zie figuur 4.5 en 4.6).
Figuur 4.5
Wijzen van gebruik in de verschillende periodes
Wijzen van gebruik in de verschillende periodes
 
Figuur 4.6
Belangrijkste wijze van gebruik in de verschillende periodes
Belangrijkste wijze van gebruik in de verschillende periodes
 
Alhoewel snuiven de belangrijkste gebruikswijze is, blijkt uit figuur 4.6 dat het belang van basen en injecteren in de periode van het zwaarste gebruik toeneemt. Het merendeel van de respondenten (70%) gebruikt gedurende de gehele gebruikscarrière echter op dezelfde wijze. Er bestaat een duidelijk verband tussen de wijze waarop cocaïne wordt gebruikt en de soorten drugs die men gebruikt (zie tabel 4.2). Opiaatgebruikers nemen cocaïne vaker op verschillende wijzen tot zich dan niet-opiaatgebruiker (54% versus 28% in de periode van het zwaarste gebruik). Daarnaast blijken opiaatgebruikers cocaïne vaker te injecteren, te chinezen of te basen dan de niet-opiaatgebruikers. Voor de niet-opiaatgebruikers is snuiven de belangrijkste gebruikswijze, een tiende based voornamelijk. Injecteren komt onder niet-opiaatgebruikers niet voor.
Tabel 4.2
Belangrijkste wijze van gebruik in de verschillende periodes voor opiaatgebruikers (O) en niet-opiaatgebruikers (NO) (in procenten)
Eerste periode Laatste periode Zwaarste periode
NO O NO O NO O

snuiven 98 48 89 22 86 17
basen 1 6 10 17 10 17
roken 1 11 1 3 1 -
injecteren - 27 - 33 - 49
chinezen - 6 - 25 3 17

totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100%
n=74 n=35 n=74 n=36 n=74 n=35
 
   
Bij de frequentie van het cocaïnegebruik is een onderscheid gemaakt tussen dagelijks gebruik (vier keer of vaker per week), wekelijks gebruik (één à twee keer per week), maandelijks gebruik (één à twee keer per maand) en minder dan maandelijks gebruik.
Figuur 4.7
Frequentie van het gebruik gedurende de verschillende periodes
Frequentie van het gebruik gedurende de verschillende periodes
 
In het vorige hoofdstuk is reeds vermeld dat in de periode van het zwaarste gebruik de helft (54%) van de respondenten dagelijks gebruikt. In de periode van het eerste gebruik consumeert slechts een kwart (23%) dagelijks, in de laatste periode van gebruik 37%. In vergelijking met de overige beide periodes loopt in de periode van het zwaarste gebruik het maandelijks en minder dan maandelijks gebruik sterk terug: 28% tegenover 47% in de eerste en 41% in de laatste periode van gebruik (zie figuur 4.7).
De frequentie van het gebruik hangt in sterke mate samen met de soorten drugs die de respondenten tot zich nemen (zie tabel 4.3). Niet-opiaatgebruikers consumeren vooral wekelijks, maandelijks, of minder dan maandelijks. Afhankelijk van de periode van gebruik varieert de frequentie echter sterk; in de periode van hun zwaarste gebruik gebruikt ruim een derde (38%) dagelijks. Meer dan de helft van de opiaatgebruikers consumeert in de verschillende periodes dagelijks, in de periode van het zwaarste gebruik zelfs 86%.
Tabel 4.3
Frequentie van gebruik in de verschillende periodes voor opiaatgebruikers (O) en niet-opiaatgebruikers (NO) (in procenten)
Eerste periode Laatste periode Zwaarste periode
NO O NO O NO O

dagelijks 8 56 19 75 38 86
wekelijks 30 29 28 8 38 8
maandelijks 35 12 35 11 17 3
<maandelijks 27 3 18 6 7 3

totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100%
n=74 n=34 n=74 n=36 n=74 n=36
 
Uit het voorgaande is reeds duidelijk geworden dat de belangrijkste wijze van gebruik sterk samenhangt met de soorten drug die men consumeert. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er een verband bestaat tussen de wijze van gebruik en de frequentie van gebruik. Snuivers consumeren in het algemeen minder frequent dan niet-snuivers. Onder de snuivers is de variatie ook groter. Zo gebruiken de respondenten waarvoor basen, injecteren of chinezen de belangrijkste gebruikswijze is, in de periode van het zwaarste gebruik (bijna) uitsluitend dagelijks (97%). In deze periode gebruikt 40% van de snuivers wekelijks, 31% dagelijks en 29% maandelijks of minder dan maandelijks. Wat betreft de frequentie van het gebruik is er weinig verschil tussen opiaatgebruikers en niet-opiaat gebruikers die op een zelfde wijze gebruiken. Zowel opiaatgebruikers als niet-opiaatge bruikers die basen gebruiken in de periode van hun zwaarste gebruik (vooral) dagelijks. Bij de snuivers treedt echter een klein verschil op; opiaatgebruikers die snuiven gebrui ken vooral dagelijks, niet-opiaatgebruikers die snuiven gebruiken vaker wekelijks(5).
Ook de hoeveelheid cocaïne die door de respondenten wordt gebruikt laat een grote spreiding zien. In het vorige hoofdstuk is al aan de orde gekomen dat de consumptie voor dagelijks gebruikende respondenten varieert van minder dan een halve gram, tot meer dan vijf gram per dag. De respondenten die minder dan maandelijks gebruiken, consumeren doorgaans nog geen gram per maand. De verschillen tussen de respondenten worden pas echt duidelijk, wanneer de gebruikte hoeveelheid cocaïne voor alle respondenten wordt omgerekend naar de gebruikte hoeveelheid in één maand(6). Figuur 4.8 toont deze hoeveelheden voor de drie verschillende periodes. In elke periode varieert de gebruikte hoeveelheid van minder dan een gram, tot meer dan 100 gram in één maand. In de eerste en laatste periode van cocaïnegebruik gebruikt minimaal de helft van de respondenten minder dan 2.5 gram in één maand (respectievelijk 64% en 49%). In de periode van het zwaarste gebruik is dit slechts bij een kwart het geval.
Figuur 4.8
Hoeveelheid cocaïne in één maand en periode van gebruik
Hoeveelheid cocaine in en maand en periode van gebruik
 
