INTRAVAL. Bureau voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek en advies<
 
In Grote Lijnen
Hoofdstuk 1    Inleiding en probleemstelling
Cocaïne staat de laatste jaren sterk in de belangstelling. Er zijn aanwijzingen dat het middel in toenemende mate in Nederland wordt gebruikt (Avico e.a. 1988, Cohen 1989, Bieleman e.a. 1990, Intraval 1990b, Korf e.a. 1990). Zo is in het onderzoek 'Harddrugs en criminaliteit in Rotterdam' een toename geconstateerd van cocaïnegebruik onder jongeren (Intraval 1989). De grote aandacht voor cocaïne kan in verband worden gebracht met het probleem van het polydrugsgebruik onder opiaatverslaafden, berichten over het veelvuldig opduiken van het middel in de uitgaanswereld (discotheken en dergelijke) en de, al oudere, beeldvorming rond cocaïne als de drug van de maatschappelijk succesvolle carrièremakers.
Het actieve bestanddeel van de cocaïne is voorzover bekend in 1859 voor het eerst geïsoleerd uit het cocablad. Daarna is het ontwikkeld als geneesmiddel: onder meer tegen verkoudheid, griep, en als plaatselijk verdovend middel. Zo produceerde in ons land sinds 1870 de 'Nederlandsche Cocaïnefabriek' geneesmiddelen op basis van cocaïne (Korf en De Kort 1989). Aanvankelijk raken onder meer artsen verslaafd aan hun eigen cocaïne. Ook Freud heeft het zelf gebruikt en er tevens in zijn praktijk mee geëxperimenteerd. Cocabladeren zijn afkomstig van velden in vooral Bolivia, Peru, en Colombia. De Indiaanse bevolking schijnt de stimulerende werking al duizenden jaren voor Christus te hebben ontdekt. Men kauwde het bij het werk, tegen moeheid, pijn en eetlust. Later verstrekten de Spaanse veroveraars het middel onder meer aan mijnwerkers. Tenslotte is het actieve bestanddeel nog tot in het begin van deze eeuw voor de bereiding van de Amerikaanse Coca-cola gebruikt. Tegen woordig wordt het cocablad illegaal tot cocaïne gefabriceerd in met name Colombia en van hieruit op de internationale markt gebracht. De beruchtste criminele organisaties aldaar zijn het 'Medellin kartel' en het 'Cali kartel' (Eddy 1989). In haar strijd hiertegen wordt de Colombiaanse overheid financieel en militair gesteund door de VS. De laatste tijd lijken Bolivia, Peru, Suriname en de Nederlandse Antillen steeds belangrijkere schakels te worden in de internationale handel. Sinds enkele jaren heet de Amerikaanse markt verzadigd te raken, reden waarom de handel zich meer op West-Europa zou richten.
1.1    Vraag en aanbod
Aanbod
Waar het de onderschepte hoeveelheden cocaïne in Europa betreft, gaat volgens Interpol-gegevens Spanje al enkele jaren fier aan kop. Meer recente gegevens laten zien dat het verschil met Nederland, nummer twee, kleiner is geworden: in ons land neemt de hoeveelheid fors toe, in Spanje wordt deze juist een stuk kleiner (Interpol 1990). Van beide landen wordt verondersteld dat zij in ieder geval een belangrijke functie vervullen als doorvoerland voor de rest van Europa. Inzake het gebruik van het middel, laten Spaanse onderzoeksgegevens een toename zien over de laatste jaren (Barcelona 1990). Deze zogenoemde prevalentie-cijfers liggen in dezelfde orde van grootte als in ons land. Italië tenslotte, staat op de Interpol-lijst als zesde, na West-Duitsland, Frankrijk en Portugal.
Volgens Interpol kan in 1978 met de in heel Europa in beslag genomen cocaïne (155 kilo), precies één koffer worden gevuld. In 1988 is voor die oogst al een scheepscontainer nodig. In dat jaar wordt tevens voor het eerst meer cocaïne dan heroïne onderschept: respectievelijk 5,3 versus 2,2 ton. In 1989 neemt de aan getroffen hoeveelheid opnieuw flink toe, tot 6,1 ton; in ons eigen land van ruim 500 kilo in 1988, tot maar liefst zo'n 1.400 kilo (1,4 ton) in 1989 (Interpol 1990). Volgens Lewis (1989) kan het probleem rond de cocaïne voor West-Europa wel eens evenzeer liggen in een toename van de organisatiegraad van de criminaliteit, als in het gebruik van het middel als zodanig.
