INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies<
 
In Grote Lijnen
Hoofdstuk 2    Verkooppunten
In dit hoofdstuk wordt de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd besproken. Allereerst worden enkele methoden, met name ter bepaling van de omvang, behandeld die vaak worden toegepast in drugsonderzoeken. Tevens wordt ingegaan op sneeuwbalsteekproeven en netwerkanalyse. Vervolgens wordt de opzet van het onderzoek naar cocaïnegebruik in Rotterdam uiteengezet, gevolgd door een bespreking van de analyses die zullen worden toegepast. Tot slot wordt het onderzoeksverloop besproken.
2.1    Schattingsmethoden en verantwoording
In Nederland en daarbuiten is de afgelopen jaren een aantal methoden toegepast om te komen tot omvangsschattingen van drugsgebruik (Hartnoll e.a 1985, Korf 1986, Intraval 1989 en 1991). Het betreft hier opiaatverslaafden, die tot een andere categorie kunnen worden gerekend dan cocaïnegebruikers. Het belangrijkste verschil wordt veroorzaakt door de snelle en sterke lichamelijke afhankelijkheid die opiaatgebruikers ontwikkelen. Dit draagt er toe bij dat zij vaker en sneller met allerlei vormen van hulpverlening in contact komen dan cocaïnegebruikers. Bovendien heeft de hulpverlening opiaatgebruikers methadon te bieden ter vervanging van heroïne, terwijl er voor cocaïne geen substituut bestaat.
Voor een aantal schattingsmethoden vormen de gegevens van drugshulpverleningsinstellingen over hun cliënten, grotendeels opiaatgebruikers, een referentiekader. Daarbij moet worden opgemerkt dat de hulp aan opiaatgebruikers in Nederland sterk is geïnstitutionaliseerd. Het is voor de opiaatgebruiker duidelijk waar hij met zijn problematisch drugsgebruik voor hulpverlening op is aangewezen(1). Voor andere hulpverleningsinstellingen, artsen, justitie, politie, familie, vrienden en kennissen is bovendien bekend waar de opiaatgebruiker naar kan worden doorverwezen. Deze schattingsmethoden zijn echter niet geschikt voor het bepalen van de omvang van het aantal cocaïnegebruikers, omdat deze gebruikers (nog) nauwelijks met de hulpverlening in aanraking komen. In het geval van cocaïnegebruik kan met andere woorden de hulpverlening niet als schattings-referentiekader fungeren.
Een ander referentiekader bij een aantal schattingsmethoden wordt gevormd door gegevens verkregen via politie en justitie. De politie registreert wel opiaatgebruikers, maar verzamelt geen gegevens over cocaïnegebruikers. Het Rotterdamse Huis van Bewaring houdt sinds 1988 een dergelijke registratie wel bij, doch dit geldt uiteraard alleen voor gedetineerden. Bovendien is een periode van vier jaar voor registratie van cocaïnegebruikers onder gevangenispopulaties vrij kort: de aantallen zullen nog klein zijn.
Survey-onderzoek
Bij veel onderzoek wordt gebruik gemaakt van een representatieve c.q. aselecte steekproef, zo ook bij een survey-onderzoek. Op basis van toeval wordt een deel van de populatie opgenomen in een steekproef. De informatie verkregen uit die steekproef kan men, gebaseerd op kansberekening, vertalen naar de gehele populatie. Voorwaarde om de mate van voorkomen van een eigenschap, bijvoorbeeld cocaïnegebruik, te schatten is dat de te meten eigenschap in voldoende mate voorkomt in de steekproef. Bij het vraagstuk van de mogelijke omvang spelen ook non-respons en betrouwbaarheid een rol. Veel hangt daarbij af van de vraag hoe groot de kans is dat iemand te kennen geeft dat hij cocaïne gebruikt. Het gebruik van cocaïne is niet strafbaar, echter wel het in het bezit hebben, het vervoeren en het bereiden daarvan. Een cocaïnegebruiker loopt derhalve de kans te worden gearresteerd voor het in bezit hebben van een illegale drug. Op basis daarvan mag men verwachten dat een gebruiker niet altijd te kennen zal willen geven dat hij cocaïne gebruikt. Een gevolg daarvan is dat de survey-methode waarschijnlijk een onderschatting oplevert. Anderzijds heeft cocaïne voor een aantal personen nog steeds de naam een status-drug te zijn. Sommige gebruikers zullen daarom juist te kennen willen geven dat zij zich deze drug kunnen veroorloven. Daarbij komt dat cocaïne vooralsnog niet zo'n slechte reputatie heeft als bijvoorbeeld heroïne.
Uit een onderzoek onder de Amsterdamse bevolking in 1988 blijkt dat een omvangsschatting op basis van een survey-onderzoek (in Rotterdam) alleen verantwoord is voor de leeftijdscategorie 17 tot en met 49 jaar, voor wat betreft life-time en jaar-prevalentie (Sandwijk e.a. 1988). Deze methode lijkt minder geschikt als het gaat om personen die maandelijks cocaïne gebruiken, omdat de percentages dan vrijwel zeker te laag uitvallen. Van belang hierbij is in hoeverre de Rotterdamse cijfers mogelijk afwijken van de Amsterdamse cijfers. Liggen de verwachte percentages cocaïnegebruik hoger in Rotterdam dan is de te meten eigenschap in voldoende mate aanwezig. Bij een verschil echter van min één procent ten opzichte van de Amsterdamse resultaten is een omvangsschatting op basis van een survey-onderzoek een riskante onderneming. De jaar-prevalentie is dan kleiner dan 1%. Om nauwkeurige resultaten over de omvang van een dermate kleine deelpopulatie te krijgen zou een zeer grote (en dus kostbare) survey nodig zijn. Bovendien is de kans op onbetrouwbare antwoorden en een selectieve non-respons groot. Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat een survey geen geschikte methode is voor een onderzoek naar aard en omvang van cocaïnegebruik.
