INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies<
 
In Grote Lijnen
Hoofdstuk 3    Algemene Impressies (deel 2)
De frequentie van gebruik kan variëren van zeer incidenteel tot dagelijks, hetgeen een indicatie is voor de plaats die cocaïne vervult in het leefpatroon van de gebruiker. In de Amerikaanse literatuur wordt een onderscheid gemaakt tussen: experimenteel gebruik, waarbij niet gesproken kan worden van enig patroon; sociaal-recreatief gebruik, waarbij zo'n tien keer per jaar op een feest of een andere sociale gelegenheid wordt gebruikt; routineus gebruik, waarbij veelal op het werk in strikte regelmaat kleine hoeveelheden worden gebruikt; intensief gebruik, waarbij op het werk of uit verveling elke dag wordt gebruikt en cocaïne een belangrijke rol in het leven is gaan spelen; en dwangmatig gebruik, waarbij overal en bij voortduring wordt geprobeerd te gebruiken (Siegel 1984, Stone e.a. 1984, Inciardi 1986). De frequentie van gebruik blijkt ook onder de Rotterdamse respondenten sterk te variëren: van dagelijks tot enkele keren per jaar. In de periode van het zwaarste gebruik wordt door de helft (54%) dagelijks gebruikt (minimaal vier keer per week). Ruim een kwart (28%) gebruikt gedurende deze periode wekelijks (maximaal twee of drie keer per week), 13% maandelijks (maximaal twee of drie keer per maand) en 5% minder dan maandelijks (maximaal tien keer per jaar). In vergelijking tot de niet-deviante cocaïnegebruikers in Amsterdam, wordt door de Rotterdamse respondenten in het algemeen frequenter gebruikt. Zo gebruikt 33% van de Amsterdamse en 54% van de Rotterdamse respondenten in de periode van het zwaarste gebruik dagelijks. De verschillen en overeenkomsten betreffende frequentie, hoeveelheid en dergelijke komen uitgebreid in hoofdstuk vier aan de orde.
Niet alleen de frequentie, ook de hoeveelheden die worden gebruikt lopen sterk uiteen: van dagelijks gebruikende respondenten die minder dan een halve gram consumeren tot zij die meer dan vijf gram op een dag tot zich nemen. Volgens de Amerikaanse indeling wordt hier gesproken van intensief tot dwangmatig gebruik. De respondenten die minder dan maandelijks gebruiken consumeren daarentegen doorgaans minder dan een gram per maand. In dit geval kan wellicht worden gesproken van sociaal-recreatief (of experimenteel) gebruik. Om de respondenten beter te kunnen vergelijken is voor iedere persoon de gebruikte hoeveelheid in één maand berekend (zie figuur 3.4). Het blijkt dat in de periode van het zwaarste gebruik het aantal respondenten dat in een maand minder dan één gram gebruikt even groot is als het aantal dat meer dan 100 gram consumeert, respectievelijk 17% en 19%(7). In vergelijking met de Amsterdamse respon denten, wordt in de periode van het zwaarste gebruik door de Rotterdamse respondenten niet alleen frequenter gebruikt, maar worden er ook grotere hoeveelheden gebruikt.
Figuur 3.4
Hoeveelheid cocaïne in één maand in de periode
van het zwaarste gebruik
Hoeveelheid cocaine in een maand in de periode van het zwaarste gebruik
 
   
3.5    Effecten
Cocaïne stimuleert rechtstreeks het centraal zenuwstelsel. Het heeft een kortdurend, heftig effect: opgewondenheid, onrust, praatzucht, verminderde vermoeidheidsgevoelens, zelfoverschatting, een belevenis van buitengewoon snel en helder kunnen denken. De sterk prikkelende werking op de hersens kan zowel aanleiding geven tot een gevoel van welbevinden en euforie, als van dysforie. Een tijdelijke toename van spierkracht en van uithoudingsvermogen kan optreden, gepaard met eetlust-remming (Van Rossum 1979, Van Epen 1983 en 1984, Van Ree en Esseveld 1985, Van Limbeek 1986). Het effect van cocaïne is kort. De gemoedstoestand van de gebruiker kan snel van het ene in het andere uiterste vervallen. Op een direct effect van langer dan een half uur behoeft de gebruiker niet te rekenen (Petersen e.a. 1983). Vooral bij heftiger werkende methoden dan snuiven, kunnen de effecten in minuten worden geteld. De wel veronderstelde stimulerende werking op sexualiteit is overigens omstreden (zie paragraaf 3.9) (Van Ree en Esseveld 1985). Periodiek cocaïnisme à la periodiek alcoholisme (na drie maanden droogstaan is de gebruiker ineens weer voor een week onder water) komt voor. Voorts lijken volgens vele auteurs meerdere effecten in het algemeen sterk op die van amfetaminen (speed), zij het dat amfetaminen langer werken. Anderzijds heeft cocaïne nu eenmaal de naam meer op 'vergeestelijkt' niveau effect te hebben. Mogelijk vervult cocaïne voor bepaalde gebruikers-groepen soortgelijke functies als de speed (voor andere).
