INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies<
 
In Grote Lijnen
Hoofdstuk 3    Algemene Impressies (deel 1)
In dit hoofdstuk worden enkele onderzoeksresultaten behandeld in relatie tot hetgeen uit de literatuur over cocaïnegebruik en -gebruikers bekend is. Allereerst wordt de gelegenheidsstructuur van cocaïne in Rotterdam beschreven aan de hand van de observaties tijdens het veldwerk en de diepte-interviews. De tweede paragraaf besteedt aandacht aan enkele achtergrondskenmerken van de Rotterdamse cocaïnegebruikers. Vervolgens komen aan bod: gebruikswijzen, frequentie, effecten, verslavingsconcept, cocaïne, alcohol en andere drugs, en verbanden met maatschappelijk afwijkend en crimineel gedrag. Deze resultaten zijn vooral gebaseerd op gekwantificeerde gegevens uit het kwalitatieve deel van de diepte-interviews (zie bijlage B voor een volledig overzicht). Enkele achtergrondgegevens van de nominees zijn afkomstig uit het kwantitatieve deel van de vragenlijst. De laatste paragrafen gaan in op cocaïne en sexualiteit, XTC, en de kwaliteit van cocaïne. De bevindingen zijn afkomstig uit de diepte-interviews en de observaties.
3.1    Gelegenheidsstructuur
In Rotterdam is net als in andere steden in Nederland (Cohen 1989, Korf e.a. 1990, Intraval 1987, 1989 en 1991, Grapendaal e.a. 1991) sprake van een gelegenheidsstructuur met betrekking tot drugs. Een kwartier rondhangen voor het Centraal Station geeft een redelijk overzicht van het ruime aanbod van drugs dat momenteel op de markt verkrijgbaar is. Smack of bruin (heroïne), meeth (methadon), wit (cocaïne), gekookte coke (een soort crack) zijn enkele middelen die al snel worden aangeboden als men enige belangstelling toont voor de activiteiten rond het Centraal Station. Het blijkt dat de meeste harddrugsgebruikers inderdaad ervaring hebben met cocaïne. Enkel heroïnege bruik komt slechts sporadisch voor. Het gebruik van cocaïne is net als dat van heroïne vrij openlijk. Naast het gebruik thuis, bij vrienden of in dealpanden wordt ook vaak gebruikt in de open lucht, in toiletten, in portieken, of in telefooncellen. Hun min of meer verpauperde uiterlijk en openlijk gebruik maakt deze groep zichtbaar voor buitenstaanders (mensen die zelf geen ervaring hebben met het gebruik van cocaïne). 'Dan moet je niet hier zijn maar bij het Centraal Station', is dan ook een veel gehoorde opmerking tijdens het veldwerk. De bekendste verzamelplaatsen zijn verder onder andere de Nieuwe Binnenweg en de West-Kruiskade.
De polydrugsgebruikers vormen slecht een beperkt gedeelte van de groep cocaïnegebruikers in Rotterdam. Bij het merendeel heeft het gebruik een minder zichtbaar karakter. Cocaïne blijkt veel meer dan heroïne als een sociale drug te worden beschouwd. Gezien de effecten van cocaïne zoals het makkelijker zijn in de omgang, de grotere tolerantie ten opzichte van alcohol en het langer door kunnen gaan, is dit niet verwonderlijk. Het gebruik van cocaïne vindt, zoals gezegd, veelal plaats in het uitgaansleven, op feestjes en andere speciale gelegenheden (Kerstmis en de jaarwisseling). Gebruik vindt plaats in groepjes van vrienden of bekenden en in een sfeer die als gezellig wordt omschreven. Cocaïne wordt veelal 's avonds of 's nachts gebruikt. "Het is geen middel dat je neemt om daarna eens lekker rustig voor de tv te gaan zitten", zoals een van de gebruikers het passend omschrijft. Gezien de specifieke relatie tot het uitgaansleven zal in deze paragraaf nader aandacht worden besteed aan cocaïne in het uitgaansleven van Rotterdam.