Nominatie-techniek
De nominatie-techniek is een schattingsmethode die in onderzoeken onder opiaatgebruikers veelvuldig is gebruikt (Hartnoll e.a. 1985, Korf 1986, Intraval 1990 en 1991). Uitgangspunt bij deze methode is dat men gebruikers vraagt bekenden te noemen die harddrugs gebruiken en tevens of deze vrienden de afgelopen 12 maanden in contact zijn geweest met bijvoorbeeld hulpverleningsinstellingen. Op basis van de verhouding hulpverlening/geen hulpverlening en cijfers van de hulpverlening, kan dan een schatting van het aantal gebruikers worden gemaakt. Reeds eerder is echter aangegeven dat de (drugs)hulpverlening en politie en justitie niet als referentiekader kunnen fungeren voor personen die enkel en alleen cocaïne gebruiken. De Rotterdamse hulpverlening kent immers nauwelijks zogenoemde pure cocaïnegebruikers, terwijl de politie geen gegevens over cocaïnegebruikers verzamelt. Dit betekent dat ook de nominatie-techniek voor ons onderzoek ongeschikt is.
Capture-Recapture methode
Bij deze methode vergelijkt men twee onafhankelijke steekproeven uit dezelfde populatie. Men bekijkt hoeveel personen in beide steekproeven voorkomen. Op grond van deze overlap en de grootte van beide steekproeven, kan men tot een schatting van de omvang van de totale populatie komen. Is deze overlap groot, dan is de populatie relatief klein; is hij daarentegen klein, dan is de populatie relatief groot. In de praktijk blijkt echter dat vooral bij moeilijk grijpbare groepen als drugsgebruikers, het bijna ondoenlijk is uit de populatie twee onafhankelijke steekproeven te trekken. Als oplossing gebruikt men veelal afzonderlijke bestanden die wel voorhanden zijn. Bij opiaatgebruikers zijn dit vooral bestanden van politie en drugshulpverlening. Echter ook voor deze methode geldt hetzelfde bezwaar als voor de nominatie-techniek, namelijk dat er een te klein aantal gegevens aanwezig is bij de hulpverlening en de politie.
2.2   Sneeuwbalsteekproeven
Sneeuwbalsteekproeven zijn oorspronkelijk bedoeld voor het analyseren van sociale structuren in de samenleving. Reeds in 1958 introduceert Coleman de sneeuwbalsteek proef als dataverzamelingsmethode die rekening houdt met de sociale omgeving waarin mensen leven. Tot dusverre is deze methode in het drugsonderzoek vooral gebruikt voor het verkrijgen van respondenten. Door gebruik te maken van deze methode is het echter ook mogelijk informatie te verzamelen over relatiestructuren tussen personen waarbij cocaïne een rol speelt. De methode van sneeuwbalsteekproeven levert tevens een mogelijkheid om het totaal aantal gebruikers te schatten. Hierbij wordt uitgegaan van een beginsteekproef van gebruikers, waaraan wordt gevraagd namen te noemen van andere gebruikers die zij kennen. De nieuw genoemde gebruikers (verlengingen) vormen het volgende deel van de sneeuwbal, waarna de procedure kan worden vervolgd. Om tot een statistisch verantwoorde schatting te komen zijn de volgende overwegingen van belang.
  • Het begin van de sneeuwbal moet worden gevormd door een groep gebruikers die zo goed mogelijk een aselecte of gestratificeerde aselecte steekproef van gebruikers benadert. Indien het begin van de sneeuwbal niet strikt aselect is, is er een mogelijkheid van vertekening in de resultaten. Het zal dan nodig zijn zo goed mogelijk rekening te houden met de verschillen in kansen waarmee de verschillende gebruikers in de beginsteekproef voor kunnen komen.
  • Bij het schatten van het aantal gebruikers uit de sneeuwbalsteekproef zal het 'capture-recapture' idee moeten worden gebruikt: hoeveel van de genoemde gebruikers waren al eerder in de steekproef aanwezig, en hoeveel zijn echt nieuwe namen?
  • Voor de nauwkeurigheid van de met deze methode te vinden schatting is de omvang van het begin van de sneeuwbal vermoedelijk van groot belang; een te klein begin zal geen zinvolle resultaten opleveren. De minimaal benodigde omvang van het begin van de sneeuwbal zal onder andere afhangen van de netwerkstructuur, dat wil zeggen het patroon van onderlinge bekendheid van de gebruikers, en uiteraard van de bereidheid andere gebruikers te noemen(2).
Het gebruik van de sneeuwbalmethode levert naast een omvangsschatting en informatie over relaties uiteraard ook, net als andere steekproefmethoden, informatie op over de samenstelling van de populatie van gebruikers. Hierbij moet worden aangetekend dat de sneeuwbalsteekproef als zodanig niet noodzakelijkerwijs een representatieve groep gebruikers vormt: zij van wie veel anderen weten dat zij cocaïne gebruiken ('bekende gebruikers') lopen een veel grotere kans in de steekproef terecht te komen dan minder bekende gebruikers.
2.3   Netwerkanalyse
Sociale netwerkanalyse is een benadering van sociale verschijnselen waarbij de nadruk ligt op de relaties tussen personen (of tussen de andere eenheden van analyse, bijvoorbeeld bedrijven of landen), en waarbij vruchtbaar gebruik wordt gemaakt van de graphentheorie (zie bijvoorbeeld Stokman 1982). Allerlei soorten relaties zijn mogelijk. In het onderzoek naar cocaïnegebruik zijn relevante relatiesoorten onder anderen de volgende: persoon A kent persoon B en weet dat deze cocaïne gebruikt; persoon A is begonnen met cocaïnegebruik onder invloed van (of na introductie door) persoon B; persoon A koopt cocaïne van persoon B. Bij de nominatie- en de sneeuwbaltechniek is al van een netwerkbenadering gebruik gemaakt zonder dat deze term is genoemd. Hierbij speelt immers de eerstgenoemde relatievorm (kennen en weten dat de ander cocaïne gebruikt) een rol. Ook internationaal wordt netwerktheorie gebruikt voor onderzoek naar moeilijk te benaderen populaties of naar gedragsvormen in de taboesfeer; zie bijvoorbeeld Sudman e.a. (1988), Laumann e.a. (1989) en Spreen (1992).
