INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies<
 
In Grote Lijnen
Hoofdstuk 4    Karakteristieke kenmerken (deel 1)
In dit hoofdstuk worden enkele belangrijke kenmerken van het cocaïnegebruik in Rotterdam behandeld. Achtereenvolgens komen aan bod: drugscarrière; patroon van gebruik; locatie van gebruik; intensiteit van gebruik; inkomen, criminaliteit en cocaïnehandel; en problemen en hulpverleningscontacten. In de laatste paragraaf wordt nader ingegaan op de samenhang met een drietal belangrijke verklarende variabelen, te weten opiaatgebruik, sexe en wijze van gebruik. Voor de beschrijving is gebruik gemaakt van gekwantificeerde gegevens afkomstig uit het kwalitatieve deel van de interviews
4.1    Drugscarrière
De leeftijd waarop de 110 respondenten voor het eerst cocaïne gebruiken loopt sterk uiteen: van 13 tot 37 jaar. De gemiddelde beginleeftijd is ruim 20 jaar. Dit is twee jaar jonger dan bij de niet-deviante cocaïnegebruikers in Amsterdam (Cohen 1989). Zowel vrouwen en mannen, als opiaatgebruikers en niet-opiaatgebruikers, vertonen weinig verschil wat betreft de gemiddelde leeftijd waarop men voor het eerst cocaïne gebruikt. De duur van het cocaïnegebruik laat een grote spreiding zien. Er zijn respondenten die slecht een paar maanden gebruiken of hebben gebruikt, maar er is ook één respondent die al meer dan 30 jaar cocaïne consumeert. De gemiddelde gebruiksduur is bijna acht jaar. Vrouwen gebruiken gemiddeld iets langer dan mannen, respectievelijk negen versus zeven jaar. De gemiddelde gebruiksduur van opiaatgebruikers is tien jaar, van niet-opiaatgebruikers zeven jaar. In hoofdstuk twee is reeds aangegeven dat de respondenten over tien andere gebruikers (nominees) extra informatie hebben verstrekt, waaronder de gebruiksduur. In totaal is van 278 nominees bekend hoe lang zij gebruiken. Ook hier is een grote spreiding waar te nemen. Een tiende (9%) van de nominees gebruikt korter dan een jaar; bijna de helft (46%) consumeert echter al langer dan zeven jaar cocaïne.
Van de 110 respondenten gebruikt twee derde (66%) op het moment van het interview nog steeds cocaïne. De overigen zijn hier om uiteenlopende redenen mee gestopt. Een aantal van hen gebruikt al langer dan vijf jaar geen cocaïne meer, anderen sinds enkele maanden niet meer. Ten tijde van het interview is de helft (53%) van de opiaatgebruikers gestopt met cocaïnegebruik tegenover een kwart (26%) van de niet-opiaatgebruikers. Dit verschil wordt grotendeels verklaard door het relatief hoge aantal opiaatgebruikers dat is geïnterviewd op de drugsvrije afdeling van het Huis van Bewaring, waar cocaïne niet is toegestaan. De niet-opiaatgebruikers die op het moment van het interview geen cocaïne meer gebruiken, kennen een kortere gebruiksduur dan degenen die nog steeds gebruiken(1). Bij opiaatgebruikers is een dergelijk verband niet aangetroffen(2).
In het vorige hoofdstuk is reeds vermeld dat het merendeel van de respondenten naast cocaïne ervaring heeft met andere drugs. Figuur 4.1 laat zien welke drugs de responden ten ooit gebruikten en welke soorten drugs zij momenteel gebruiken (wanneer men is gestopt, is gekeken naar de laatste periode van cocaïnegebruik). Er is een onderscheid gemaakt tussen: alleen cocaïne; naast cocaïne ook andere drugs, zoals cannabis, amfetaminen, hallucinogenen en tranquillizers; en naast cocaïne ook opiaten (en eventueel andere middelen). Het huidige of laatste drugsgebruik laat een duidelijke toename zien van respondenten die alleen cocaïne gebruiken. Zowel respondenten die ook andere soorten drugs gebruikten als respondenten die ook opiaten gebruikten zijn overgestapt op alleen cocaïne. Opmerkelijk is dat 39% van de opiaatgebruikers is gestopt met het gebruik van opiaten terwijl ze nog steeds cocaïne gebruiken(3).
Figuur 4.1
Huidige (of laatste) drugsgebruik en drugsgebruik gedurende totale drugscarrière
Huidige (of laatste) drugsgebruik en drugsgebruik gedurende totale drugscarriere
 