Uitgaanswereld
Typerend voor het uitgaansleven in Rotterdam is het verspreide karakter. Verdeeld over de stad liggen kleinere of grotere concentraties van bars, kroegen en discotheken. Concentraties met elk hun min of meer eigen groepen bezoekers. Er is wel enige uitwisseling, dat wil zeggen dat verschillende sociale groepen meerdere concentraties bezoeken, maar deze groepen hebben toch veelal hun eigen gescheiden uitgaansgelegenheden. Enkele horecagelegenheden worden duidelijk in verband gebracht met cocaïne en cocaïnegebruik. Ze zijn zelfs bekend bij mensen die niet gebruiken en de namen van deze kroegen vallen regelmatig tijdens het veldwerk. Een aantal van deze zaken is niet populair onder de uitgaanders; zelfs niet bij mensen die gebruiken. Tijdens de veldwerkperiode blijken zich enkele incidenten (vechtpartijen en dergelijke) af te spelen in en rondom zaken die om cocaïnegebruik bekend staan. Het is echter moeilijk dit alleen aan cocaïne toe te schrijven. Het gebruik van cocaïne gaat vaak hand in hand met (excessief) alcoholgebruik. Een deel van de verhalen die in dit verband de ronde doen dient echter verwezen te worden naar het rijk der fabelen. Kroegen waar de lijnen openlijk op de bar liggen en gezamenlijk worden opgesnoven zijn niet aangetroffen. Volgens meer ingewijden behoort dit tot het verleden. Het is wel gebeurd, maar tegenwoordig is het gebruik toch minder openlijk.
Uitgaan en cocaïnegebruik zijn nog steeds duidelijk met elkaar verstrengeld, al lijkt er sprake te zijn van een verschuiving. Door de strenge controle, in de vorm van toiletjuffrouwen en afgezaagde wc-deuren, verplaatst het gebruik zich naar buiten. Er wordt gebruikt in auto's op parkeerplaatsen of in een naburige parkjes op banken. Ook bestaat de indruk dat het gebruik verschuift naar de meer intieme sfeer van thuis. Men gebruikt thuis of bij vrienden voordat men uitgaat. Sommige gebruikers geven ook aan een rustigere sfeer op prijs te stellen. Een snelle snuif op de wc, met op de deur bonkende andere gebruikers of portiers, trekt hen niet meer zo aan.
Manifestaties
Zoals gezegd wordt cocaïne vooral 's avonds en 's nachts gebruikt. Tijdens manifestaties die zich overdag afspelen is dan ook geen gebruik van cocaïne geconstateerd. Het gebruik van middelen beperkt zich dan overwegend tot hasj en alcohol. Manifestaties die zich meer in de nachtelijke uren afspelen vormen meer een entourage voor gebruik. In sommige gevallen blijkt er zelfs speciaal iemand ingehuurd te worden om te verkopen. Op deze wijze wordt getracht dealers te weren. "Vroeger deed die vriend van mij dat dus en op een gegeven moment belde de organisatie hem op of hij dat dat jaar ook weer wilde doen. Maar hij had er niet zo'n zin in. Ik was toen bij hem een klus aan het doen en toen vroeg hij of ik dat wilde doen. Dat was wel leuk. En die organisatie wilde toch iemand hebben die bekend is, maar die niet bekend staat als dealer. Niet zo'n heftig type met zo'n zonnebril en een glimmend jasje. De organisatie wil dat in de hand houden. Dat er geen vreemde mensen rond gaan lopen en dat die gasten nou niet de stad in hoeven en dat als ze er behoefte aan hebben, dat het er gewoon is. Een soort service." Grotere manifestaties vooral als ze tot in de vroege uurtjes doorgaan, vormen bij uitstek de gelegenheden waar men tot gebruik van diverse middelen overgaat. Ook house-party's zijn voor een aantal de gelegenheid om te gebruiken. Soms worden ook andere middelen uitgeprobeerd. XTC (of wat daar voor doorgaat) speelt daarbij een belangrijke rol.