Langere termijn effecten zoals perforatie van het neus-tussenschot tengevolge van snuiven schijnen minder vaak voor te komen dan wel gezegd wordt (Van Epen 1984). Op het psychisch vlak kunnen nervositeit, geïrriteerdheid, waarnemings- en concentratie stoornissen optreden. Bij langdurig overmatig gebruik zijn hallucinaties mogelijk, waaronder 'beestjes op de huid', en zware neerslachtigheid (cocaïne-dysforie). Ook de 'cocaïne-depressie' is in de literatuur beschreven (Van den Berg 1984). Anderzijds zijn grootheidswanen bekend, vaak gepaard met agressie (de 'cocaïnepsychose'), en de jaloersheids- ofwel echtelijke-ontrouwwaan. Niet zelden worden deze wanen weer gedempt door het gebruik van alcohol, pillen, of eventueel opiaten. In het algemeen zal bij regelmatige gebruikers het gebruiksniveau een belangrijke factor zijn.
Ziekenhuizen in ons land krijgen voorzover bekend, niet vaak gevallen van cocaïne- psychose binnen. Toch lijken op de langere termijn eerder psychiatrische en psycho- sociale consequenties te verwachten dan ernstige lichamelijke gevolgen (Siegel 1985). Ook bij een kleine subgroep van respondenten uit Cohen's studie die zichzelf voor onder zoek had aangemeld, zijn geen ernstige lichamelijke kwalen vastgesteld, terwijl het psychisch functioneren wel enige mankementen vertoonde (1989). Volgens Van Limbeek (1986) echter, worden de effecten van cocaïne in dit opzicht sterk overdreven. Er is geen klinisch bewijs voor bijna alle, in de literatuur genoemde, psychiatrische cocaïne-com plicaties. Waar deze zich voordoen, is het bovendien altijd de vraag in hoeverre de drug niet slechts als ontsluitings-mechanisme werkt: een latente psychische stoornis wordt manifest gemaakt.
Uit onze interviews blijkt dat meer dan de helft (55%) van de respondenten proble men kent die, naar eigen zeggen, samenhangen met het cocaïnegebruik. Het betreft hier een groot scala aan problemen: van een kater de volgende dag (zowel psychisch als fysiek), geldtekort, tot heftige gevoelens van craving (hunkeren naar het middel). Een kwart van de respondenten heeft ernstige problemen als gevolg van het cocaïnegebruik: zij noemen zichzelf cocaïneverslaafd(8), of geven aan met zowel fysieke, psychische, sociale, als economische problemen te kampen. Uit figuur 3.5 blijkt dat respondenten die zich niet verslaafd noemen vooral psychische problemen hebben. Deze lopen uiteen van schuldgevoelens de volgende dag, tot verschijnselen van paranoia. In mindere mate worden sociale of economische problemen genoemd. In overeenstemming met de bevindingen van Cohen (1989) worden fysieke problemen slechts zelden als belangrijkste probleem genoemd.
Figuur 3.5
Problemen met cocaïnegebruik
Problemen met cocainegebruik
* verslaafd : respondent noemt zichzelf cocaïneverslaafd of geeft aan met zowel
fysieke, psychische, sociale als economische problemen te kampen.