Naast het gebruik in schattingsmethoden is netwerkanalyse ook op zich een vruchtbare invalshoek voor onderzoek naar cocaïnegebruik. Door op netwerken gebaseerde steekproefmethoden kan men informatie over relaties tussen gebruikers verkrijgen, die vervolgens met methoden uit de netwerktheorie kunnen worden geanalyseerd. Enkele fundamentele vragen zijn bijvoorbeeld in welke mate gebruikers van elkaars cocaïnegebruik op de hoogte zijn, in hoeverre de groepen gebruikers in kleinere deelcircuits uiteenvallen, en welke personen een centrale positie innemen in dergelijke circuits. Als de link tussen twee van tevoren gedefinieerde circuits(3) van gebruikers door een klein aantal personen wordt gevormd, kan het interessant zijn te weten wat dat voor personen zijn. Netwerkinformatie kan ook een belangrijk licht werpen op verspreidingspatronen van cocaïnegebruik: vindt bijvoorbeeld deze verspreiding plaats door toedoen van een paar personen met een speciale rol in de gebruikerswereld, of dragen alle gebruikers er aan bij.
   
2.4   Opzet onderzoek
Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat voor het bepalen van de omvang van het cocaïnegebruik de nominatie-techniek weinig mogelijkheden biedt, omdat er geen goed referentiekader aanwezig is. Bij een survey-onderzoek is weliswaar het aselecte begin van de steekproef groot, maar uit paragraaf 2.1 blijkt dat deze methode in ons onderzoek niet toepasbaar is. In verband met de te verwachten lage prevalentie is een grote (en dus kostbare) steekproef noodzakelijk. Verder kunnen vraagtekens worden gezet bij de betrouwbaarheid van de resultaten, gezien de gevoeligheid van het onderwerp. Bovendien is netwerkanalyse dan niet mogelijk, omdat niet naar relatiekenmerken wordt gevraagd. De beste mogelijkheid om te komen tot een omvangsschatting van het cocaïnegebruik in Rotterdam ligt in het gebruik van de sneeuwbalmethode, tezamen met netwerkanalyse. Naast een omvangsschatting geeft deze aanpak tevens inzicht in de spreiding en de verspreiding van cocaïnegebruik. Hiervoor worden respondenten vragen gesteld over andere hen bekende cocaïnegebruikers in Rotterdam.
Voor het beschrijven van de aard van het cocaïnegebruik worden zogenoemde kwalitatieve onderzoeksmethoden gebruikt, gebaseerd op de methode en het begrippenkader van Janssen en Swierstra (1982). Hierbij wordt het drugsgebruik niet alleen opgevat als een individuele activiteit, maar wordt tevens aandacht besteed aan sociaal-culturele en maatschappelijke factoren. Uitgebreide interviews, waarin onder meer de drugscarrière wordt behandeld, vormen de basis voor de typologieconstructie. Verder worden uit deze interviews verschillende kenmerken gekwantificeerd. Daarnaast wordt op basis van observaties een (kwalitatieve) beschrijving gegeven van de gelegenheidsstructuur.
2.4.1    Dataverzameling
De wijze van dataverzameling bestaat uit een combinatie van snowball sampling en targeted sampling (Goodman 1961, Watters en Biernacki 1989). Het principe van een sneeuwbalsteekproef is, dat aselect gekozen beginrespondenten wordt gevraagd een bepaald aantal namen van anderen te noemen die voldoen aan een door de onderzoekers opgesteld criterium. Vervolgens wordt aan de genoemden (nominees) gevraagd namen te noemen van anderen, enzovoort. Het insluitingscriterium voor zowel respondent als nominee is in ons onderzoek dat men minimaal 25 keer in totaal en/of vijf keer de afgelopen zes maanden cocaïne moet hebben gebruikt. Bovendien moet men in Rotterdam woonachtig zijn. Het is echter nauwelijks mogelijk op aselecte wijze cocaïnegebruikers als beginrespondenten te kiezen, omdat het hier een populatie betreft die moeilijk traceerbaar is, en waarvan bovendien geen steekproefkader beschikbaar is. Vandaar dat is besloten de techniek van een sneeuwbalsteekproef te combineren met het principe van targeted sampling.
Bij targeted sampling worden doelgericht respondenten geworven waarvan op basis van literatuur- en voorstudie wordt verondersteld dat deze een goede doorsnede vormen van de onderzoekspopulatie. In ons onderzoek bestaan de targets uit settings van cocaïnegebruik waarbinnen respondenten worden gezocht. Tijdens het veldwerk kan blijken dat bepaalde groepen in de settings nog niet of nauwelijks zijn benaderd. Ook is het mogelijk dat groepen tot dan toe onbekende gebruikers worden aangetroffen. Is dit het geval, dan wordt actief gezocht naar respondenten uit deze groepen.
2.4.2    Targets: settings van cocaïnegebruik
Op basis van een voorstudie, bestaande uit een uitgebreide literatuurstudie en gesprekken met sleutelinformanten van politie, justitie, uit de (drugs)hulpverlening, het jongerenwerk, en de horeca zijn acht settings van mogelijk cocaïnegebruik onderscheiden (Intraval 1990c). Er wordt verondersteld dat hier verhoudingsgewijs veel cocaïne wordt gebruikt. Voor het benaderen van respondenten vormen deze settings de initiële targets van het onderzoek.
a.  De harddrugswereld
Hierover bestaat duidelijk de meeste kennis. Ook in Rotterdam gebruiken bijna alle opiaatverslaafden, al dan niet regelmatig, cocaïne. Een toenemend aantal verslaafden blijkt aan te geven dat cocaïne voor hen niet alleen het hoofdmiddel, maar ook het hoofdprobleem is geworden.
b.  Jongerenkringen
Hierbij moet worden gedacht aan jongeren op verzamelplaatsen zoals jongerencentra, club- en buurthuizen, coffeeshops, snackbars en dergelijke. Andere groepen zijn zogenoemde voetbalsupporters-sides en zwerfjongeren, grotendeels uit kindertehuizen.
c.  De kunst-, cultuur- en muziekwereld
Hieronder worden gebruikers uit kringen van muziek, theater, kunst, media en dergelijke verstaan. Veelal wordt verondersteld dat vooral in deze kringen cocaïne wordt gebruikt, in het bijzonder op feestjes.
d.  De wereld van het snelle geld
Hiertoe behoren personen uit de reclame, mode en andere moderne vrije beroepen. Deze categorie wordt vaak in één adem genoemd met de vorige. Het is vooral deze categorie waarvan in brede kringen het beeld heerst dat er nogal wat cocaïne wordt gebruikt. Er lijken hier twee subcategorieën te kunnen worden onderscheiden. Enerzijds mensen die de hele week hard werken en in het weekend cocaïne gebruiken, vaak in combinatie met (veel) alcohol. Anderzijds mensen die drukke banen hebben en die, om dit vol te kunnen houden, ook door de week gebruiken.