   
Gebruik
Echt openlijk en duidelijk zichtbaar gebruik van cocaïne is slechts sporadisch geconstateerd. Het wordt meestal discreet behandeld en is niet iets waar men zomaar tegen over vreemden voor uitkomt. Gebruik in het uitgaansleven speelt zich vaak af op toiletten of in donkere, stille hoeken van de zaak. Ondanks de strengere controle is het niet mogelijk het gebruik binnen locaties helemaal te voorkomen. Er is als het ware sprake van een verborgen zichtbaarheid; als je het niet wilt zien, zie je het niet. Naast pragmatische redenen, omdat men bij betrapping veelal uit de zaak verwijderd wordt, blijken gebruikers zelf ook een zekere discretie in acht te nemen. Men trekt zich even terug, bijvoorbeeld op het toilet, om te gebruiken. Uit observaties blijkt dat zelfs in een zaak waar de eigenaar wel openlijk gebruikt, andere gebruikers zich toch meer op de achtergrond houden. Hun gebruik speelt zich af achter de gesloten deur van de keuken of het toilet. Dit gebeurt ook in meer 'deftige' kringen tijdens een feestje: men gebruikt op een andere kamer om niet-gebruikers niet te storen of te shockeren. Vaak worden er codes gebruikt zoals naar de neus wijzen of zeggen dat men even 'de neus gaat poederen' of 'een fris neusje' gaat halen.
Gebruikswijzen in het uitgaansleven beperken zich tot snuiven en roken (ploffies), zeer sporadisch komt basen voor. Ook met betrekking tot de manier van gebruik is er sprake van een democratisering van het cocaïnegebruik. Spiegeltjes en zilveren buisjes of opgerolde bankbiljetten, lijken te zijn vervangen door giropasjes (of in luxere kringen nog wel eens een creditcard) en rietjes of lege pennehulzen. Vaak wordt ook snel wat cocaïne op het velletje tussen duim en wijsvinger gelegd en vervolgens opgesnoven. Basen en andere gebruikswijzen zoals injecteren en chinezen gebeuren overwegend thuis, op dealadressen of op straat (publieke plaatsen). In dat laatste geval gaat het voornamelijk om polydrugsgebruikers.
Verkrijgbaarheid/handel
Tijdens het veldwerk is niet expliciet aandacht besteed aan de handel in cocaïne. Wel is informatie verkregen over de kleine handel op gebruikersniveau. De wijze waarop gebruikers aan cocaïne komen is nogal verschillend. Dit varieert van het afhalen bij deal panden tot het aan huis laten bezorgen door een dealer. Opmerkelijk is dat enerzijds deze kleinhandel van heroïne meer en meer verstrengeld is geraakt met die van cocaïne, maar dat anderzijds toch sprake is van een duidelijk gescheiden aanbodkanaal. Met andere woorden: er zijn dealers/locaties waar wel cocaïne, hasj, XTC en eventueel speed te verkrijgen zijn, maar waar absoluut geen heroïne te koop is. In hoeverre dit voor verschillende groepen gebruikers onderling verschilt zal nader onderzoek moeten uitwijzen. Duidelijk is wel dat polydrugsgebruikers hun cocaïne betrekken van de markt waar sprake is van verstrengeling.
Cocaïne wordt vaak verhandeld in kleine envelopjes, soms in plastic zakjes waarin ook wel softdrugs worden verhandeld. De hoeveelheid is vaak een kwart gram ('kwartjes'). De prijzen zijn vergelijkbaar met die van heroïne en variëren van 25 tot 50 gulden per kwart gram. Een en ander is vooral afhankelijk van plaats en kwaliteit. Koopt men in grotere hoeveelheden of is men beter bekend met de dealer, dan gaan de prijzen omlaag en liggen ze tussen de 90 en 180 gulden per gram. Met betrekking tot de handel op gebruikersniveau kan het volgende beeld worden geschetst.