In welke mate cocaïnegebruik op den duur tot problematisch gedrag leidt, is nog steeds onderwerp van discussie. Zo blijkt uit een Amerikaanse studie onder voornamelijk studenten, dat de meerderheid acht jaar lang een patroon van sociaal-recreatief gebruik wist aan te houden, inclusief perioden van weinig of geen gebruik. Van een onvermijdelijk toenemende afhankelijkheid is dus geen sprake (Siegel 1984). Dezelfde conclusie is te vinden bij Erickson e.a. (1987) en, in Nederland, bij Cohen (1989). Bij hen overheerst de mening dat het met de afhankelijkheid van cocaïne nogal meevalt, en dat het middel veel minder verslavend is dan heroïne. Bovendien lijkt de hunkering naar het middel niet zo sterk te zijn. Anderen wijzen er echter op dat het juist jaren duurt, misschien zelfs wel tien of meer, voordat werkelijke afhankelijkheidsproblemen aan het licht komen. Ook in dit opzicht is de problematiek te vergelijken met die van de alcohol. Dit betekent dat een cocaïneverslaafde pas na jarenlang gebruik bij de hulpverlening terechtkomt. Aangezien men veronderstelt dat in Nederland het intensieve gebruik nog niet zo'n lange traditie kent, is hierover in ons land nog niet zoveel te zeggen. Volgens deze visie is het uiteindelijke effect van cocaïnegebruik op den duur wellicht problematischer dan bij heroïne. Met name in de drugshulpverlening wordt het middel momenteel als minder onschuldig beschouwd dan zo'n tien jaar geleden. Op de relatie tussen duur van gebruik en het optreden van problemen zal in het volgende hoofdstuk nader worden ingegaan.
Wanneer gesproken wordt over de effecten van cocaïne zijn tenslotte de niet-specifieke medische complicaties te noemen, zoals aids ten gevolge van spuiten en mogelijk in verband met prostitutie. Zo vindt Sterk (1988) onder prostituées in New York niet alleen een verband tussen intraveneus (gespoten) cocaïne- en crackgebruik en seropositiviteit, maar ook, minstens even sterk, bij het niet-intraveneuze harddrugsgebruik. De verklaring ligt echter vrijwel zeker in de vele wisselende sexuele contacten als prostituée, vaak ook direct in ruil voor crack. Geen enkele Rotterdamse respondent geeft aan dat er bij hem een direct verband tussen aids en het injecteren van cocaïne bestaat.
3.6    Verslavingsconcept
Van oudsher wordt in de verslavingskunde onderscheid gemaakt tussen lichamelijke en geestelijke afhankelijkheid. Bij de opiaten is sprake van duidelijke lichamelijke ontwenningsverschijnselen (afkicken), reden waarom in dat geval van sterk verslavende middelen wordt gesproken. Volgens de beschikbare kennis, ontbreken bij cocaïne nu juist deze lichamelijke ontwenningsverschijnselen geheel, of treden ze pas in lichte mate op na extreem overmatig en/of langdurig gebruik van het middel. Ook is men in brede kring van mening, dat bij de cocaïne nauwelijks sprake is van niveau-tolerantie. Weliswaar wil de gebruiker in een en dezelfde run(9) wellicht steeds meer, maar dit schijnt geen effect te hebben op de hoeveelheid die hij de volgende dag nodig heeft om in zijn (verslavings) behoefte te voorzien. Niettemin treedt bij de cocaïnegebruiker wel degelijk zogenoemd drugs-zoekend gedrag op en, sterker nog, zijn hunkering naar het middel (craving) blijkt enorm te kunnen zijn. Deze hunkering wordt als de kern beschouwd waaromheen zich een vergaande psychische afhankelijkheid kan ontwikkelen. In deze zin moet cocaïne dan ook sterk verslavend worden genoemd. Het gaat derhalve om een ander verslavings begrip dan bij, om die vergelijking aan te houden, de opiaten (Van Rossum 1979, Zuidhof 1984, Van Epen 1984, Peele 1985). Het is echter (nog) onbekend hoe snel, hoe sterk en bij hoeveel gebruikers het fenomeen craving zich manifesteert.