e.  Kringen van hasj-gebruikers
Het gaat hierbij om personen die regelmatig, en deels in groepsverband, cannabis gebruiken. Overigens lijken er nog nauwelijks hasj-kringen te zijn waaraan men zijn identiteit ontleent. De enige waarbij dat wellicht nog het geval is, zijn de Surinaamse rasta's.
f.  Illegale en semi-legale kringen
Bij deze categorie gaat het in ons onderzoek vooral om jeugdige delinquenten, drugsdea lers en prostitué(e)s. In de straat- en sexclub-prostitutie lijkt vrij regelmatig cocaïne te worden gebruikt, onder andere om langer door te kunnen werken.
g.  Voortgezet onderwijs en universiteit
Tot deze categorie worden studenten en medewerkers van HBO-instellingen en universiteit gerekend. Het zou vaak worden gebruikt tijdens drukke tentamenperiodes.
h.  Sport- en fitnesswereld
Hierbij moet worden gedacht aan fitnesscentra en enkele takken van sport, zoals basketbal, honkbal, ijshockey en American football.
De acht settings dienen als eerste leidraad voor het begin van het veldwerk. In eerste instantie is een sociale kaart gemaakt van organisaties, instellingen, bedrijven en verenigingen die voor het onderzoek van belang kunnen zijn. Dit betreft zowel organisaties die zich specifiek bezig houden met (drugs)hulpverlening als organisaties die zich meer rich ten op specifieke (beroeps)groepen. Gedurende het onderzoek is deze kaart steeds verder ingevuld en aangepast, met name op andere terreinen dan de (drugs)hulpverlening, te weten sport- en fitnesscentra, sportclubs, galeries, oefenruimtes van muzikanten, ateliers van kunstenaars, clubs, en dergelijke. De verschillende locaties, instellingen, organisaties, bedrijven en verenigingen worden zo veel mogelijk gerangschikt onder de verschillende settings. Dit maakt het mogelijk het veld gerichter te benaderen en contacten te leggen met verschillende groepen gebruikers.
2.4.3    Werving respondenten
In het onderzoek is getracht op zeer uiteenlopende manieren met de respondenten contact te leggen. Op deze wijze is het mogelijk een zo heterogeen mogelijke groep cocaïnegebruikers te bereiken. De contactlegging heeft plaatsgevonden via:
  • veldwerk;
  • instellingen voor jeugd- en jongerenwerk, club- en buurthuizen;
  • (drugs)hulpverleningsinstellingen;
  • Huis van Bewaring;
  • advertenties.
   
Het veldwerk omvat, naast het houden van interviews, het verkennen en observeren van plaatsen waar gebruikers zich ophouden (het zogenoemde veld) door de onderzoekers. Door deze activiteiten kunnen eerste contacten worden gelegd met gebruikers. Bovendien wordt aanvullende informatie verkregen over de wereld van de gebruikers, waarbij de volgende onderwerpen van belang zijn.
  • Het reilen en zeilen binnen de gebruikerswereld, waarbij onder meer wordt gelet op het gedrag van de gebruikers onderling, de wijze van verkrijgen en gebruiken en de mate van gebruik.
  • De gelegenheidsstructuur, waarbij onder meer wordt gekeken op plaatsen waar wordt gebruikt en gehandeld op kleine schaal.
Tevens biedt het veldwerk mogelijkheden vast te stellen of de informatie die door sleutelinformanten en respondenten wordt verstrekt over bijvoorbeeld de targets be trouwbaar en voldoende is. Bovendien kunnen de samenstelling van de steekproef en de juistheid van de omvangsschattingen enigszins worden gecontroleerd.
2.4.4    Gegevens
Tijdens de interviews, die gemiddeld tweeëneenhalf uur duurden, is gebruik gemaakt van een vragenlijst bestaande uit twee delen, een zogenoemd kwalitatief en kwantitatief gedeelte. Het kwalitatieve deel is een itemlijst aan de hand waarvan met de respondent een gesprek wordt gevoerd. Onderwerpen die aan de orde komen zijn onder andere: achtergrond respondent; huidige leefstijl; eerste drug/alcohol ervaring; cocaïnecarrière; functies en effecten van cocaïne; huidige cocaïnegebruik; inkomsten; delicten; contacten met (drugs)hulpverlening. Daarnaast kan de respondent zaken die hij belangrijk vindt in de loop van het gesprek aan de orde laten komen. Deze gesprekken zijn op band vastgelegd, waarna zij zijn verwerkt en geordend met behulp van het tekstverwerkingsprogramma WordPerfect. Verder zijn uit de open interviews enkele kenmerken gedestilleerd die zijn verwerkt en geanalyseerd met behulp van SPSS (Statistical Package for the Social Sciences) en het tekstdatabase-programma AskSam.
Het kwantitatieve deel bestaat uit vragen met voorgecodeerde antwoordcategorieën. Deze hebben betrekking op het persoonlijke netwerk van de respondent, dat wil zeggen de hem bekende cocaïnegebruikers in Rotterdam. De respondent begint met het schatten van het aantal hem bekende gebruikers in de volgende vijf circuits waar cocaïne kan worden gebruikt: uitgaanswereld, werkplek, thuiscircuit, hobby en sport circuit, en harddrugsscene. Er is gekozen voor deze vijf circuits, omdat respondenten dan zowel gebruikers uit hun directe omgeving noemen als gebruikers uit voor hen meer perifere kringen(4). Op deze wijze wordt een redelijke spreiding verkregen van de contacten van de respondenten, waarbij cocaïne een rol speelt. Van elk van deze vijf circuits wordt de respondent gevraagd maximaal tien gebruikers te noemen (nominees) en informatie te geven over: geslacht; leeftijd; eerste twee letters van de voor- en achternaam; eventuele bijnaam; beroep; of het contact in samenhang met cocaïne plaatsvindt; of de genoemde weet dat de respondent cocaïne gebruikt. Vervolgens worden uit elk circuit aselect met behulp van een randomisatietabel twee nominees gekozen. De respondent worden vragen gesteld over zichzelf en de nominee betreffende: lengte van de relatie met de nominee; aanwezigheid tijdens nominee's eerste cocaïnegebruik; huidig cocaïnegebruik van de nominee; duur van het cocaïnegebruik van de nominee; belangrijkste plaats van gebruik van nominee; gezamenlijk gebruik; samenhang in wijze van verkrijgen van cocaïne. De antwoorden van het kwantitatieve gedeelte van de vragenlijst zijn tijdens het interview genoteerd en daarna verwerkt met het databaseprogramma INGRES.