Via de straat
Bekende plaatsen zijn Centraal Station en omgeving, West-Kruiskade, Nieuwe Binnenweg en Witte de Withstraat. Soms wordt ook gekookte coke verkocht, die ter plekke bereid wordt. Kopen op straat wordt meestal afgeraden door insiders, omdat het dan vaak om cocaïne van inferieure kwaliteit gaat. Hier is duidelijk sprake van een verstrengeling met de heroïnemarkt. Voor buitenstaanders en nieuwkomers vormt dit de meest toegankelijke markt. Af en toe wordt ook gebruik gemaakt van de diensten van straatprostituées. Zij fungeren als koeriers. Men is op de hoogte van het feit dat straatprostituées gebruiken en dat ze weten waar het verkrijgbaar is. In ruil voor een deel van de gekochte drugs verrichten de prostituées koeriersdiensten.
Via heroïne-dealpanden
Deze dealpanden liggen verspreid over Rotterdam. De handel is bijna altijd verstrengeld met die van heroïne. Ze worden overwegend bezocht door polydrugsgebruikers. Er is wel eens sprake van overlast en een aantal van deze panden is bekend bij de politie.
Via cocaïne-dealpanden
Eveneens verspreid over Rotterdam liggen dealpanden waar alleen cocaïne wordt verkocht. Er is meestal geen sprake van overlast en deze panden zijn derhalve in de meeste gevallen niet bij de politie bekend.
Via portiers of huisdealers
In verschillende horeca-gelegenheden is het mogelijk via de portier of via de huisdealer aan cocaïne te komen. Hier lijkt sprake van een specifieke markt gescheiden van die van heroïne. Eventueel zijn hasj, speed of XTC te verkrijgen. Er zijn enkele coffeeshops waar naast softdrugs ook andere middelen zoals bijvoorbeeld heroïne en cocaïne te verkrijgen zijn. Ook zijn er dealers die naast cocaïne tevens hasj dealen. Er is echter een groot aantal coffeeshops waar men van deze andere middelen niets moet hebben; gebruikers van harddrugs worden angstvallig buiten de deur gehouden.
Thuis bezorgen
Een aantal gebruikers laat de cocaïne door een dealer aan huis bezorgen. Deze dealers leveren voor zover bekend alleen cocaïne en eventueel hasj. Ook deze markt is dus gescheiden van die van heroïne. Een redelijke bekendheid en vertrouwensband met de dealer is hiervoor noodzakelijk.
3.2    Achtergrondskenmerken
Cocaïnegebruik komt in het algemeen meer onder mannen dan onder vrouwen voor. Zo worden in een tweetal Amerikaanse studies percentages van 32% en 44% vrouwen genoemd (Morningstar en Chitwood 1987, Erickson e.a. 1987). De steekproef in het Amsterdamse onderzoek onder niet-deviante cocaïnegebruikers bestaat voor 40% uit vrouwen (Cohen 1989). In Rotterdam zijn minder vrouwelijke cocaïnegebruikers aangetroffen: de respondentengroep bestaat voor een vijfde (19%) uit vrouwen en voor vier vijfde (81%) uit mannen, een verschil dat overeenkomst vertoont met de man-vrouw verdeling onder opiaatgebruikers (Intraval 1989 en 1991, Korf e.a. 1990, NVC 1990, Toet en Geurs 1992). In tegenstelling tot het Amsterdamse onderzoek zijn in het Rotterdamse onderzoek tevens cocaïnegebruikers geïnterviewd die naast cocaïne opiaten gebruik(t)en, een derde (33%) van alle respondenten(1). Het geringe aantal vrouwen is hierdoor echter niet te verklaren. Wanneer de opiaatgebruikers buiten beschouwing worden gelaten, bestaat de Rotterdamse respondentengroep nog steeds voor een vijfde (19%) uit vrouwen. In het vorige hoofdstuk is reeds vermeld dat de Rotterdamse respon denten is gevraagd hen bekende cocaïnegebruikers (nominees) te noemen. Over deze nominees heeft men onder meer informatie over sexe en leeftijd verstrekt. Dit betekent dat, naast de 110 respondenten, van meer dan 1.000 cocaïnegebruikers in Rotterdam het geslacht bekend is. Onder de nominees is slechts een lichte stijging van het percentage vrouwen waar te nemen: 23% vrouwen versus 77% mannen. Met de nodige voorzichtigheid mag hieruit worden geconcludeerd dat de populatie cocaïnegebruikers in Rotterdam voor ongeveer een kwart uit vrouwen bestaat.