Wat betreft de verdere distributie, is er enerzijds overlap met de heroïnehandel, zowel op dealadressen als de straathandel rondom bijvoorbeeld het Centraal Station (Kaplan e.a. 1985; Intraval 1989). Een artikel van Grapendaal (1989) is dan ook getiteld 'Wit of bruin', de benaming voor respectievelijk cocaïne en heroïne (zie bijlage A voor uitleg van specifieke termen en uitdrukkingen). Anderzijds bestaat de indruk dat er bij cocaïne (op consumentenniveau) sprake is van gescheiden netwerken, dat wil zeggen dat voor de maatschappelijk geïntegreerde cocaïnegebruiker een apart handelscircuit bestaat. Bekend is wel, dat de vraag naar cocaïne elastischer is dan die naar opiaten. De individuele consumptie is niet continu maar onderbroken, periodiek (Peele 1987, Lewis 1989). Zo kennen in het Nederlandse onderzoek van Cohen, bijna negen van de tien respondenten niet-gebruikende perioden van een maand of langer: uit geldgebrek, of omdat men geen behoefte had (1989). Deze discontinuïteit in het gebruik maakt een benadering van (de omvang van) het fenomeen moeilijker.
Vraag
Tegenover het illegale, en criminele, aanbod van cocaïne kan men ook aan de vraagkant een aantal problematische aspecten onderscheiden. Ten eerste is het middel een drug, in de zin van bewustzijns-beïnvloedende stof. Deze invloed kan sterk zijn. Overmatig gebruik kan leiden tot gezondheids- en sociale problemen. De precieze aard van de afhankelijkheid aan cocaïne is overigens onderwerp van discussie. Ten tweede brengt het illegale karakter van de drug met zich mee, dat de door de gebruiker te betalen prijs hoog is. Kan men dit niet meer uit legale bron financieren, dan kunnen tevens niet-reguliere, waaronder criminele, bronnen worden aangewend. Dit brengt verwervingscriminaliteit met zich mee. Verder kan de drug sociale functies krijgen in die groepsverbanden, waar regelovertredend gedrag plaatsvindt, of zelfs de norm is. De cocaïne blijkt op verschillende manieren ontremmend te kunnen werken, en drempelverlagend te zijn voor zowel het gebruik van andere middelen zoals alcohol en heroïne, als naar crimineel gedrag. De cocaïne als entree-drug naar heroïneverslaving, is in Rotterdam gevonden door Intraval (1989), in de VS onder meer door Petersen e.a. (1983).
In het algemeen krijgen bijna alle drugs te maken met mythevorming. In het geval van cocaïne betreft dit onder meer effecten op zowel intellectuele prestaties als sex-beleving. Zo zou Freud zonder de cocaïne wellicht nooit zijn psycho-analytische theorie gestalte hebben kunnen geven (Zuidhof 1984). Eerder, in de tweede helft van de negentiende eeuw, werd het middel verstrekt aan (zwarte) mijnwerkers in de VS om de produktiviteit te verhogen. Dit bracht echter het verhaal in de wereld dat zwarten hun sexuele driften niet meer konden beheersen onder invloed van cocaïne, en daard oor blanke vrouwen verkrachtten. Ook zouden bepaalde politiekogels geen vat meer op hen hebben (Tieman 1981).
De laatste decennia heeft cocaïne aanvankelijk de naam van de kaviaar, ofwel de champagne, onder de drugs; in brede kring heeft zij een positieve status. Al in 1953 wordt door de Amerikaan Wikler de stelling geponeerd dat cocaïnegebruik past bij extravert en succes-georiënteerd gedrag en identiteit, met andere woorden: bij de Amerikaanse cultuur (Siegel 1984). Zo'n kwart eeuw later lijkt dit beeld op grotere schaal werkelijkheid te zijn geworden, in de VS en vervolgens ook in ons land. Het gebruik van cocaïne is wellicht de laatste jaren vooral toegenomen, omdat het middel beter lijkt aan te sluiten bij de tijdgeest. Het idee bestaat dat de hele samenleving om zo te zeggen meer cocaïne-achtig is geworden. De drug heeft het aureool gekregen van mensen die het helemaal gemaakt hebben, en die nog meer aankunnen. Dit in tegenstelling tot de heroïne, vluchtroute uit de werkelijkheid, het symbool van de kansarme jongeren (Van Ree en Esseveld 1985).