De twee nominees met de laagste randomcijfers worden geselecteerd als vervolg respondenten. Wanneer de respondent zegt dat hij deze nominees niet wil of kan bereiken, wordt hem gevraagd welke van de genoemden dan wel kunnen worden bereikt. Indien de respondent aangeeft dat dit bij geen der nominees het geval is, wordt hem verzocht informatie te geven over alternatieven om nieuwe respondenten te verkrijgen.
Naast het verzamelen van gegevens middels interviews, waarbij gebruik is gemaakt van open en gesloten vragen, is ook informatie verkregen door observaties in het veld. Hierbij is gebruik gemaakt van een observatieschema. Verder zijn diverse veldwerk-notities gemaakt. Deze gegevens zijn verwerkt en geordend met het tekstverwerkingsprogramma WordPerfect.
2.4.5    Aard, omvang en spreiding
Voor het beschrijven van de aard van het cocaïnegebruik in Rotterdam wordt voorna melijk gebruik gemaakt van het kwalitatieve deel van de vragenlijst. Op basis van de diepte-interviews worden typen cocaïnegebruikers onderscheiden. De analyse-techniek die hier wordt toegepast is ontwikkeld op het Criminologisch Instituut te Groningen door met name de onderzoekers Swierstra en Janssen (Janssen en Swierstra 1982, Swierstra en Janssen 1986). Later is zij onder meer door Intraval (1987, 1989, 1991), Swierstra (1990) en De Bie en Miedema (1990) toegepast en verder uitgewerkt. Bij deze techniek vormen de uitgewerkte diepte-interviews het basismateriaal voor de analyse. Allereerst worden de individuele interviews geanalyseerd. Belangrijke, opvallende en relevante elementen worden als het ware uit de individuele verhalen gedestilleerd. Vervolgens wordt gekeken naar kenmerkende verschillen en overeenkomsten. Dit gebeurt op bovenindividueel (categoriaal) niveau, omdat de interesse niet uitgaat naar individuele, persoonsgebonden verschillen, maar naar verschillen en overeenkomsten tussen groepen gebruikers. In dit stadium wordt gekeken naar opvallende en soms extreme respondenten die als voorbeeld kunnen dienen. Op grond daarvan wordt een eerste ruwe indeling in categorieën gebruikers gemaakt. Hier worden de eerste contouren zichtbaar van de dimensies waarop de typen van elkaar worden onderscheiden. Daarna wordt, met behulp van de zogenoemde minimale-maximale vergelijkingsmethode, de ruwe indeling verfijnd. Deze methode houdt in dat de groepen (typen) zo worden gevormd dat verschillen binnen de groepen zo klein mogelijk zijn en de verschillen tussen de groepen juist zo groot mogelijk. Respondenten die tot een type gerekend worden hoeven dus niet op alle punten gelijk te zijn, maar op de onderscheiden relevante punten (dimensies) moet overeenkomst bestaan.
Het kwantitatieve deel van de vragenlijst wordt gebruikt voor de beschrijving van de spreiding en verspreiding van cocaïne in Rotterdam en voor het schatten van het aantal gebruikers. Voor de bepaling van de omvang zijn twee schatters ontwikkeld (Snijders 1991). Deze schatters zijn afgeleid uit een combinatie van sneeuwbalsteekproeven en netwerkbenadering(5). De ontwikkelde schatters gaan uit van een aselect getrokken initiële steekproef, hetgeen niet volledig het geval is voor de initiële steekproef in Rotterdam. In paragraaf 6.2 wordt aangegeven op welke wijze deze schatters zijn aangepast aan de niet aselecte initiële steekproef. Een probleem bij de omvangsschattingen vormt het eenduidig identificeren van de personen in het netwerk. In de praktijk is gebleken dat veel respondenten geen volledige namen willen noemen van cocaïnege bruikers. Vandaar dat besloten is op grond van een combinatie van persoonskenmerken personen te identificeren. Deze kenmerken zijn: eerste twee letters van de voor- en achternaam, eventuele bijnaam, sexe, leeftijd en beroep. Verder wordt het kwantitatieve deel van het onderzoek gebruikt om door middel van analyse van persoonlijke netwerken, de relatiestructuren in de groep van cocaïnegebruikers te onderzoeken. Het noemen van verschillende gebruikers in de vijf onderscheiden circuits vormt de basis voor het analyseren van de persoonlijke netwerken van de respondenten. Deze netwerken worden tevens geanalyseerd met behulp van een twee-niveau regressie-analyse (multi-level analysis). Hiermee worden die relaties geanalyseerd waarover de respondent specifieke informatie heeft gegeven(6).
Voor alle duidelijkheid moet worden vermeld dat gedurende de diverse onderzoeksfasen het kwalitatieve en kwantitatieve deel meer met elkaar zijn verweven dan uit het bovenstaande wellicht naar voren komt. Verder wordt in hoofdstuk vijf en zes nader ingegaan op de minimale-maximale vergelijkingsmethode, de persoonlijke netwerkanalyse en de twee-niveau regressie-analyse, omdat zij gedurende het onderzoek verder zijn ontwikkeld en ingevuld. Zij vormen als het ware een resultaat van het onderzoek.
2.5    Onderzoeksverloop
In deze paragraaf wordt een beeld geschetst van de vele en sterk uiteenlopende activiteiten van de vijf veldwerkers gedurende de negen maanden dat het veldwerk in beslag heeft genomen. Dit maakt duidelijk dat de onderzoeksresultaten zijn gebaseerd op intensief en omvangrijk veldwerk, waardoor een goede indruk is verkregen van cocaïnegebruik en -gebruikers in Rotterdam(7). Cafés, galeries, filmfestival, tentoonstellingen, house-party's, discotheken, coffeeshops, jeugdcentra, voetbalwedstrijden, supportershomes, fitnesscentra, informele ontmoetingsplaatsen van jongeren, sexclubs en verzamelplaatsen voor straatprostitutie vormen slechts een greep uit het brede scala van de ruim 120 verschillende locaties en manifestaties die zij regelmatig bezochten. Naast de initiële settings zijn gedurende het onderzoek ook andere settings bestudeerd en meerdere malen bezocht. Het doel van het veldwerk is tweeledig, namelijk een beeld krijgen van de gelegenheidsstructuur van cocaïnegebruik en het werven van respondenten die een goede dwarsdoorsnede vormen van de onderzoekspopulatie.