Figuur 3.1
Leeftijdsverdeling van respondenten (N=110) en nominees (N=1.043)
Leeftijdsverdeling van respondenten (N=110) en nominees (N=1.043)
 
De gemiddelde leeftijd van de respondenten is 29 jaar. De jongste respondent is 18, de oudste respondent 47 jaar. Onder de nominees is de jongste gebruiker zelfs jonger dan 15 jaar en de oudste ouder dan 50 jaar. Uit figuur 3.1 blijkt dat het cocaïnegebruik in Rotterdam duidelijk verspreid is over de verschillende leeftijdscategorieën, met als zwaartepunt de gebruikers van 20 tot 30 jaar(2) (zie ook Spotts en Shontz 1984, Morningstar en Chitwood 1987, NIDA 1990). De gemiddelde leeftijd van de Rotterdamse respondenten is lager dan dat van de respondenten uit het Amsterdamse onderzoek, met name worden er meer gebruikers jonger dan 21 jaar aangetroffen.
Tabel 3.1
Leeftijdsverdeling van respondenten en nominees
naar sexe en opiaatgebruik (in procenten)   
Sexe Opiaatgebruik Totaal Totaal
Man Vrouw NO* O* Resp. Nominees

<21 jaar 11 5 14 3 10 10
21-25 24 9 22 19 21 24
26-30 24 38 23 33 26 27
31-35 18 34 24 14 21 18
36-40 20 9 16 13 18 14
>40 3 5 1 8 4 7

totaal 100% 100% 100% 100% 100% 100%
n=89 n=21 n=74 n=36 n=110 n=1043
 * NO = niet-opiaatgebruikers; O = opiaatgebruikers
De respondenten die naast cocaïne ook opiaten gebruik(t)en zijn gemiddeld ruim 30 jaar oud, de gemiddelde leeftijd van niet-opiaatgebruikers is ruim 28 jaar. Verder blijken mannen gemiddeld jonger dan vrouwen, respectievelijk bijna 29 jaar en ruim 30 jaar. Onder de cocaïnegebruikers die geen opiaten gebruik(t)en is het leeftijdsverschil tussen mannen en vrouwen het grootst: maar liefst 79% van deze vrouwen is tussen 25 en 35 jaar oud, tegenover 40% van de mannen. Wellicht ligt hierin de verklaring voor het hoge percentage vrouwen in de Amsterdamse steekproef. Deze bestaat namelijk voor het merendeel uit respondenten in deze leeftijdsgroep.
Ruim een tiende (12%) van de Rotterdamse respondenten is van niet-Nederlandse herkomst, te weten Surinaams, Antilliaans, Mediterraan, Indonesisch, Moluks en Kaapverdiaans. In het Amsterdamse onderzoek is niet gevraagd naar etniciteit. Wel is daar bekend dat 12% van de respondenten buiten Nederland is geboren.