Het recente cocaïnegebruik in onze samenleving heeft zich al eerder voorgedaan in de Verenigde Staten. Vele berichten noemen cocaïne als de illegale drug nummer één van de laatste tien jaar. Het National Institute on Drug Abuse schat in 1986, dat meer dan 20 miljoen Amerikanen (bijna 10% van de totale bevolking) ooit wel eens cocaïne hadden gebruikt; 4-6 miljoen zelfs regelmatig; en dat 200.000 à 1 miljoen mensen dwangmatige gebruikers moesten worden genoemd (NIDA 1986). In 1982 zou maar liefst 19% van de leeftijdsgroep tussen de 18 en 25 jaar, gedurende het vooraf gaande jaar minstens één keer cocaïne gebruikt hebben. Voor de stad New York (18 jaar en ouder, cijfers 1986) zijn de volgende gegevens bekend: 13% had ooit wel eens cocaïne gebruikt, 5% nog de laatste maand (Des Jarlais en Friedman 1989). Hierbij steken de cijfers over ons land bleek af. Bekend zijn de SWOAD-percentages uit 1983: van 15 tot 24 jaar heeft 3% ooit cocaïne gebruikt; in de grote steden 6%. In West-Duitsland wordt overigens, voor dezelfde leeftijdsgroep, in die jaren een cijfer van 4% gevonden.
Meer recente cijfers geven het volgende beeld. De lifetime-prevalentie, dat wil zeggen ooit minstens één keer gebruikt, is in Amsterdam onder 15-39 jarigen 5,8% (Sandwijk e.a. 1988); in de minder stedelijke omgeving van Het Gooi slechts 2% (Korf e.a. 1990). De laatste-jaar-prevalentie is 1,7%, en in de laatste maand voor het interview gebruikt slechts 0,6% van de Amsterdamse bevolking wel eens cocaïne. De laatste Amerikaanse cijfers schatten de lifetime prevalentie op 11% en de huidige prevalentie op 1% (NIDA 1990, Rouse 1991). Volgens Anthony (1992) is er in de Verenigde Staten sprake van een neerwaartse trend betreffende het gebruik van cocaïne en andere illegale drugs. Dit wordt veroorzaakt door het afnemen van het aantal jongeren, terwijl het aantal ouderen juist stijgt. Desalniettemin vallen de prevalentie-cijfers over het cocaïnegebruik in ons land vooralsnog beduidend lager uit dan in de Verenigde Staten. Aan deze schattingen kleeft overigens een grote mate van onnauwkeurigheid door de beperktheid van de gegevens waarop zij zijn gebaseerd.
Kijkt men tenslotte uitsluitend naar erkende verslavingsproblemen, dan blijkt dat in 1988 ruim 900 cliënten bij de Nederlandse CAD's (Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs) stonden ingeschreven in verband met verslaving aan cocaïne als hoofd middel (NVC 1990). Volgens het Rotterdamse CAD hebben in de afgelopen jaren meer dan 100 personen die enkel en alleen cocaïne gebruiken hulp gezocht bij afhankelijkheidsproblemen met het middel. Volgens sommigen zal het aantal langdurige gebruikers dat problemen heeft met cocaïne en daarom contact zoekt met in stanties zoals het CAD toenemen. Zij verwachten dat er de komende jaren veel meer nieuwe en ernstigere problemen zullen zijn met cocaïne dan met heroïne. Dit op grond van ontwikkelingen in de Verenigde Staten en door de langere termijn waarop afhankelijkheidsproblemen bij cocaïne zichtbaar worden.