Het wordt steeds duidelijker dat dwangmatig cocaïnegebruik niet alleen onder opiaat gebruikers is aan te treffen, maar ook onder niet-opiaatgebruikers.
   
Tabel 4.4
Hoeveelheid cocaïne in één maand per gebruiksperiode voor opiaatgebruikers (O) en niet-opiaatgebruikers (NO) (in procenten)
Eerste periode Laatste periode Zwaarste periode
NO O NO O NO O

<10 g 93 62 92 36 65 22
10-50 g 5 28 5 24 18 18
50-100 g 2 5 3 20 8 11
>100 g - 5 - 20 5 48

totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100%
n=51 n=18 n=58 n=25 n=59 n=27
 
Uit tabel 4.4 blijkt dat cocaïnegebruikers die eveneens opiaten gebruiken, in alle periodes van gebruik grotere hoeveelheden cocaïne tot zich nemen dan gebruikers die enkel cocaïne gebruiken. Toch consumeert ook een derde (31%) van de niet-opiaatgebruikers in de periode van het zwaarste gebruik meer dan tien gram in één maand; ruim een tiende (13%) gebruikt meer dan 50 gram in één maand. Van de opiaatgebruikers gebruikt in die periode ruim de helft (59%) meer dan 50 gram in één maand.
Evenals bij de frequentie, bestaat er een sterk verband tussen de belangrijkste gebruikswijze en de gebruikte hoeveelheid in één maand. In figuur 4.9 is deze relatie weergegeven voor de periode van het zwaarste gebruik. Ook voor de overige periodes is een dergelijk verband aangetroffen. Grote hoeveelheden cocaïne worden met name gebruikt door respondenten die basen en injecteren, in iets mindere mate door respondenten die chinezen. Alhoewel snuivers vaker kleinere hoeveelheden gebruiken, is er nog altijd een tiende (9%) dat in de periode van het zwaarste gebruik meer dan 50 gram in één maand gebruikt. Het percentage basers, spuiters en chinezers dat in deze periode meer dan 50 gram in één maand gebruikt is echter beduidend hoger, respectievelijk 80%, 73% en 34%. Alhoewel de frequentie voor opiaatgebruikers en niet-opiaatgebruikers die op eenzelfde wijze gebruiken vrijwel hetzelfde is, is er een verschil in de gebruikte hoeveelheden cocaïne in één maand. Opiaatgebruikers die snuiven of basen blijken in de periode van het zwaarste gebruik in één maand meer cocaïne tot zich te nemen dan niet- opiaatgebruikers die snuiven of basen(7).
Figuur 4.9
Belangrijkste wijze en hoeveelheid van gebruik in één maand, in de periode van het zwaarste gebruik
Belangrijkste wijze en hoeveelheid van gebruik in en maand, in de periode van het zwaarste gebruik
 
Samengevat kan worden vastgesteld dat voor de meerderheid van de respondenten snuiven de belangrijkste wijze is waarop cocaïne wordt gebruikt. Dit geldt vooral voor de niet-opiaatgebruikers; voor 10% van de niet-opiaatgebruikers is basen echter de belangrijkste gebruikswijze. Opiaatgebruikers basen, injecteren of chinezen vaker. Wat betreft de frequentie en de hoeveelheid van gebruik is er in alle opzichten sprake van een grote spreiding. Opiaatgebruikers consumeren in het algemeen vaker en grotere hoeveelheden cocaïne dan niet-opiaatgebruikers. De onderlinge verschillen tussen niet-opiaatge bruikers zijn echter groter. Hetzelfde geldt voor de verschillende gebruikswijzen: de respondenten die basen, injecteren of chinezen, gebruiken vaker en grotere hoeveelheden cocaïne dan snuivers. Frequentie en hoeveelheid lopen onder snuivers echter meer uiteen. Tussen opiaatgebruikers en niet-opiaatgebruikers die op een zelfde wijze gebruiken is er weinig verschil in de frequentie van gebruik; de opiaatgebruikers gebruiken echter grotere hoeveelheden.
vorige   volgende
Colofon en inhoudsopgave
Hoofdstuk 1    Inleiding en probleemstelling
Hoofdstuk 2    Verkooppunten
Hoofdstuk 3    Algemene impressies
Hoofdstuk 4    Karakteristieke kenmerken
Hoofdstuk 5    Typologie
Hoofdstuk 6    Spreiding, verspreiding en omvang
Hoofdstuk 7    Conclusies en discussie
Samenvatting
Literatuur
Bijlage A    Verklarende woordenlijst
Bijlage B    Beroepsclassificatie naar soorten
Bijlage C    Patronen van gebruik
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.