In een aantal grote Amerikaanse studies naar cocaïnegebruik in de jaren tachtig, wordt de risicogroep voor overmatig cocaïnegebruik geschetst als bestaande uit moderne, sterke en vindingrijke individuen (Spotts en Shontz 1984, NIDA 1986, Morningstar en Chitwood 1987). Dit in tegenstelling tot opiaatgebruik, waarvan men veronderstelt dat de risicogroep veeleer uit zwakke, emotioneel gestoorde, of sociaal achtergestelde personen bestaat. De cocaïnegebruiker hangt de gangbare waarden van de westerse maatschappij aan: materieel succes, carrière, ambitie, competitie. Hij is te vinden in de wereld van de reclame en de consultancy, en verder onder acteurs, schrijvers, advocaten, en in de oudere vrije beroepen. Een groot deel van de zware cocaïnegebruikers bestaat volgens deze studies uit succesvolle, hoogopgeleide yuppies, tussen de 20 en 30 jaar oud. Geldproblemen kennen zij niet. Dit beeld van de cocaïnegebruiker wordt echter meer en meer in twijfel getrokken. Het lijkt voor een belangrijk deel gebaseerd op beeldvorming en mythen die niet meer met de werkelijkheid stroken (zie o.a. Kozel en Adams 1985). Zowel in Amerika als in ons land, is er de laatste jaren sprake van een geleidelijke ontluistering van het beeld van cocaïne (Arif 1987, Cohen 1989). Meer recent lijken in de Verenigde Staten vooral jongeren uit de ghetto's verslaafd te raken aan de crack (een variant van cocaïne).
Het feit dat in ons onderzoek ook respondenten zijn geïnterviewd die naast cocaïne opiaten gebruik(t)en, geeft al aan dat cocaïnegebruik in Rotterdam anno 1992 niet alleen onder kapitaalkrachtige yuppies is aan te treffen. Verder is de helft (51%) van de respondenten ten tijde van het interview zonder een reguliere baan (zie tabel 3.2). In verhouding verrichten minder vrouwen dan mannen betaalde arbeid. Hetzelfde geldt voor opiaatgebruikers ten opzichte van niet-opiaatgebruikers. Wanneer de opiaatgebruikers buiten beschouwing worden gelaten, is 40% van de overgebleven respondenten zonder een reguliere baan, tegenover bijna een derde van de niet-deviante respondenten in het Amsterdamse onderzoek (Cohen 1989).
Tabel 3.2
Belangrijkste dagelijkse bezigheid van de respondenten
naar sexe en opiaatgebruik (in procenten)
Sexe Opiaatgebruik Totaal
man vrouw NO* O*

werkend 41 29 50 17 39
werkloos 52 48 40 75 51
huisvrouw - 14 - 8 3
student 7 9 10 - 7

totaal 100% 100% 100% 100% 100%
n=89 n=21 n=74 n=36 N=110
* NO=niet-opiaatgebruikers; O=opiaatgebruikers
Voor het beschrijven van de beroepen van de respondenten, is een beroepsindeling gehanteerd gebaseerd op sociaal-economische status (Salvany en Alonso 1988).
Tabel 3.3
Beroepenclassificatie van de respondenten gebaseerd
op sociaal-economische status (in procenten)
Sexe Opiaatgebruik Totaal
man vrouw NO* O*

professioneel 4 4 7 - 4
intermediair 20 10 22 11 18
geschoold 6 6 5 6 6
gedeeltelijk geschoold 30 33 27 39 31
ongeschoold 7 - 4 8 6
inadequaat beschreven(3) 33 47 35 36 35

totaal 100% 100% 100% 100% 100%
n=89 n=21 n=74 n=36 N=110
* NO=niet-opiaatgebruikers; O=opiaatgebruikers
   
Er blijkt sprake van een grote spreiding. Zo oefent bijna een kwart (22%) van de respondenten professionele of intermediaire beroepen uit, meer dan een derde (37%) verricht gedeeltelijk geschoolde of ongeschoolde arbeid (zie tabel 3.3). Wat dit betreft bestaat er een duidelijk verschil tussen opiaatgebruikers en niet-opiaatgebruikers, het verschil tussen mannen en vrouwen is gering.