   
1.2    Probleemstelling
Het voorgaande laat zien dat over cocaïne vele verhalen de ronde doen. Het gebruik van cocaïne komt niet alleen voor bij 'grijpbare' groepen, zoals opiaatverslaafden, maar ook bij diverse moeilijk te traceren categorieën. Daarnaast is onduidelijk in hoeverre cocaïne verslavend is en welke verbanden er zijn met deviant en crimineel gedrag. Specifieke cocaïnestudies zijn nog betrekkelijk nieuw. In tegenstelling tot onderzoek onder opiaatverslaafden kan men zich hierbij niet verlaten op een beproefde methodiek. Evenmin valt te anticiperen op een brede vergelijkingsbasis voor de bevindingen. Buiten de categorie opiaatverslaafden is in Nederland de enige echte uitzondering de studie van Cohen (1989). Deze richt zich echter uitsluitend op niet-deviant cocaïnegebruik in Amsterdam. Ten einde meer inzicht te krijgen in het fenomeen heeft de gemeente Rotterdam samen met Barcelona, later aangevuld met Turijn, opdracht gegeven tot een uitgebreid onderzoek naar het cocaïnegebruik in deze drie Europese steden. De studies vinden gelijktijdig plaats, waarbij onderzoekers en ambtelijke begeleiding de activiteiten onderling op elkaar afstemmen. De aanpak in de drie steden is vrijwel identiek, gebaseerd op het onderzoeksvoorstel van Intraval (1990a). De probleemstelling van het (Rotterdamse) onderzoek luidt:
Wat zijn aard en omvang van het cocaïnegebruik in Rotterdam?
De probleemstelling valt uiteen in drie onderwerpen:
1. De aard van het cocaïnegebruik.
2. De spreiding, verspreiding en omvang van het cocaïnegebruik.
3. Mogelijkheden tot preventie en interventie.
ad 1. De aard van het cocaïnegebruik
Bij de aard van het cocaïnegebruik zal aandacht worden besteed aan de volgende aspecten.
a. Gebruiker/drug relatie
Hierbij kan onder meer worden gedacht aan de aantrekkingskracht van cocaïne, waarschijnlijk schuilend in haar status en in haar (vermeende) eigenschappen als een on schuldige doch stimulerende glamourdrug, die goed lijkt aan te sluiten bij de prestatiemoraal die onze maatschappij kenmerkt. Verder lijken de (sociale) omstandigheden van de individuele gebruiker, ten tijde van het eerste gebruik en na verloop van tijd, van belang. Ook de situaties waarin cocaïne wordt gebruikt zal worden bestudeerd. Het is mogelijk dat deze omgevingsfactor mede bepalend is voor de middelen waarmee cocaïne wordt gecombineerd, evenals de methode en de frequentie van het gebruik. De twee laatstgenoemde aspecten zijn waarschijnlijk van invloed op de manier waarop men met het middel omgaat en ook op het niveau van de verslaving. Belangrijk is verder hoe problematisch en niet-problematisch gebruik zich tot elkaar verhouden.
b. Sociale categorieëën van gebruikers
Het gebruik van cocaïne komt ook voor in heel andere kringen dan onder de bekende opiaatverslaafden. Dit betekent dat het vaak zal gaan om in de praktijk minder goed 'grijpbare groepen' (hidden populations). Cocaïne wordt vaak geassocieerd met snel veel geld uitgeven, met snelle en rijkelijke consumptie. Voorts wordt veronder steld dat het voorkomt in het uitgaansleven, zoals discotheken, trendy cafés, en houseparty's. Een wezenlijk verschil met heroïne lijkt de sociale identiteit van de cocaïnegebruiker te betreffen. Heroïne gebruiken houdt vaak een bepaalde leefstijl in. Of dit ook bij cocaïne het geval is, is de vraag.
c. Verbanden met deviant en crimineel gedrag.
Voor wat betreft de verbanden met regelovertredend en crimineel gedrag valt te denken aan: drugshandel, verwervingscriminaliteit, agressieve delicten, gecombineerde effecten van polydrugsgebruik (inclusief alcohol), groepsvandalisme en visuele overlast. Verder staat de vraag naar het soort maatschappelijke overlast ter discussie. Op het gebruikersniveau kan een onderscheid worden gemaakt tussen criminele activiteiten rondom de kleine handel, verwervingscriminaliteit en andere criminaliteit versterkende effecten van cocaïne.
ad 2. De spreiding, verspreiding en omvang van het cocaïnegebruik.
Bij cocaïnegebruik gaat het, zoals gezegd, vaak om moeilijk grijpbare groepen (hidden populations). Er is in de regel weinig over bekend, gebruikers zijn vaak niet herkenbaar en men heeft meestal weinig of geen contact met hulpverlening en politie. Dit betekent dat het bepalen van de omvang van de populatie geen eenvoudige opgave is. In dit onderzoek zal worden getracht nieuwe methoden voor het schatten van de omvang te ontwikkelen. Hierbij wordt met name gedacht aan een combinatie van sneeuwbalsteek proeven en netwerkbenadering. Naast een mogelijke omvangsschatting geeft deze aanpak tevens inzicht in de spreiding en verspreiding van cocaïnegebruik in Rotterdam.
ad 3. Preventie- en interventie-mogelijkheden.