   
4.2    Patroon
Op grond van het zorgvuldig doorlezen van de diepte-interviews met de 110 respondenten is voor iedere respondent het patroon van gebruik in de tijd getekend. Hierbij is rekening gehouden met zowel de frequentie als de hoeveelheid van gebruik. Op grond van deze patronen zijn zeven basispatronen onderscheiden, te weten (zie ook bijlage C):
1. Oplopend: het gebruiksniveau loopt geleidelijk op.
2. Afnemend: het gebruiksniveau loopt geleidelijk af.
3. Gelijk niveau: het gebruiksniveau blijft gelijk.
4. Onderbroken: perioden van gebruik worden afgewisseld met perioden van niet-gebruik.
5. Piek: een geleidelijke stijging van het gebruiksniveau wordt gevolgd door een geleidelijke daling.
6. Meerdere pieken: het gebruiksniveau varieert en kent meerdere pieken.
7. Piek met gelijk niveau: het gebruiksniveau loopt geleidelijk op en geleidelijk af tot een bepaald gelijk blijvend niveau.
De eerste zes patronen komen overeen met de door Cohen onderscheiden patronen van cocaïnegebruik (1989). In ons onderzoek is een variant op het piek-patroon toegevoegd. Een aantal respondenten blijkt na een periode waarin een piek in het gebruik optreedt, minstens een even lange periode op een gelijk niveau van gebruik te blijven (zie figuur 4.2).
Figuur 4.2
Patronen van gebruik
Patronen van gebruik
 
De meest voorkomende patronen van gebruik zijn het oplopende (34%) en het piek patroon (28%), gevolgd door het patroon met meerdere pieken (12%) en het gelijk niveau patroon (12%). Ten aanzien van het onderbroken patroon moet worden vermeld dat vele respondenten één of meerdere perioden kennen waarin geen cocaïne wordt gebruikt (Kaplan e.a. 1992). Slechts wanneer het gebruikspatroon zich kenmerkt door een herhaling van wel en niet gebruiken, is deze tot het onderbroken patroon gerekend. In vergelijking met de Amsterdamse respondenten komt het oplopende patroon vaker (34% versus 3%), en het meerdere pieken patroon minder vaak voor (12% versus 33%). Dit laatste mag opmerkelijk heten, omdat de opiaatgebruikers in ons onderzoek vaker een patroon met meerdere pieken vertonen dan de niet-opiaatgebruikers (25% versus 5%).
Een probleem bij het onderscheiden van de verschillende patronen is het feit dat de gebruiksduur in de respondentengroep sterk uiteenloopt. De vraag is of elk onderscheiden patroon kan worden gezien als een zelfstandig patroon, of slechts een fase representeert van een ander patroon. Is het oplopende patroon bijvoorbeeld niet slechts de eerste fase van het piek patroon, en zullen respondenten met een piek patroon in de toekomst niet meerdere pieken vertonen? Wanneer dit het geval is, zou het oplopende patroon slechts aanwezig moeten zijn bij respondenten met een korte gebruiksduur en het piek patroon bij respondenten met een langere gebruiksduur. Uit figuur 4.3 blijkt dat er inderdaad een verband bestaat tussen het patroon en de gebruiksduur. Het afnemende patroon, het onderbroken patroon en het meerdere pieken patroon, worden vaker waargenomen naarmate men langer cocaïne gebruikt. De patronen oplopend, gelijk niveau, piek, en piek met gelijk niveau, zijn echter te zien bij respondenten met een korte en met een lange gebruiksduur. Deze patronen treden, met andere woorden, onafhankelijk van de gebruiksduur op. Alleen bij de niet-opiaatgebruikers bestaat er een verband tussen het patroon van gebruik en wel of niet gestopt zijn met het cocaïnegebruik. De niet-opiaatgebruikers die zijn gestopt vertonen vaker een oplopend patroon (63% versus 20%) en minder vaak een piek patroon (5% versus 22%) dan degenen die nog steeds cocaïne gebruiken.
Figuur 4.3
Gebruikspatroon en gebruiksduur in jaren
Gebruikspatroon en gebruiksduur in jaren
 