In de beroepsindeling gebaseerd op sociaal-economische status gaat veel informatie verloren over de specifieke kenmerken van de beroepen en werkzaamheden. Derhalve is, voor zowel de respondenten als de nominees een tweede beroepsindeling gemaakt, uitgaande van soort beroep oftewel de beroepssector. Hierin zijn prostituées en eigena ren van sex-clubs bijvoorbeeld ingedeeld in de categorie sex-industrie. Kunstenaars, kunstschilders, jongleurs en muzikanten zijn allen ingedeeld in de beroepsklasse kunst/cultuur. In Bijlage B staan de beroepscategorieën vermeld met voorbeelden van de door de respondenten genoemde beroepen. Van een vijfde van de nominees is het beroep niet bekend: de respondenten kunnen slechts vermelden dat zij ten tijde van het interview uitkeringsgerechtigd zijn. Wanneer de respondent zelf ten tijde van het interview geen reguliere baan heeft, is gekeken naar de onbetaalde of illegale werkzaamheden die hij/zij verricht, of het beroep dat in het verleden is uitgeoefend. Figuur 3.2 laat zien dat er een grote diversiteit bestaat in het soort beroep dat door de cocaïnegebruikers wordt uitgeoefend.
Figuur 3.2
Beroepenclassificatie van respondenten en nominees
gebaseerd op beroepssector
Beroepenclassificatie van respondenten en nominees gebaseerd op beroepssector
 
Sterk vertegenwoordigde beroepssectoren zijn: kunst en cultuur, de horeca en de technische sector. De vrouwelijke respondenten zijn in verhouding vaker werkzaam in de verzorging, de horeca en de sex-industrie; de mannelijke respondenten in technische beroepen of het criminele circuit. Het blijkt verder dat opiaatgebruikers sterk vertegenwoordigd zijn in de sex-industrie en het criminele circuit. Overeenkomstig het Amsterdamse onderzoek, zijn de niet-opiaatgebruikers vaker studerend of werkzaam in de sectoren kunst en cultuur, de vrije sector, en de horeca. In Rotterdam wordt echter ook een hoog percentage (18%) technische beroepen aangetroffen onder niet-opiaatgebruikers.
Het opleidingsniveau van de respondenten laat eveneens een grote spreiding zien. Zo heeft bijna een derde (31%) hoger onderwijs (HBO en WO) gevolgd. Daar staat tegen over dat een vijfde (21%) slechts een opleiding op LBO-niveau heeft gevolgd. Er is wat dit betreft geen verschil gevonden tussen mannen en vrouwen. Het opleidingsniveau van opiaatgebruikers is echter beduidend lager dan van de niet-opiaatgebruikers (zie tabel 3.4). Ook wanneer de opiaatgebruikers buiten beschouwing worden gelaten, blijkt het opleidingsniveau van de Rotterdamse respondenten meer uiteen te lopen dan dat van de Amsterdamse(4). Opmerkelijk is dat meer dan de helft (55%) van alle respondenten de hoogst bereikte opleiding niet heeft afgerond. Dit geldt voor twee derde van de opiaat gebruikers, tegenover de helft van de niet-opiaatgebruikers. Van de niet-opiaatgebruikers is 17% nog studerend.
Tabel 3.4
Hoogst bereikte opleidingsniveau (in procenten)
Sexe Opiaatgebruik Totaal
man vrouw NO* O*

LBO 24 10 18 28 21
MAVO 9 10 5 17 9
MBO 21 35 18 36 24
HAVO 12 10 14 8 14
VWO 3 - 1 6 1
HBO 25 25 34 5 25
WO 6 10 10 - 6

totaal 100% 100% 100% 100% 100%
n=89 n=20 n=73 n=36 N=109
* NO = niet-opiaatgebruikers; O = opiaatgebruikers
Resumerend kan worden opgemerkt dat het opleidingsniveau en de beroepen die worden uitgeoefend zeer divers zijn. Hieruit kan worden afgeleid dat cocaïnegebruik in Rotterdam in alle lagen van de bevolking voorkomt. De helft van de gebruikers is zonder een reguliere baan. Er bestaan echter grote verschillen tussen opiaatgebruikers en niet-opiaatgebruikers. Maar ook wanneer de opiaatgebruikers buiten beschouwing worden gelaten, blijken de Rotterdamse respondenten wat betreft opleiding en beroep meer gedifferentieerd dan de Amsterdamse. In Rotterdam is duidelijk sprake van een ontluistering van het traditionele beeld van de cocaïnegebruiker.