Het veldwerkteam is begonnen met een eerste verkenning van het veld. Samen met mensen die goed bekend zijn met de Rotterdamse situatie, is een eerste indruk verkregen van het uitgaans- en nachtleven. Tevens zijn contacten met cocaïnegebruikers gelegd en is een aantal proefinterviews gehouden. Op grond van de ervaringen met deze proefinterviews zijn de vragenlijsten aangepast. Na enkele maanden is het veldwerk geïntensiveerd. Aan de hand van een schema zijn nauwkeurige verslagen bijgehouden van de observaties en activiteiten. Op deze wijze wordt een beeld verkregen van de verschillende uitgaanslocaties, de drukste tijden, de verschillende (sociale) groepen die de locaties bezoeken, de verschuivingen van het nachtleven door de stad, het wel of niet (openlijk) gebruiken van cocaïne, het gebruik van andere drugs, eventuele deal-activiteiten etcetera. Waar mogelijk zijn contacten gelegd met gebruikers en afspraken gemaakt mee te doen aan het onderzoek. Via enkele instellingen zijn in deze maanden eveneens mensen benaderd die ervaringen hebben met cocaïnegebruik en bereid zijn tot een interview.
Zoals gezegd is in de loop van het veldwerk een groot aantal gelegenheden en manifestaties diverse malen bezocht. Het uitgaan, bezoeken van verschillende gelegenhe den, vaak je gezicht laten zien en gesprekken voeren met veel mensen vormen, naast het observeren, belangrijke elementen van het veldwerk. In de gesprekken wordt getracht het vertrouwen te winnen van mensen en er achter te komen in hoeverre zij bekend zijn met het cocaïnegebruik in Rotterdam. Het doel van het onderzoek wordt vervolgens nader uiteengezet. Wanneer men zelf aan de criteria voldoet, wordt een afspraak gemaakt voor een interview. Het zelf contact leggen met gebruikers is een tijdrovende methode. Met name het winnen van vertrouwen en het overtuigen van mensen dat het belangrijk is dat zij meedoen aan het onderzoek kost veel tijd. Onze indruk is dat naarmate een gebruiker meer geïntegreerd is of een hogere maatschappelijke positie heeft, hij of zij meer te verliezen heeft. Dit betekent dat het nog meer tijd kost vertrouwen te winnen en mensen te bewegen mee te werken. Het intensieve veldwerk blijkt zich echter na verloop van tijd terug te betalen. Het werven van respondenten verloopt steeds soepeler. Het feit dat het meer en meer bekend wordt dat er een cocaïne-onder zoek plaatsvindt en ook de overwegend positieve ervaringen van de mensen die mee doen, werpt langzaam maar zeker haar vruchten af.
Al langer is bekend dat opiaatgebruikers naast heroïne verschillende andere middelen gebruiken en dat cocaïne daarbij een steeds prominentere rol gaat spelen (Intraval 1989 en 1991, Grapendaal e.a. 1991). Van de cocaïnegebruikers vormen deze polydrugsgebruikers de meest zichtbare en bekende groep. Een groot deel is bekend bij de drugshulpverlening en de politie. Het blijkt dat de meesten inderdaad ervaring hebben met het gebruik van cocaïne. Enkel heroïnegebruik komt slechts sporadisch voor. Het gebruik van cocaïne is net als dat van heroïne vrij openlijk. Naast het gebruik thuis, bij vrienden of in dealpanden, wordt ook vaak gebruikt in de open lucht, in toiletten, in portieken, of in telefooncellen. De bekendste verzamelplaatsen zijn onder andere het Centraal Station, de Nieuwe Binnenweg en de West-Kruiskade.
   
De wereld van kunst en cultuur staat van oudsher al bekend als het gaat om het gebruik van drugs. Overbekend zijn bijvoorbeeld de verhalen van drugsgebruikende (jazz)muzikanten. Vaak worden kunstenaars beschouwd als voorlopers of trendsetters, ook als het gaat om het gebruik van (nieuwe) drugs. Met betrekking tot de beeldende kunst in Rotterdam doen twee tegenstrijdige verhalen de ronde. Volgens de een moeten gebruikers voornamelijk gezocht worden onder de jongere garde kunstenaars. Volgens de anderen is het meer de oudere generatie kunstenaars die gebruikt. Zo is het volgens een eigenaar van een galerie al een groot aantal jaren geleden dat hij voor het laatst samen met een kunstenaar op pad is geweest om cocaïne te kopen. Tijdens openingen van tentoonstellingen, inauguraties in galeries en dergelijke, is gedurende het veldwerk geen openlijk gebruik van cocaïne geconstateerd. Wel worden er softdrugs gebruikt en vloeit de alcohol min of meer overvloedig. Dit wil echter niet zeggen dat het gebruik van cocaïne onder kunstenaars in Rotterdam niet voorkomt. Tijdens het onderzoek zijn zowel mensen gesproken en geïnterviewd die tot de oudere garde behoren als gebruikers die tot de groep jonge kunstenaars kunnen worden gerekend. Er is geen duidelijke indicatie dat onder de ene groep meer gebruikers voorkomen dan onder de andere. Wel lijkt cocaïne voor de nieuwe lichtingen kunstenaars meer in het teken van genotsmiddel te staan, terwijl het voor de groep oudere kunstenaars meer in het teken stond van experiment en middel om zich te onderscheiden. Ook in de wereld van de muziek komt het gebruik van cocaïne voor. Muzikanten zelf, maar ook personen in aan muziek gerelateerde beroepen zoals roadies en geluidstechnici, geven aan wel eens cocaïne te gebruiken.
Er wordt wel eens gesteld dat er een zekere relatie zou bestaan tussen hasjgebruik en het gebruik van cocaïne. Dit doet denken aan de relatie die gelegd wordt tussen hasj en heroïnegebruik (stepping stone). Onder de bezoekers van coffeeshops zijn niet veel gebruikers van cocaïne aangetroffen. Het gebruik van hasj is een wijd verspreid en geaccepteerd fenomeen. Veel mensen die tijdens het veldwerk zijn aangesproken, zeggen wel eens hasj of marihuana te gebruiken of te hebben gebruikt. Een directe link met cocaïnegebruik kan niet worden gelegd. Uit gesprekken en interviews met gebruikers van cocaïne blijkt echter wel dat velen ervaring hebben met hasjgebruik. Naast het gebruik van cocaïne wordt regelmatig hasj, marihuana of weed gebruikt.