Het lijkt er op dat cocaïne de gebruiker een enorme bevrediging geeft gedurende zeer korte tijd, met daarop een enorm dieptepunt dat direct om herstel roept. Vandaar waarschijnlijk dat dwangmatige doorgaan (Van Meerten 1992). De gebruiker wil steeds weer opnieuw. In zoverre is het een verleidelijke, en intens dwangmatige, drug; het meest onbevredigende en grenzeloze genotmiddel dat er bestaat (Spotts en Shontz 1984). Ofwel: bij deze psychogene verslaving (zijn oorsprong vindend in de psyche), denken gebruikers nadat de cocaïne is uitgewerkt, tijdens een abrupte emotionele terugslag, dat ze een lichamelijke drang naar de drug hebben. Dit nu is de hunkering (Inciardi 1986). Zo kan ook een psychogene verslaving, lichamelijke uitingsvormen krijgen (Peele 1985, Kleber 1992). Opiaatverslaafden, gevraagd naar het verschil, zeggen nogal eens dat men de heroïne en/of methadon echt nodig heeft en de cocaïne niet, maar dat men in weerwil daarvan, eenmaal begonnen, achter de cocaïne aan blijft rennen. Op de lange duur wordt cocaïne-afhankelijkheid nogal eens in verband gebracht met zelfvernietiging of ego-destructie. Niet toevallig is het mede op grond van de sterke psychische verslaving aan cocaïne, dat de dualiteit tussen lichaam en geest - van oudsher prominent aanwezig in de verslavingsliteratuur - opnieuw ter discussie wordt gesteld (Peele 1985). Wat maakt het nu eigenlijk uit dat cocaïne niet lichamelijk verslavend is; als men maar flink gebruikt, ontwikkelt psychische afhankelijkheid zich zeer snel (Spotts en Shontz 1984). De scheiding tussen lichaam en geest, uiteindelijk teruggaand tot Descartes, is wellicht te zeer tot een muur in ons denkpatroon geworden.
   
Cocaïne lijkt op den duur de overmatige gebruikers in zware problemen te kunnen brengen. In Nederland kennen sinds het midden van de jaren tachtig de CAD's het verschijnsel van de primaire cocaïneverslaafde; dus niet degenen die via opiaatverslaving zijn gekomen. Zij zijn cocaïne gaan gebruiken bijvoorbeeld in het uitgaansleven, maar zijn in de regel sociaal beter geïntegreerd dan polydrugs- en heroïneverslaafden. Zij komen ook pas na lange tijd eventueel met justitie in aanraking (Van Limbeek 1986). Uit ervaringen van de CAD's in Rotterdam en Amsterdam blijkt voorlopig dat van de niet-deviante, en sociaal geïntegreerde, cocaïnegebruikers wellicht pas na vele jaren van sociaal gebruik, een deel bij de hulpverlening terechtkomt. Het gaat om mensen met bindingen en sociale verantwoordelijkheden (Fabriek 1987). Wel komt vaak ook veel alcoholgebruik voor. Men komt bijvoorbeeld bij het CAD terecht wanneer cocaïne een steeds centralere positie in het leven krijgt, met name volgens de directe omgeving.
Zoals reeds vermeld geeft een kwart van de Rotterdamse respondenten aan ernstige problemen te kennen die samenhangen met het cocaïnegebruik: zij noemen zichzelf cocaïneverslaafd of kennen zowel fysieke, psychische, relationele als economische problemen. Van de niet-opiaatgebruikers heeft 11% dergelijke ernstige problemen; dit zijn de zogenoemde pure cocaïneverslaafden. Het merendeel (85%) van de respondenten met ernstige problemen blijkt hulpverleningscontacten te hebben (gehad). In hoofdstuk vier en vijf wordt hierop nader ingegaan.
3.7    Cocaïne, alcohol en andere drugs
In het algemeen vermeldt de literatuur dat cocaïnegebruikers ook (verschillende) andere drugs gebruiken of daar vrij veel ervaring mee hebben. Softdrugs, kalmerende middelen, en alcohol komen het meest voor. Met marihuana en/of hasj heeft zo goed als iedere cocaïnegebruiker wel ervaring. Belangrijker is dat in de jaren zeventig in de VS aanvankelijk de sociaal-recreatieve setting en de cultuur rond het gebruik van beide middelen sterk overeen kwamen (Kozel en Adams 1985; Erickson e.a. 1987). Met opiaten lijkt slechts een minderheid ervaring te hebben (Spotts en Shontz 1980, Siegel 1984, Erickson en Murray 1989). Kalmerende en slaapmiddelen worden vooral gebruikt om na een cocaïne-run weer tot rust te komen.