3.3    Gebruikswijzen
Cocaïne wordt gesnoven, intraveneus gespoten, of het wordt gebruikt door middel van 'free-basen'. Roken komt weinig voor, al was het maar omdat dit een dure methode is, waarbij veel verloren gaat. De meerderheid van de cocaïnegebruikers lijkt het middel te snuiven, zeker buiten de harddrugsscene. Van Cohen's, niet-deviante, respondenten in Amsterdam had nog geen 20% ooit gebased, en slechts 6% ooit gespoten (1989). Mogelijk is er bij dit middel dus enige samenhang tussen gebruiksmethode, en al dan niet sociaal geïntegreerde levenswijze (zie ook Van Hunnik 1989). Bij het basen rookt men cocaïne-alkaloïde (kristallen) in glazen waterpijpen, gevuld met bijvoorbeeld sterke rum. De specifieke effecten van cocaïne lijken op deze manier extra hard aan te komen. Bovendien krijgt de gebruiker vaak de neiging een tijdlang, dwangmatig, steeds maar door te gaan. Men kan volledig het zicht kwijtraken op hoeveel men aan het gebruiken is (NIDA 1986). Intensief en langdurig basen kan leiden tot lichamelijke aftakeling (Boetje 1984).
Crack, in de VS op grote schaal te verkrijgen, is het hydrochloride-bestanddeel van de cocaïne, met behulp van soda en water tot een 'base' gedistilleerd (bij het free-basen gebeurt dit met behulp van vluchtige stoffen). Het kan gerookt worden, bijvoorbeeld in een pijpje. Als zodanig zou het niet op de Nederlandse markt te vinden zijn, maar mogelijk fabriceren sommige gebruikers het zelf thuis. Tijdens het interview is de respondenten uitdrukkelijk gevraagd naar eventuele ervaringen met crack. Volgens een aantal van hen is in Rotterdam 'gekookte coke' verkrijgbaar, met name rond het Centraal Station. Men spreekt in dit verband vaak van de Nederlandse variant van crack.
Uit figuur 3.3 blijkt dat ook in Rotterdam snuiven de meest gebruikelijke manier is waarop cocaïne wordt geconsumeerd (50%), gevolgd door injecteren (15%), basen (5%), chinezen (3%)(5) en roken (1%). Een kwart (26%) van de respondenten gebruikt cocaïne echter op meerdere wijzen. Veelal wordt snuiven gecombineerd met een andere gebruikswijze, met name basen en roken (zie figuur 3.3). In ons onderzoek blijkt injecteren en basen populairder dan in dat van Cohen (1989). Van de Amsterdamse respondenten heeft 18% ooit gebased en 6% ooit geïnjecteerd. In de periode van het zwaarste gebruik is basen voor 12% en injecteren voor 16% van de Rotterdamse respondenten echter de belangrijkste wijze waarop cocaïne wordt gebruikt(6). Van alle geïnterviewden hebben 30 ooit gebased (27%). Van de 74 respondenten die nog nooit opiaten hebben gebruikt, hebben 12 ooit eens gebased (16%).
vorige   volgende
Colofon en inhoudsopgave
Hoofdstuk 1    Inleiding en probleemstelling
Hoofdstuk 2    Verkooppunten
Hoofdstuk 3    Algemene impressies
Hoofdstuk 4    Karakteristieke kenmerken
Hoofdstuk 5    Typologie
Hoofdstuk 6    Spreiding, verspreiding en omvang
Hoofdstuk 7    Conclusies en discussie
Samenvatting
Literatuur
Bijlage A    Verklarende woordenlijst
Bijlage B    Beroepsclassificatie naar soorten
Bijlage C    Patronen van gebruik
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.