Zoals reeds gezegd is het gebruik van hasj wijd verspreid. Jongeren vormen hierop geen uitzondering, zij maken een belangrijk deel uit van het publiek dat de coffeeshops bezoekt. Uit gesprekken met jongeren in jongerencentra, op informele ontmoetingsplaatsen en in uitgaansgelegenheden blijkt dat cocaïne een ander verhaal is. Ondanks het verbod op het gebruik van harddrugs in jongerencentra, wordt er wel in (of in de buurt van) bepaalde centra cocaïne gebruikt. Sommige centra staan er zelfs min of meer om bekend. Toch lijkt het gebruik van cocaïne niet echt wijd verspreid onder jongeren. Vaak richten zij zich, als er sprake is van drugsgebruik, op speed en XTC. De lagere prijs van eerstgenoemde zal daarbij zeker een rol spelen. Speed wordt wel bescouwd als 'the poor man's coke'. Het gebruik onder jongeren speelt zich meer in en om andere uitgaansgelegenheden (disco's en dergelijke) af dan in jongerencentra. Voor voetbalsupporters geldt een vergelijkbaar verhaal. Excessief gebruik onder voetbalsupporters waarvan volgens sommigen sprake is, is niet vastgesteld. Ondanks de yell 'hasj, coke en pillen, dat is wat we willen', zijn het voornamelijk alcohol en hasj die worden gebruikt voor en tijdens de door hen bezochte wedstrijden. Wordt er cocaïne gebruikt dan gebeurt dit overwegend tijdens het uitgaan.
Tijdens het veldwerk vormt de arrestatie van de beroemde voetballer Maradona in verband met zijn cocaïnegebruik een belangrijk gespreksonderwerp. Wel vaker wordt een link gelegd tussen cocaïnegebruik en sport. Met name in sporten waarin relatief veel Amerikanen participeren zoals honkbal, basketbal, American football en ijshockey zou het gebruik van cocaïne wijd verspreid zijn. Op grond van eigen observaties is dit niet vast te stellen. Gebruikers komen in de meest uiteenlopende takken van sport voor, van atletiek tot kickboksen, maar het gebruik van cocaïne is zeker geen gemeengoed onder sporters. Als doping blijkt cocaïne niet zo geschikt en wellicht speelt dit een zekere rol. Verschillende gebruikers die dit wel eens geprobeerd hebben, geven aan dat het effect nihil of zelfs tegengesteld is. Het gebruik is overwegend gerelateerd aan uitgaan en feestjes en dient niet om sportprestaties te vergroten. In fitnesscentra is het overmatig gebruik van cocaïne niet vastgesteld. Ook hier moet het veeleer worden gezocht in de recreatieve sfeer. Het fitnesscentrum kan in dit verband natuurlijk wel eens een rol spelen omdat voor velen fitness een vorm van recreatie is. Het staat dan echter los van sportprestaties en dergelijke. De indruk is dat bij mensen met een meer prestatiegerichte instelling, als er sprake is van gebruik, het gebruik van middelen meer in de richting gaat van anabole steroïden en vergelijkbare middelen.
Vaak wordt verondersteld dat in de wereld van reclame, mode en andere moderne beroepen het gebruik van cocaïne min of meer gemeengoed is. Met name mensen met drukke, goed betaalde banen zouden de hoofdgroep cocaïnegebruikers vormen. De ervaringen tijdens het veldwerk wijzen in een andere richting. Het gebruik van cocaïne is al lang niet meer beperkt tot deze elite-groep. Ook al komt het gebruik onder deze groep zeker voor, duidelijk is wel dat zij niet (meer) de hoofdcategorie vormt. Het gebruik binnen deze groep speelt zich meer af in het verborgene. Men is zeer gesloten en terughoudend over het gebruik, althans ten opzichte van derden. Zelf geven zij vaak aan dat als hun gebruik aan anderen dan intieme vrienden bekend wordt, hun positie op het spel komt te staan. Dit verklaart wellicht dat slechts een beperkt gedeelte van deze gebruikers bereid was mee te werken. Ook het steeds negatiever wordende imago van cocaïne speelt hierbij vermoedelijk een rol.
Het gebruik van cocaïne in directe relatie tot werk komt niet zo vaak voor. Sommigen geven aan dat het zelfs contraproductief werkt, zeker in het geval van een verantwoordelijke baan. Ook binnen deze groep speelt het gebruik zich voornamelijk in de recreatieve sfeer af. De indruk bestaat dat met name in beroepen waar sprake is van een combinatie van lang, hard, voornamelijk in de nachtelijke uren werken en gezelligheid (horeca, taxi) nog wel een relatie met cocaïnegebruik bestaat.
Het gebruik van cocaïne om een tentamen- of examen-periode door te komen lijkt te behoren tot één van de indianenverhalen die cocaïne omringen. Geen van de gesproken of geïnterviewde gebruikers geeft aan in die zin cocaïne te hebben gebruikt. Uit gesprekken met verschillende (ex)preases van studentenverenigingen blijkt dat er slechts bij hoge uitzondering sprake is van een incident betreffende cocaïne. Zij hebben niet de indruk dat het gebruik onder studenten gemeengoed is. Ook studenten zelf geven niet aan dat er sprake is van wijd verspreid gebruik. Men gebruikt zelf niet of nauwelijks en geeft aan nauwelijks mensen uit de eigen omgeving te kennen die gebruiken. Cocaïne vormt in ieder geval geen gespreksonderwerp. Voor zover er sprake is van gebruik speelt zich dit overwegend in de meer recreatieve sfeer van uitgaan en feestjes af.