Het is mogelijk dat uit de analyse van de onderzoeksgegevens naar voren komt dat cocaïne leidt tot problemen bij (groepen van) gebruikers en/of in de samenleving. In dat geval zal een preventie- en interventiebeleid moeten worden ontwikkeld. Het onderzoeksmateriaal kan hiervoor diverse aanknopingspunten opleveren. Vooralsnog valt bijvoorbeeld te denken aan: de beschikbaarheid van cocaïne; informatie over negatieve eigenschappen; het ontmythologiseren van de status van cocaïne; interventies in individuele carrières (met name op 'strategische momenten').
Voor de beantwoording van bovengenoemde probleemstelling worden uitgebreide interviews gehouden met cocaïnegebruikers. In deze gesprekken komen onder meer vragen aan de orde over de drugscarrière, de functies en effecten van cocaïne, de sociale achtergrond en de huidige leefstijl. Deze vormen de basis voor de beschrijving van de aard van het cocaïnegebruik in Rotterdam, met name voor de constructie van een typologie van cocaïne-levensstijlen. Bovendien worden aan de hand van deze open interviews enkele kenmerken van gebruikers weergegeven. Verder worden de respondenten vragen gesteld over andere gebruikers die zij kennen (nominees). De antwoorden op deze vragen worden onder meer gebruikt voor het beschrijven van de spreiding en verspreiding van het cocaïnegebruik in Rotterdam en voor de omvangsschattingen. In hoofdstuk twee wordt uitgebreid uiteengezet op welke wijze de verschillende onderzoeksmethoden zijn toegepast.
1.3    Rapport
Het rapport kent de volgende indeling. In hoofdstuk twee komt de opzet en de methodologische verantwoording van het onderzoek aan de orde, gevolgd door een beschrijving van het onderzoeksverloop. Hoofdstuk drie geeft een eerste impressie van het cocaïnegebruik in Rotterdam, vergeleken met bevindingen uit de literatuur. Aandacht wordt besteed aan onder meer de gelegenheidsstructuur, gebruikswijzen, effecten, verslavingsconcept, verbanden met deviant en crimineel gedrag, en mythes rondom cocaïne. Hoofdstuk vier beschrijft enkele karakteristieke kenmerken van gebruik in samenhang met leeftijd, geslacht, soorten drugs, wijze van gebruik en dergelijke. Het gaat hierbij onder andere om drugscarrière, patroon, inkomen, criminaliteit en cocaïnehandel, en problemen en hulpverleningscontacten. Hoofd stuk vijf behandelt het zwaartepunt van het onderzoek, namelijk de typologie van cocaïne-levensstijlen. Er wordt een beschrijving gegeven van de verschillende typen gebruikers die kunnen worden onderscheiden. Hoofdstuk zes geeft een beeld van de spreiding, verspreiding en omvang van het cocaïnegebruik in Rotterdam. In hoofdstuk zeven volgt een discussie over de conclusies die uit het onderzoek kunnen worden getrokken. Het gaat hierbij enerzijds om beleidsmatige aanbevelingen, anderzijds zullen enkele methodologische aspecten worden behandeld. Het rapport wordt afgesloten met een samenvatting waarin in het kort de belangrijkste bevindingen worden vermeld.
vorige   volgende
Colofon en inhoudsopgave
Hoofdstuk 1    Inleiding en probleemstelling
Hoofdstuk 2    Verkooppunten
Hoofdstuk 3    Algemene impressies
Hoofdstuk 4    Karakteristieke kenmerken
Hoofdstuk 5    Typologie
Hoofdstuk 6    Spreiding, verspreiding en omvang
Hoofdstuk 7    Conclusies en discussie
Samenvatting
Literatuur
Bijlage A    Verklarende woordenlijst
Bijlage B    Beroepsclassificatie naar soorten
Bijlage C    Patronen van gebruik
 
© INTRAVAL, Groningen-Rotterdam .
Deze site wordt onderhouden door De Poel Webdesign.