Wanneer alcohol buiten beschouwing wordt gelaten, blijkt de meerderheid (87%) van onze respondenten cannabis als eerste drug te hebben gebruikt. Zeven procent is begonnen met cocaïne, vier procent met amfetaminen en twee procent met heroïne. Hieruit blijkt al dat de meeste respondenten naast cocaïne ervaring hebben met andere soorten drugs, zoals cannabis, amfetaminen, halucinogenen, tranquillizers en opiaten. Een betrekkelijk nieuwe drug waarmee een groot deel ervaring heeft is XTC (zie paragraaf 3.10). Slechts 2% van de respondenten heeft alleen ervaring met cocaïne. Al eerder kwam aan de orde dat een derde (33%) tevens opiaten gebruikt(e). In tegenstelling tot het Amsterdamse onderzoek gaat het hier om respondenten die met regelmaat opiaten gebruik(t)en en dus als opiaatverslaafd kunnen worden beschouwd(10).
De combinatie van cocaïne en alcohol komt uitzonderlijk vaak voor in de literatuur (in Nederland: Fabriek 1987, Sandwijk e.a. 1988, Cohen 1989). De effecten van alcohol lijken voor een belangrijk deel geneutraliseerd te worden door cocaïnegebruik. Wanneer men in het uitgaansleven, bijvoorbeeld in de discotheek, net iets te veel drank op heeft om nog optimaal te kunnen genieten, biedt een snuifje cocaïne uitkomst; het effect is dat men zich beduidend helderder voelt. Van alcohol krijgt men trek in cocaïne en van cocaïne krijgt men weer dorst (Van Hunnik 1989). Zo kan men in principe de hele nacht doorgaan. Het gebruiken in het uitgaansleven en op feestjes maken dat cocaïne, in theorie, in sterke mate sociaal geïntegreerd kan raken in onze samenleving. Ook tijdens onze interviews komt alcohol veelvuldig ter sprake. In hoofdstuk vijf, waarin typen cocaïnegebruikers worden onderscheiden, zal nog nader worden ingegaan op de relatie tussen alcohol en cocaïne.
3.8    Verbanden met deviant en crimineel gedrag
Bij nieuw in de belangstelling staande bewustzijns-beïnvloedende middelen, bestaat al gauw de neiging er de directe oorzaak van crimineel gedrag in te zien. Echter, wetenschappelijk blijkt moeilijk aan te tonen of dit verband met middel X en/of Y wel zo direct mag worden gelegd (Watters e.a. 1985, Leuw 1988). Bovendien zijn cocaïnege bruikers voor de politie een moeilijk te herkennen groep, zodat nauwkeurige gegevens ontbreken. Regelmatig gebruik van cocaïne hoeft niet per definitie gepaard te gaan met crimineel gedrag. In het Amsterdamse onderzoek heeft een derde zich ooit met enige criminele activiteit ingelaten. Zonder de delictsoort 'dealerij' is dit percentage zelfs maar 15%. Bij 'tien keer of meer' criminele activiteit (zonder dealen), blijft een te verwaarlozen percentage over (Cohen 1989). Echter ook de auteur concludeert, dat zijn materiaal harde conclusies over het verband tussen cocaïnegebruik en crimineel gedrag niet mogelijk maakt.
Op het niveau van de gebruiker is onderscheid te maken naar criminele activiteiten rond de kleinhandel, verwervingscriminaliteit, en overige criminaliteits-versterkende effecten van cocaïne. De kleinhandel vindt deels plaats in dezelfde kringen als die van de erkende probleemdrug heroïne (Intraval 1989 en 1991, Grapendaal e.a. 1991). Crimineel gedrag is daar aan de orde van de dag. Daarnaast lijkt er sprake te zijn van een apart handelscircuit waar alleen cocaïne kan worden gekocht door de maatschappelijk geïntegreerde gebruiker. In het algemeen zijn er mogelijk bij cocaïne niet zoveel schakels in de keten tussen importeur en consument (Lewis 1989). Dit betekent dat individuele dealers, ironisch genoeg, ook van sociaal geïntegreerde en zelfs elitaire gebruikerskringen, wellicht veel zwaardere criminele connecties hebben (immers, in verband met de grotere hoeveelheden), dan in de regel het geval is bij de kleinhandel in heroïne (Lewis 1989). Van de Rotterdamse respondenten is een derde (32%) op de een af andere manier betrokken (geweest) bij de cocaïnehandel. Dit loopt uiteen van activiteiten in de grote handel (deze personen zijn echter op één hand te tellen), activiteiten in de kleine handel, tot het (door)verkopen van kleine hoeveelheden cocaïne aan goede vrienden. De activiteiten binnen de cocaïnehandel bestaan voor een kwart uit deze kleine verkoop aan goede vrienden en voor bijna drie kwart uit activiteiten in de kleine handel.