Naast de wereld van het snelle geld vormt het semi-legale en met name het illegale circuit een moeilijk te bereiken groep. Verhalen van respondenten wijzen in de richting dat de relatie tot cocaïne in criminele milieus niet alleen tot handel beperkt blijft. Wanneer cocaïne voorhanden is, wordt zij meestal ook wel gebruikt. In hoeverre cocaïne een rol speelt bij het plegen van delicten (zoals bijvoorbeeld alcohol wel eens wordt gebruikt om moed in te drinken) is op het eerste gezicht onduidelijk. Binnen het semi-legale circuit van de prostitutie speelt cocaïne wel een duidelijke rol. In verschillende sexclubs wordt cocaïne gebruikt, zo blijkt uit verhalen van dealers en prostituées. Het gebruik speelt zich ook hier meer in het verborgene af. De straatprostitutie vormt een zichtbaarder en toegankelijker gebied. Een groot gedeelte van de straatprostituées kan tot de groep polydrugsgebruikers worden gerekend. In die zin is er een overlap met de harddrugsscene. Het merendeel is verslaafd aan opiaten en gebruikt de prostitutie om hun verslaving te kunnen financieren. Soms vindt betaling voor bewezen diensten plaats in de vorm van (porties) heroïne en/of cocaïne. Opmerkelijk is dat een aantal aangeeft dat voor hen het gebruik van cocaïne ook een functionele component heeft. Het nachten lang langs de weg staan en werken kan alleen met behulp van cocaïne worden volgehouden (dit geldt zeker voor hen die daarnaast ook nog heroïne gebruiken).
Zoals reeds vermeld zijn ook via verschillende instellingen mensen benaderd mee te werken aan het onderzoek. Deze methode is gedoseerd toegepast gezien het specifieke karakter van de respondenten die op deze wijze worden verkregen. Dit geldt met name voor respondenten die via instellingen voor (drugs)hulpverlening zijn verkregen. Het betreft hier voornamelijk polydrugsgebruikers en cocaïnegebruikers die zelf contact hebben gezocht met de hulpverlening, omdat zij problemen kregen met hun gebruik. Ook gebruikers die via het Huis van Bewaring zijn geïnterviewd, vormen een specifieke en selecte groep. Om een zo breed mogelijke afspiegeling te krijgen van de groep cocaïnege bruikers is tevens gekozen voor een benadering via de media. Het idee dat hieraan ten grondslag ligt is dat er op deze manier ook mensen worden bereikt die niet veel uitgaan, geen coffeeshops, sportwedstrijden, fitnesscentra en dergelijke bezoeken, en niet bekend zijn bij de hulpverlening. In zowel de landelijke, de regionale als in de Rotterdamse huis- aan-huisbladen zijn advertenties geplaatst, waarin mensen die ervaring hebben met cocaïnegebruik worden gevraagd mee te werken aan het onderzoek. Figuur 2.1 geeft weer op welke wijze met de respondenten contact is gelegd.
Figuur 2.1
Wijze van contactlegging (N=110)
Figuur 2.1 Wijze van contactlegging (N=110)
 
Aan het einde van het veldwerk is op grond van eigen observaties, de informatie uit de interviews en de informatie over de nominees, de indruk ontstaan dat bepaalde groe pen niet of nauwelijks onder de respondenten vertegenwoordigd zijn. Daarom is in de laatste fase van het veldwerk gericht gezocht naar prostituées, allochtonen en jongeren, zodat ook zij in voldoende mate zijn vertegenwoordigd.
De bovengenoemde wijze van dataverzameling in combinatie met de gehanteerde vragenlijsten levert in totaal informatie op over 1.161 individuen, bestaande uit 110 respondenten en 1.051 nominees (zie schema 2.1). Bij al deze individuen is geslacht, leeftijd en beroep gevraagd. Van 382 nominees is informatie beschikbaar over onder meer duur van gebruik, plaats van gebruik, en wijze van verkrijgen van cocaïne. Over de 110 respondenten is uiteraard het meest bekend; zij zijn uitgebreid ondervraagd over onder meer hun cocaïnecarrière.
Schema 2.1
Overzicht data
Schema 2.1 Overzicht data
 
1. In verband met de leesbaarheid wordt in dit rapport in het algemeen de mannelijke vorm gebruikt.
2. Indien bijvoorbeeld de populatie van gebruikers uiteenvalt in een groot aantal kleine groepen dat van elkaars bestaan niet op de hoogte is, zal er een grotere beginsteek proef nodig zijn dan wanneer er in de populatie een grote verwevenheid is (waarbij elke gebruiker wel een vriend van een vriend van een vriend van elke andere gebruiker is).
3. Met circuit wordt hier bedoeld: groep personen waarbinnen wordt verwacht dat er veel relaties bestaan, of in netwerktermen; een deel van het netwerk met een hoge dichtheid van contacten.
4. Het gevaar bestaat anders dat de respondenten alleen de personen noemen waarmee zij een hechte relatie hebben of juist alleen personen waarmee zij nauwelijks contact hebben (vanwege privacy redenen).
5. De definitie van de sneeuwbalsteekproef voor Rotterdam is: Er wordt aselect een steekproef getrokken uit de populatie van cocaïnegebruikers in Rotterdam. Dit is de initiële steekproef. De personen die in de initiële steekproef zitten noemen vervolgens personen die zij kennen die cocaïne gebruiken. De nieuw genoemde personen vormen de zogenoende 'first snowball wave'.
6. Bij deze, relatief nieuwe, benadering wordt rekening gehouden met eventuele ver schillen tussen de respondenten die doorwerken op de cocaïne-contacten die zij hebben genoemd.
7. Zo heeft één van de medewerkers gedurende enige maanden met de Feijenoord-supporters van vak S wedstrijden, kroegen en supportersbijeenkomsten bezocht. Daarnaast was hij onder meer actief bij trainingen en wedstrijden van American football en honkbal. Een andere medewerker heeft uitgebreid gesproken met bezoekers van coffeeshops, jongerencentra, fitnesscentra etcetera, terwijl een derde diverse malen galeries, filmbal en andere cultuurmanifestaties heeft bezocht.
vorige   volgende
Colofon en inhoudsopgave
Hoofdstuk 1    Inleiding en probleemstelling
Hoofdstuk 2    Verkooppunten
Hoofdstuk 3    Algemene impressies
Hoofdstuk 4    Karakteristieke kenmerken
Hoofdstuk 5    Typologie
Hoofdstuk 6    Spreiding, verspreiding en omvang
Hoofdstuk 7    Conclusies en discussie
Samenvatting
Literatuur
Bijlage A    Verklarende woordenlijst
Bijlage B    Beroepsclassificatie naar soorten
Bijlage C    Patronen van gebruik
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.