Bij de analyse is een onderscheid gemaakt tussen de periode van het eerste cocaïne gebruik, de huidige of laatste periode van cocaïnegebruik en de periode van het zwaarste cocaïnegebruik. De periode van het eerste gebruik is gedefinieerd als de periode waarin de respondent voor het eerst enige keren cocaïne gebruikt. De periode van het zwaarste cocaïnegebruik is gedefinieerd als de periode waarin de respondent het meest frequent en/of de grootste hoeveelheden cocaïne tot zich neemt. Dit houdt in dat de periode van het zwaarste gebruik voor een aantal respondenten samenvalt met de periode van het eerste of het huidige/laatste gebruik. Voor andere respondenten zal de periode van het zwaarste gebruik een tussenperiode vormen. Vermeld moet worden dat de gebruiksperiode per respondent verschilt in tijdsduur. Zo kan de periode van het zwaarste gebruik in het ene geval slechts een week duren, in andere gevallen meerdere maanden, een jaar, of zelf meerdere jaren. Wanneer we kijken naar de verschillende gebruikspatronen, blijkt dat de periode van het zwaarste gebruik voor 4% van de respondenten samenvalt met de eerste periode van het gebruik en voor 34% met de huidige of laatste periode. Voor de helft (50%) van de respondenten geldt dat de periode van het zwaarste gebruik een tussenperiode vormt(4). Bij 12% kan in feite niet gesproken worden van een periode van het zwaarste gebruik: zij blijven gedurende hun cocaïnecarrière even frequent dezelfde hoeveelheden gebruiken.
4.3    Locatie
In hoofdstuk twee is reeds uiteen gezet dat voor de omgeving waarin de respondenten cocaïne gebruiken de volgende locaties van gebruik zijn onderscheiden: uitgaanswereld; werkplek; thuiscircuit; hobby en sport; en de harddrugsscene. In figuur 4.4 is voor de drie onderscheiden periodes de belangrijkste gebruikslocatie weergegeven.
Figuur 4.4
Belangrijkste locatie van gebruik in de verschillende periodes
Belangrijkste locatie van gebruik in de verschillende periodes
 
In de beginperiode is het thuiscircuit de belangrijkste omgeving waarin wordt gebruikt (47%), gevolgd door de uitgaanswereld (27%). Dit beeld blijft bestaan voor de laatste periode. In de periode van het zwaarste gebruik is de harddrugsscene echter even belangrijk geworden. Het hobby/sport circuit en de werkplek blijken voor de respondenten minder belangrijk. De helft van de respondenten (50%) gebruikt gedurende de drie periodes in hetzelfde circuit: 22% in het thuiscircuit; 15% in de harddrugsscene; 12% in de uitgaanswereld en 1% op de werkplek. Wisselingen tussen de uitgaanswereld en het thuiscircuit komen veelvuldig voor. Vaak gebruikt men met vrienden thuis, op feestjes, of tijdens het uitgaan. Het ene moment ligt de nadruk meer op het uitgaan, het andere moment op de thuisomgeving. Wanneer het thuiscircuit en de uitgaanswereld worden samengetrokken, blijkt dat drie kwart (74%) van de respondenten hier gedurende hun hele cocaïnecarrière gebruikt.
Voor opiaatgebruikers is de harddrugsscene de belangrijkste omgeving waarin het cocaïnegebruik plaatsvindt. Voor de niet-opiaatgebruikers zijn de uitgaanswereld en het thuiscircuit de belangrijkste locaties. Aanvankelijk vindt het cocaïnegebruik voornamelijk in het thuiscircuit plaats, in de periode van het zwaarste en laatste gebruik neemt het belang van de uitgaanswereld toe. In deze periodes spelen beide locaties voor niet-opiaatgebruikers een even belangrijke rol (zie tabel 4.1). In hoofdstuk zes wordt nader ingegaan op de belangrijkste locaties waar het cocaïnegebruik van de respondenten en de nominees plaatsvindt.
Tabel 4.1
Belangrijkste locatie van gebruik in de verschillende perioden voor opiaatgebruikers (O) en niet-opiaatgebruikers (NO) (in procenten)
Eerste periode Laatste periode Zwaarste periode
NO O NO O NO O

uitgaan 31 19 49 6 44 3
werkplek 5 6 6 - 5 -
thuiscircuit 61 19 44 19 46 8
hobby/sport 3 - 1 - 1 -
harddrugs - 56 - 75 - 89

totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100%
n=74 n=36 n=71 n=36 n=70 n=36
 
vorige   volgende
Colofon en inhoudsopgave
Hoofdstuk 1    Inleiding en probleemstelling
Hoofdstuk 2    Verkooppunten
Hoofdstuk 3    Algemene impressies
Hoofdstuk 4    Karakteristieke kenmerken
Hoofdstuk 5    Typologie
Hoofdstuk 6    Spreiding, verspreiding en omvang
Hoofdstuk 7    Conclusies en discussie
Samenvatting
Literatuur
Bijlage A    Verklarende woordenlijst
Bijlage B    Beroepsclassificatie naar soorten
Bijlage C    Patronen van gebruik
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.