Over de verwervingscriminaliteit kan het volgende worden opgemerkt. Cocaïne is op de zwarte markt even duur als heroïne. Daarenboven kan, periodiek, een hoger gebruiks niveau de bovenmatig cocaïnegebruiker nopen tot een hoog niveau van inkomstenverwerving (Van Limbeek 1986, Grapendaal 1989). Van verwervingscriminaliteit blijkt ook bij de Rotterdamse respondenten sprake, met name in de periode van het zwaarste gebruik. Tijdens deze gebruiksperiode is bijna de helft (48%) crimineel actief. Het merendeel van de criminaliteit bestaat uit vermogensdelicten (60%), gevolgd door activiteiten binnen de drugshandel (32%).
Sommige auteurs hebben het idee dat het bij cocaïne meer gaat om fysieke, op personen gerichte, delicten (Spotts en Shontz 1980, McBride 1981). Bij heroïne lijkt dit minder vaak voor te komen. Bij de andere criminaliteitsversterkende effecten gaat het primair om de ontremmende werking van cocaïne: stoerheidsgedrag, alles aandurven, zelfoverschatting zowel in fysiek als psychisch opzicht. Of het middel door sommige gebruikers in dit verband doelbewust wordt gehanteerd, is onbekend (is dit het geval, dan kan dit wijzen op opzet bij mogelijkheids-bewustzijn). Tenslotte is er de kwestie van cocaïnegebruik en geweldsmisdrijven. In de regel gaat men er van uit dat alcohol, amfetaminen en, juist, bewustzijnsverlagende middelen zoals slaappillen, een grotere rol spelen bij geweld dan cocaïne. Cocaïne kan in samenhang met andere middelen hierbij mogelijk een hefboom-functie vervullen. Uit de analyse van incidentele gevallen komt naar voren, dat cocaïne een substantiële rol kan spelen bij geweldsmisdrijven, ook weer in combinatie met alcohol (Van Epen 1988, Budd 1989). In de periode van het zwaarste gebruik vormen geweldsdelicten echter slechts voor 4% van alle Rotterdamse respondenten de belangrijkste criminele activiteit; (groeps)vandalisme wordt zelfs door niemand genoemd.
Verder kan de ontremmende werking van de combinatie van cocaïne en alcohol volgens sommigen ook, afhankelijk van de setting en omstandigheden, minder geïntegreerd gedrag met zich mee brengen. Te denken valt aan vandalisme, agressief groeps gedrag, en gewelddadigheid. De cocaïne functioneert ook hier als hefboom bij wangedrag onder invloed van alcohol (o.a. Budd 1989). Tenslotte kan nog worden opgemerkt dat van visuele overlast door pure cocaïnegebruikers nauwelijks sprake lijkt te zijn, in tegenstelling tot de visuele overlast die door opiaatgebruikers wordt veroorzaakt.
Resumerend kan worden gesteld dat cocaïnegebruik niet per definitie gepaard gaat met crimineel gedrag. In de periode van het zwaarste gebruik is echter de helft van de Rotterdamse respondenten crimineel actief. De criminaliteit bestaat grotendeels uit vermogensdelicten, gevolgd door activiteiten binnen de drugshandel. Op basis van het onderzoeksmateriaal is echter niet op te maken in hoeverre reeds van criminaliteit sprake is voorafgaand aan het cocaïnegebruik. Slechte enkele respondenten (4%) geven aan dat geweldsdelicten de belangrijkste criminele activiteiten vormen in de periode van het zwaarste gebruik. In deze gevallen is het echter de vraag in hoeverre de delicten aan cocaïne, alcohol, speed of aan een combinatie van deze middelen zijn toe te schrijven.
vorige   volgende
Colofon en inhoudsopgave
Hoofdstuk 1    Inleiding en probleemstelling
Hoofdstuk 2    Verkooppunten
Hoofdstuk 3    Algemene impressies
Hoofdstuk 4    Karakteristieke kenmerken
Hoofdstuk 5    Typologie
Hoofdstuk 6    Spreiding, verspreiding en omvang
Hoofdstuk 7    Conclusies en discussie
Samenvatting
Literatuur
Bijlage A    Verklarende woordenlijst
Bijlage B    Beroepsclassificatie naar soorten
Bijlage C    Patronen van gebruik
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.